Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 200703341/1

Uitspraak 200703341/1

ECLI
ECLI:NL:RVS:2007:BB8946
Datum uitspraak
28 november 2007
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 9 januari 2006 heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de staatsecretaris) (hierna: wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav) een boete van ˆ 8.
  • Hoger beroep
  • Wet arbeid vreemdelingen

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

Raad vanState 200703341/1. Datum uitspraak: 28 november 2007 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, appellant, tegen de uitspraak in zaak nr. 06/1758 van de rechtbank Maastricht van 11 april 2007 in het geding tussen: , wonend te en de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. 200703341/1 2 28 november 2007 1. Procesverloop Bij besluit van 9 januari 2006 heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de staatsecretaris) (hierna: wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav) een boete van ˆ 8.000 opgelegd. Bij besluit van 27 juni 2006 heeft de staatssecretaris het daartegen door gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht. Bij uitspraak van 11 april 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Maastricht (hierna: de rechtbank) het daartegen door ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de minister) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 mei 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 5 juni 2007. Deze brieven zijn aangehecht. heeft een verweerschrift ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 oktober 2007, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. R.E. van der Kamp, werkzaam bij het ministerie, is verschenen. 2. Overwegingen 2.1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef, onderdeel b en onder 2ffi, van de Wav, wordt onder werkgever verstaan de natuurlijke persoon die een ander huishoudelijke of persoonlijke diensten laat verrichten. Ingevolge artikel 2, eerste lid, is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning. Ingevolge artikel 18, voor zover thans van belang, wordt het niet naleven van artikel 2, eerste lid, als beboetbaar feit aangemerkt. Ingevolge artikel 19a, eerste lid, legt een daartoe door de minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar namens hem de boete op aan degene op wie de verplichtingen rusten, welke voortvloeien uit deze wet, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als een beboetbaar feit. Ingevolge artikel 19d, eerste lid, aanhef en onder a, is de hoogte van de boete, die voor een beboetbaar feit kan worden opgelegd, indien begaan door een natuurlijk persoon, gelijk aan de geldsom van ten hoogste ˆ 11.250. Ingevolge het derde lid stelt de minister beleidsregels vast waarin de boetebedragen voor de beboetbare feiten worden vastgesteld. 200703341/1 3 28 november 2007 Volgens beleidsregel 1 van de Beleidsregels boeteoplegging Wav, zoals die ten tijde van belang luidden (hierna: de beleidsregels), wordt bij de berekening van een boete, als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, voor alle beboetbare feiten als uitgangspunt gehanteerd de normbedragen die zijn neergelegd in de 'Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Wav' (hierna: de Tarieflijst), die als bijlage bij de beleidsregels is gevoegd. Volgens beleidsregel 2 wordt voor de werkgever als natuurlijk persoon bij een gedraging in strijd met artikel 2, eerste lid, als uitgangspunt voor de berekening van de op te leggen boete 0,5 maal het boetenormbedrag gehanteerd. Volgens de Tarieflijst is het boetenormbedrag voor overtreding van artikel 2, eerste lid, op ˆ 8.000 gesteld, per persoon per beboetbaar feit. 2.2. De rechtbank heeft terecht overwogen en onweersproken is dat de overtreding zoals omschreven in artikel 2, eerste lid, van de Wav heeft begaan. Aldus staat vast dat sprake is van een beboetbaar feit als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Wav, zodat de staatssecretaris bevoegd was een boete op te leggen. 