Uitspraak 200803344/3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2008:188
- Datum uitspraak
- 2 december 2008
- Hoger beroep
- Hoger Beroep - Overige
Toon inhoud
200803344/3.
Datum uitspraak: 2 december 2008
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Proces-verbaal van de mondelinge beslissing met overeenkomstige toepassing van artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht op een verzoek van:
[verzoeker], wonend te [woonplaats],
om toepassing van artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht.
Tijdens de openbare behandeling ter zitting van 2 december 2008 van de zaak nr. 200803344/1 betreffende het verzoek van [verzoeker] om herziening van de uitspraak van de Afdeling van 7 november 2007, nr. 200702918/1 (hierna: de hoofdzaak) heeft verzoeker verzocht om wraking van mr. D. Roemers (hierna: de staatsraad), lid van de enkelvoudige kamer die is belast met de behandeling van de hoofdzaak.
De staatsraad heeft niet in de wraking berust.
De Afdeling heeft het wrakingsverzoek ter zitting behandeld op 2 december 2008, waar verzoeker is gehoord.
De staatsraad heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid te worden gehoord.
Bij mondelinge beslissing van 2 december 2008 heeft de Afdeling het verzoek om toepassing van artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht afgewezen.
Daartoe heeft zij het volgende overwogen.
Ingevolge artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
Verzoeker heeft aangevoerd dat de rechterlijke onpartijdigheid van de staatsraad schade lijdt, omdat niet is gereageerd op zijn herhaalde verzoeken het dossier en de minuut van de uitspraak in zaak nr. 200702918/1 vóór de dag van de zitting op 2 december 2008 te mogen inzien, hij eerst enkele minuten voor aanvang van die zitting inzage in dat dossier heeft gekregen en de staatsraad in verband met vorenstaande klachten tijdens de behandeling ter zitting heeft gezegd dat verzoeker een klacht kon indienen.
De Afdeling heeft voorop gesteld dat de ratio van het instituut van wraking blijkens de wetsgeschiedenis is gelegen in het waken tegen inbreuken op de rechterlijke onpartijdigheid en tegen de schijn van rechterlijke partijdigheid.
Een wrakingsgrond dient volgens vaste jurisprudentie gelegen te zijn in feiten of omstandigheden die betrekking hebben op de persoon van de staatsraad die de zaak behandelt. Daarbij geldt dat de staatsraad uit hoofde van zijn aanstelling wordt verondersteld onpartijdig te zijn en dat het aan verzoeker is om aannemelijk te maken dat sprake is van bijzondere omstandigheden die een uitzondering op deze veronderstelling rechtvaardigen.
Het instituut van wraking is niet bedoeld om als rechtsmiddel tegen procedurele beslissingen te worden aangewend. Uit de hiervoor weergegeven ratio vloeit voort dat voor zover de aangevoerde wrakingsgronden zijn gericht tegen procedurele beslissingen van de staatsraad met betrekking tot de inzage van het dossier en de minuut van de uitspraak, deze als zodanig in de onderhavige wrakingsprocedure niet ter beoordeling staan en in beginsel niet kunnen leiden tot toewijzing van het verzoek om wraking. Niet is gebleken dat met deze beslissingen op enigerlei wijze is vooruitgelopen op de beslissing in de hoofdzaak. Ook de overige door verzoeker aangevoerde omstandigheden, waaronder het feit dat de staatsraad hem heeft gewezen op de mogelijkheid een klacht in te dienen, geven geen aanknopingspunt voor de gerechtvaardigde vrees dat de staatsraad niet in onpartijdigheid zijn oordeel zal vormen.
Nu de bezwaren van verzoeker geen grond voor wraking opleveren, heeft de Afdeling het verzoek afgewezen.
Aldus uitgesproken in het openbaar door mr. W. van den Brink, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.C. Rop, ambtenaar van Staat.
w.g. Brink w.g. Rop
voorzitter ambtenaar van Staat