2.3. Blijkens het bij het door inspecteurs van de Arbeidsinspectie op onderscheidenlijk ambtseed en -belofte opgemaakte boeterapport van 23 september 2005 behorende verslag van het gehoor van 2 september 2005, heeft verklaard dat de twee werkend in zijn tuin aangetroffen vreemdelingen van Roemeense nationaliteit wel eens helpen wanneer zij bij hem thuis verblijven, hiervoor alleen eten en onderdak krijgen, en zij ook in het verleden wel eens gewerkt hebben, maar hiervoor niets betaald hebben gekregen. 2.4. De minister betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft vastgesteld dat ter zitting door de minister niet is weersproken en door hem is bevestigd dat louter sprake is geweest van een vriendendienst. Ter zitting bij de rechtbank is slechts verklaard dat de vraag of sprake is van een vriendendienst niet relevant is, aangezien dit de overtreding van de Wav onverlet laat en geen aanleiding is om de boete te matigen, aldus de minister. 2.4.1. Blijkens het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting bij de rechtbank heeft de minister desgevraagd verklaard dat niet aan het verhaal van wordt getwijfeld, maar desondanks niet van de beleidsregels wordt afgeweken. Deze verklaring van de minister wordt door de Afdeling aldus verstaan, dat het verhaal van volgens de minister geen grond biedt om niet tot boeteoplegging over te gaan. 2.4.2. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de artikelen 1 en 2 van de Wav (Kamerstukken II 1993/94, 23 574, nr. 3, blz. 13) blijkt, dat diegene die een vreemdeling feitelijk arbeid laat verrichten vergunningplichtig werkgever is en dat deze werkgever te allen tijde verantwoordelijk is voor en aanspreekbaar op het al dan niet aanwezig zijn van de benodigde tewerkstellingsvergunning. Of sprake is van een arbeidsovereenkomst of gezagverhouding is daarbij niet relevant (Kamerstukken II, 1993/94, 23 574, 200703341 /1 4 28 november 2007 nr. 5, blz. 2). Evenmin is van belang of de arbeid tegen beloning plaatsvindt, aangezien de Wav geen onderscheid maakt tussen betaalde en onbetaalde arbeid. Nu de overtreding van de Wav vaststaat en dit, gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van de artikelen 1 en 2 van de Wav van doorslaggevend belang is, vormde de stelling van dat sprake is van een vriendendienst op zichzelf geen grond om van boeteoplegging af te zien dan wel het boetebedrag te matigen. Het betoog slaagt. 2.5. Voorts betoogt de minister dat de rechtbank, door te overwegen dat de boete in geen verhouding staat tot de ernst en verwijtbaarheid van de overtreding, nu in dit geval het doel van de voorschriften van de Wav wordt voorbijgeschoten, niet heeft onderkend dat graafwerkzaamheden zijn verricht die een zekere economische waarde vertegenwoordigen die even goed door een hovenier hadden kunnen worden verricht, waardoor sprake is van verdringing van legaal arbeidsaanbod en concurrentievervalsing binnen de desbetreffende sector. 2.5.1. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de wijziging van de Wav ir. verband met invoering van de Wet bestuurlijke boete arbeid vreemdelingen {Kamerstukken II, 2003/04, 29 523, nr. 3, blz. 1) is een hardere aanpak van illegale tewerkstelling wenselijk vanwege een aantal redenen, waaronder dat door illegale tewerkstelling legaal arbeidsaanbod in Nederland en de Europese Economische Ruimte wordt verdrongen op de arbeidsmarkt. De omstandigheid dat voornoemde vreemdelingen arbeid heeft laten verrichten, zonder dat hiervoor tewerkstellingsvergunningen zijn aangevraagd en de Centrale organisatie voor werk en inkomen heeft kunnen beoordelen of legaal arbeidsaanbod aanwezig is, brengt met zich dat door is gehandeld in strijd met de doelstellingen van de Wav. De niet nader gemotiveerde stelling neergelegd in het verweerschrift, dat van verdringing van legaal arbeidsaanbod geen sprake is, omdat indien voornoemde vreemdelingen de werkzaamheden niet zouden hebben verricht, de werkzaamheden zelf zou hebben verricht, vormt geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan de staatssecretaris van boeteoplegging had dienen af te zien dan wel het boetebedrag had dienen te matigen. 2.5.2. De staatssecretaris heeft zich in het bij de rechtbank bestreden besluit van 27 juni 2006 voorts terecht op het standpunt gesteld dat onwetendheid en goede intenties aan de zijde van geen individuele omstandigheden met een uitzonderlijk karakter betreffen die aanleiding geven tot matiging van de opgelegde boete. Het betoog slaagt. 2.6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, nu gelet op de hiervoor gegeven overwegingen geen grond bestaat voor een ander oordeel, het beroep alsnog ongegrond verklaren. 2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 200703341/1 5 28 november 2007 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 11 april 2007 in zaak nr. 06/1758; III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, Voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, ambtenaar van Staat. w.g. Parkins-de Vin w.g. Beerse Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 28 november 2007 382-510. Verzonden: 28 november 2007 Voor eensluidend afschrift, de Secretaris van de Raad van State, voor deze. mr. H.H.C. Visser, directeur Bestuursrechtspraak A1 Ministerie van Sociale Zaken w en Werkgelegenheid Sz : INGEKOMEN ' ' -S•-:&•:• y •• -.\' .••f.'srecht ' -VJ. " ? . • 7;:5 Grfffie Postbus 11563 Arrondissementsrechtbank 2502 AN Oen Haag «Va-istncnt Laan van Nieuw Oost Indte 125 Telefoon (070) 333 44 44 Telefax (070) 333 5116 www.arbeidsinspectie.szw.nl Uw brief Ons kenmerk Doorkiesn ummer 15 februari 2006 AI/JZ/2006/53633 (070)333 4481 Onderwerp Datum Contactpersoon Beslissing op bezwaar Mr. Van der Kamp 2 7 Ml 2006 Geachte heer Bij brief van 15 februari 2006 heeft u een bezwaarschrift ingediend, gericht tegen de beschikking van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid d.d. 9 januari 2006, kenmerk 070503225/03, waarbij aan u een boete is opgelegd van ˆ 8.000,- vanwege overtreding van artikel 2 lid 1 van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: Wav). Hierbij doe ik u de beslissing op uw bezwaarschrift toekomen. A. Feiten Op 14 juli 2005 bezochten ambtenaren van de sociale recherche uw woning aan de in _ " In de tuin zagen zij twee personen die bezig waren met graafwerkzaamheden. Het betrof de heren en ^ beiden met de Roemeense nationaliteit. Deze personen bleken vreemdelingen te zijn in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), zodat u voor hen in het bezit diende te zijn van tewerkstellingsvergunningen. U beschikte echter niet over deze vergunningen. De ambtenaren constateerden derhalve twee overtredingen van artikel 2 lid 1 van de Wav. Op 2 september 2005 bent u door twee inspecteurs van de Arbeidsinspectie gehoord. Op 23 september 2005 is het boeterapport ingezonden aan de boeteoplegger te Den Haag. Op 6 december 2005 bent u op de hoogte gesteld van het voornemen u een bestuurlijke boete op te leggen. U heeft naar aanleiding hiervan op 11 december 2005 uw zienswijze gegeven. Op 9 januari 2006 is de bestreden beschikking genomen. B. Bezwaarschrift U stelt dat u blijkbaar in overtreding was door de vrijwillig aangeboden hulp van uw Roemeense vrienden te accepteren. U stelt dat deze overtreding niet willens en wetens is begaan. Dat de vreemdelingen u spontaan hielpen in de tuin valt in uw ogen dan ook moeilijk aan te merken als arbeid, laat staan dat u als werkgever optrad. Als er een overtreding is begaan, dan is dat in volstrekte onwetendheid en zonder welke intentie dan ook geweest. U verzoekt dan ook om als toch een boete wordt opgelegd, de hoogte van het bedrag te herzien. SZ* C. Wettelijk kader Artikel 2, eerste lid van de Wav bepaalt dat het een werkgever is verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning. In artikel I, eerste lid, sub b onder 1 van de Wav wordt als werkgever aangemerkt, degene die in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf een ander arbeid laat verrichten. In het eerste lid, aanhef en sub c van dit artikel wordt bepaald wat onder een vreemdeling wordt verstaan. Aangesloten wordt bij de Vreemdelingenwet 2000. In artikel 1 8 van de Wav is overtreding van artikel 2 van de Wav als beboetbaar feit aangemerkt. Op grond van de Beleidsregels boeteoplegging Wav (hierna: Beleidsregels), met name de beleidsregels 2 en 4, bedraagt de bestuurlijke boete voor overtreding van artikel 2, eerste lid, Wav voor een eenmanszaak ˆ 4.000,- per aangetroffen vreemdeling. D. Hoorzitting Gelet op artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht bent u in de gelegenheid gesteld het bezwaarschrift mondeling toe te lichten. Op 9 januari 2006 heeft een telefonische hoorzitting plaatsgevonden. Een samenvattend verslag van dit gesprek is als bijlage bij deze beschikking gevoegd. E. Overwegingen Vast staat dat de betreffende vreemdelingen werkzaamheden voor u hebben verricht. Vast staat verder dat zij beiden vreemdeling zijn in de zin van de Vw 2000 en dat voor hen aan uw cliente geen tewerkstellingsvergunning was verstrekt. Als werkgever wordt ingevolge artikel 1 lid 1 sub b onder 2 van de Wav iedere natuurlijke persoon beschouwd die een ander huishoudelijke of persoonlijke diensten laat verrichten. Op j^ond van dit artikel bent u als werkgever van de twee vreemdelingen aan te merken. De vreemdelingen verrichtten immers graafwerkzaamheden in de achtertuin van uw woning, hetgeen jegens u als een persoonlijke dienst kan worden beschouwd. De Wav gaat verder uit van een ruime invulling van het begrip arbeid, ook een vriendendienst valt hieronder. Ik concludeer derhalve dat er terecht twee overtredingen van artikel 2 lid 1 van de Wav zijn vastgesteld. Dat er sprake zou zijn geweest van onwetendheid en goede intenties van uw kant, laat de overtreding onverlet. U had behoren te onderzoeken of-en zo ja: onder welke voorwaarden- het u was toegestaan de beide personen met de Roemeense nationaliteit in uw tuin te werk te stellen. Door dit onderzoek kennelijk achterwege te laten, liep u het risico de Wav te overtreden, hetgeen voor uw rekening komt. Verder heeft u aangegeven de boete te hoog te vinden en verzoekt u de boete in ieder geval te matigen. De boetebedragen zijn vastgesteld overeenkomstig de Beleidsregels boeteoplegging Wav en dcbijbehorende Bijlage. De Wav en de Beleidsregels boeteoplegging Wav kennen geen beleidsruimte op grond waarvan eventueel tot matiging zou kunnen worden overgegaan. Wel kan op basis van artikel 4:84 Awb van de beleidsregels worden afgeweken, indien sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor de toepassing van de beleidsregels voor de belanghebbende tot gevolgen leidt die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen. Onder bijzondere omstandigheden dienen individuele omstandigheden met een zeer uitzonderlijk karakter te worden verstaan. De onwetendheid en goed intenties waarop u zich beroept beschouw ik niet als dergelijke bijzondere omstandigheden. Ik herhaal in dat verband mijn opvatting dat u wel degelijk nader had moeten onderzoeken of de vreemdelingen gerechtigd waren in Nederland te werken. Ik zie derhalve geen aanleiding om de opgelegde boete te matigen. F. Beslissing De ben van oordeel dat de boete in overeenstemming met de vigerende regelgeving is opgelegd. Gelet op het bovenstaande verklaar ik het bezwaarschrift ongegrond. Dit betekent dat de beschikking van 9 januari 2006, kenmerk 070503225/03 ongewijzigd in stand blijft. Hoogachtend, De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, namens deze, Algemeen Directeur van de Arbeidsinspectie, '// (drJT./.M. Uijlenbroek) Overeenkomstig de Algemene wet bestuursrecht kan tegen deze beschikking beroep worden ingestelddoor degene wiens belang rechtstreeks bij deze beschikking betrokken is. Daartoe moet binnen zes weken na de datum van verzending van deze beschikking een beroepschrift met een kopie van deze beschikking worden ingediend bij de sector bestuursrecht van de rechtbank van de woonplaats van degene die het beroep instelt. Opgemerkt wordt dat Landgraaf ligt binnen het rechtsgebied van de Rechtbank Maastricht, Postbus 1988, 6201 BZ te Maastricht. Het beroepschrift dient te worden ondertekend en ten minste te bevatten de naam en het adres van de indiener, de dagtekening, een omschrijving van deze beschikking alsmede de reden(en) waarom de beschikking niet juist wordt gevonden. Voor de behandeling van het beroepschrift is griffierecht verschuldigd. uitspraak RECHTBANK MAASTRICHT Sector Bestuursrecht Procedurenummer: AWB 06 /1758 WAV Uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken inzake wonende te eiser, tegen de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Arbeidsinspectie). gevestigd te 's-Gravenhage, verweerder. Datum bestreden besluit: 27 juni 2006 Kenmerk: AI/JZ/2006/53633 Behandeling ter zitting: 23 februari 2007 1. Ontstaan en loop van het geding Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 27 juni 2006 heeft verweerder een door eiser ingediend bezwaarschrift van 15 februari 2006 tegen een door verweerder genomen besluit van 9 januari 2006 ongegrond verklaard. Bij brief van 3 augustus 2006 heeft eiser tegen eerstgenoemd besluit beroep ingesteld bij deze rechtbank. De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken zijn in kopie aan eiser gezonden, evenals het door verweerder ingediende verweerschrift. Het beroep is behandeld ter zitting van deze rechtbank op 21 februari 2007, waar eiser niet is verschenen. Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door mr. R.E. van der Kamp. 2^ Overwegingen Bij besluit van 9 januari 2006 heeft verweerder aan eiser een boete opgelegd van ˆ 8.000,00 op grond van artikel 19e, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: Wav). Aan dit besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd een rapport van de Arbeidsinspectie van 23 september 2005. Blijkens dit rapport heeft eiser op 14 juli 2005 twee vreemdelingen zonder tewerkstellingsvergunningen arbeid laten verrichten, bestaande uit het graven van een vijver alsmede overige tuin werkzaamheden waaronder het maaien van gras en het oprapen van bladeren. De werkzaamheden vonden plaats in de tuin van de woning van eiser. AWB 06/ 1758 WAV pagina 2 Bij brief van 1S februari 2006 heeft eiser tegen dat besluit bezwaar gemaakt bij verweerder. Eiser is op 4 april 2006 telefonisch op het bezwaar gehoord. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaarschrift van eiser ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt ten grondslag verweerders standpunt, dat vaststaat dat eiser ten tijde van voornoemde werkzaamheden als werkgever als bedoeld in artikel 1, eerste lid, sub b onder 2, van de Wav aangemerkt dient te worden. Daarmee staat tevens vast dat er terecht twee overtredingen van het bepaalde in artikel 2, eerste lid, van de Wav zijn vastgesteld. In artikel 18 van de Wav is een dergelijke overtreding als een beboetbaar feit aangemerkt Op grond van de Beleidsregels boeteoplegging Wav (hiema: de beleidsregels) en de daarbij behorende bijlage bedraagt de bestuurlijke boete voor een overtreding van artikel 2 van de Wav ˆ 4.000,00 per vreemdeling. De Wav en de beleidsregels kennen geen beleidsruimte op grond waarvan eventueel tot matiging van de boete zou kunnen worden overgegaan. Wel kan op basis van artikel 4:84 van de Awb van beleidsregels worden afgeweken, indien sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor toepassing van de beleidsregels voor de belanghebbende tot gevolgen leidt die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen. In beroep heeft eiser, kort samengevat, aangevoerd dat gelet op de omstandigheden waaronder de overtreding heeft plaatsgevonden, verweerder toepassing had dienen te geven aan artikel 4:84 van de Awb in die zin dat verweerder de boete had dienen te matigen. Bedoelde omstandigheden bestaan eruit dat de twee onderhavige uit Roemenie afkomstige vreemdelingen persoonlijke vrienden van eiser zijn die bij hem op vakantie/bezoek waren. Als eiser in Roemenie is verblijft hij bij hun. Op het moment dat de rechercheurs de controle uitvoerden was eiser zelf bezig met het uitgraven van een vijver in zijn tuin en waren zijn twee vrienden hem daarbij aan het helpen. Zij kregen hiervoor niet betaald. Het betrof hier een spontane vriendendienst. Eiser wist niet dat hij in overtreding was. Een boete van ˆ 8.000,00 dient naar de mening van eiser niet de doelen zoals die in de beleidsregels zijn vastgelegd. In het verweerschrift heeft verweerder aangevoerd dat eiser niet heeft aangegeven op grond waarvan de toepassing van de boetenormbedragen tot onevenredige gevolgen zouden leiden of waarom de boete onevenredig is in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen. De achtergrond van de Beleidsregels is gelegen in de wens illegale tewerkstelling streng te bestrijden en verdringing van Nederlands arbeidsaanbod krachtig tegen te gaan. De hoogte van de normbedragen is afgestemd op het strafwaardig karakter van het niet naleven van de voorschriften van de Wav en op de afschrikwekkende werking die van de boetebedragen moet uitgaan. De rechtbank overweegt als volgt- - - Voor wat betreft het voor de onderhavige zaak van toepassing zijnde wettelijk kader verwijst de rechtbank naar de hierboven genoemde overwegingen van verweerder zoals neergelegd in het bestreden besluit Onweersproken is dat eiser de overtreding zoals omschreven in artikel 2, eerste lid, van de Wav heeft begaan. Allereerst stelt de rechtbank vast dat verweerder bij het opleggen van een boete ingevolge artikel 19a, eerste lid, Wav een discretionaire bevoegdheid toekomt. Bij de uitoefening van AWB 06/1758 WAV pagina 3 die bevoegdheid toetst de rechtbank in het licht van de door eiser aangevoerde gronden of verweerder na afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met het recht. Nu de onderhavige bestuurlijke boete is aan te merken als een punitieve sanctie brengt artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) mee dat de rechtbank vol dient te toetsen of de hoogte van de opgelegde boete in redelijke verhouding staat tot de emst en verwijtbaarheid van de overtreding. Uit de stukken is niet gebleken dat verweerder de door eiser naar voren gebrachte gang van zaken betwist en ter zitting heeft verweerders gemachtigde desgevraagd bevestigd dat van verweerders zijde het relaas van eiser niet in twijfel wordt getrokken. De rechtbank gaat bij haar beoordeling dan ook uit van dat relaas, zoals hierboven omschreven. Blijkens de Memorie van Toelichting (Kamerstukken Tweede Kamer, 2003-2004, 29 523, nr. 3, p. 1) zijn de in de Wav neergelegde voorschriften gegeven ter bestrijding van: 1. verdringing van legaal arbeidsaanbod in Nederland en de Europese Economische Ruimte op de arbeidsmarkt; 2. overtreding van normen op het gebied van arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden, die kan leiden tot uitbuiting van de illegaal tewerkgestelde vreemdelingen en 3. concurrentievervalsing binnen een sector, waardoor de bedrijfsvoering van bonafide werkgevers wordt geschaad. Gelet op het met de wet beoogde doel is de rechtbank van oordeel dat in een geval als het onderhavige, waarbij sprake is van twee vreemdelingen die hier te lande tijdens een bezoek aan een persoonlijke vriend een helpende hand toesteken bij het graven van een vijver en enkele andere werkzaamheden in de tuin van die vriend zonder daarvoor een financiele beloning te hebben afgedongen, een boete van ˆ 8.000,00 als onevenredig hoog dient te worden aangemerkt Het opleggen van een dergelijke boete voor een activiteit die omschreven kan worden als een spontane vriendendienst welke plaatsvindt in de privesfeer van degene die als werkgever kan worden aangemerkt, schiet het doel van de onderhavige voorschriften voorbij. Van een redelijke verhouding tot ernst en verwijtbaarheid is in het geval van deze boete onder de hiervoor geschetste omstandigheden naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Derhalve kan niet worden staande gehouden dat verweerder in redelijkheid tot het bestreden besluit is kunnen komen. Het beroep dient derhalve voor gegrond te worden gehouden. Op grond van de artikelen 8:70, 8:72 en 8:74 van de Awb wordt als volgt beslist AWB 06/1758 WAV pagina 4 3. Beslissing De rechtbank Maastricht: d. verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit; 2. draagt verweerder op om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser; 3. bepaalt dat aan eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van ˆ 141,00 wordt vergoed door de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Aldus gedaan door mr. T.E.A. Willemsen in tegenwoordigheid van mr. R.H. Kessels als griffier en in het openbaar uitgesproken op .f f APR 2007 door mr. Willemsen voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier. w.g. R. Kessels w.g. Willemsen Voor eensluidend afschrift, de griffier, • Verzonden: / J ^pj} 2007 Voor belanghebbenden en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak. Indien hoger beroep is ingesteld kan ingevolge het bepaalde in artikel 39 van de Wet op de Raad van State juncto artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverff wijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Ministerie van Sociale Zaken w en Werkgelegenheid Sz Raad van State Postbus 11563 2502 AN Den Haag Afdeling bestuursrechtspraak Telefoon (070) 333 44 44 Postbus 20019 Telefax (070) 333 51 16 2500 EA 's-Gravenhage Uw brief Ons kenmerk Doorkiesnummer (070)333 5190 AI/JZ/2006/68400/HB Onderwerp Contactpersoon Hoger beroep tegen de uitspraak van de Datum mr. Van der Kamp rechtbank Maastricht inzake het beroep 11 MEI 2007 van te Geacht College, Hierbij stel ik hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 11 april 2007, procedurenummer 06/1758 WAV Z KER. Een afschrift van deze uitspraak is bijgevoegd. In genoemde uitspraak heeft de rechtbank het beroep van (hierna: i tegen de beschikking van 27 juni 2006, kenmerk AI/JZ/2006/53633, gegrond verklaard en deze beschikking vernietigd. Bij deze beschikking had de Staatssecretaris (thans: de Minister) van Sociale Zaken en Werkgelegenheid besloten tot handhaving van een aan opgelegde boete van ˆ 8.000,- in verband met twee overtredingen van de Wet arbeid vreemdelingen. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank bepaald dat ik een nieuwe beslissing op bezwaar dien te nemen. Ik ben van mening dat de uitspraak van de rechtbank onjuist is en op onjuiste gronden is gebaseerd. Ik verzoek u dan ook de uitspraak van de rechtbank te vernietigen. Verder verzoek ik u het beroep van tegen de beslissing op bezwaar van 27 juni 2006 alsnog ongegrond te verklaren, dan wel het beroep terug te verwijzen naar de rechtbank en te bepalen dat zij op het beroep van ~ dient te beslissen met inachtneming van uw uitspraak. Bc verzoek u mij een termijn te gunnen waarbinnen ik de grieven waarop dit hoger beroep berust, kan indienen. Hoogachtend, De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, namens deze, de AlgemeenDirecteur van de Arbeidsinspectie, (dr/7.J.M. Uijlenbroek) Ministerie van Sociale Zaken IV en Werkgelegenheid SZ RAAD VAN STATE INGEKOMEN 0.6 JUN 2007 Raad van State Postbus 11563 ZAAKNR. , // () f 2502 AN Den Haag Afdeling bestuursrechtspraak Laan van Nieuw Oost Indie 125 Postbus 20019, AAN: \JU r/^Alw Telefoon (070) 333 44 44 BEHANDELD: PD: PM: Telefax (070) 333 51 16 2500 EA 's-Gravenhage Uw brief Ons kenmerk Ooorkiesnummer 14 mei 2007 AI/JZ/2007/17793/Gronden (070)333 5190 Onderwerp Datum Contactpersoon Hoger beroep tegen de uitspraak van de H C ii mi nnrvy mr. Van der Kamp rechtbank Maastricht inzake het beroep van wVlw LUUf uw nummer 200703341/1/V6 Geacht College, Bij brief van 11 mei 2007 stelde ik hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 11 april maart 2007, procedurenummer 06/1758 WAV Z KER. Bij brief van 14 mei 2007 verleende u mij een termijn tot en met 11 juni 2007 om de gronden van mijn hoger beroep aan te vullen. Bij deze ontvangt u de aanvullende gronden. Procesverloop Aan de heer: is bij beschikking van 9 januari 2006 een boete opgelegd van ˆ 8.000,-, wegens twee overtredingen van artikel 2, eerste lid, van de Wet Arbeid Vreemdelingen (Wav). Deze overtredingen bestonden uit het op 14 juli 2005 graafwerkzaamheden laten verrichten door twee vreemdelingen met de Roemeense nationaliteit, zonder te beschikken over een tewerkstellmgsvergunning. Ten aanzien van de feiten, de gevolgde procedure en het wettelijk kader verwijs ik naar de beslissing op bezwaar van 27 juni 2006. Ik verzoek u de inhoud van deze beslissing als herhaald en ingelast te beschouwen. In deze beslissing is het bezwaar van de heer ongegrond verklaard. In de thans bestreden uitspraak heeft de rechtbank Maastricht het beroep van de heer gegrond verklaard en mijn beschikking van 27 juni 2006 vernietigd. De rechtbank heeft mij voorts opgedragen om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in haar uitspraak is overwogen. Bestreden uitspraak De rechtbank overweegt dat niet is weersproken dat, zoals eiser heeft gesteld, sprake is geweest van twee vreemdelingen die hier te lande tijdens een bezoek aan een persoonlijke vriend een helpende hand hebben toegestoken bij het graven van een vijver en andere werkzaamheden in de tuin, zonder daarvoor een financiele beloning te hebben afgedongen. Het opleggen van een boete hiervoor van ˆ 8.000,- acht de rechtbank onevenredig hoog en schiet volgens haar het doel van de voorschriften van de Wav voorbij. Onder deze omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een een redelijke verhouding tot de ernst en verwijtbaarheid van de overtreding. Derhalve kan volgens de rechtbank niet staande worden gehouden dat verweerder in redelijkheid tot het besluit is kunnen komen. Gronden De rechtbank heeft naar mijn oordeel ten onrechte vastgesteld dat ter zitting niet is weersproken en zelfs is bevestigd dat er louter sprake is geweest van een vriendendienst. Ter zitting is slechts gezegd dat de vraag of er al dan niet sprake is geweest van een vriendendienst niet relevant is, aangezien dit de overtreding van de Wav onverlet laat. Overigens dient betwijfeld te worden of hier werkelijk sprake is geweest van een pure vriendendienst. Blijkens het rapport van verhoor van de gemeente d.d. 14 juli 2005 verklaarde de heer namelijk het volgende: "Ik betaal de mannen in principe niks. Als er al iets betaald wordt dan gebeurt dit in natura. Ze krijgen bijvoorbeeld de betonmolen en kruiwagen mee waarna ze in Roemenie een eigen bedrijfje kunnen opstarten." En tijdens het verhoor door de Arbeidsinspectie op 2 september 2005 verklaarde de heer "Zij kregen hiervoor niet betaald. Alleen zoals gezegd onderdak en eten." Dit geeft aan dat er toch een vorm van betaling voor de werkzaamheden heeft plaatsgevonden. In dit verband dient ook vermeld te worden dat niet alleen op de dag dat de ambtenaren van de sociale recherche van de gemeente de heer; bezochten, maar ook vijf dagen later, toen de ambtenaren van de Arbeidsinspectie verschenen, de vreemdelingen werkend werden aangetroffen. Dit wijst er naar mijn oordeel eveneens op dat er sprake was van meer dan alleen een vriendendienst. Maar zelfs indien sprake is geweest van een onbetaalde vriendendienst bestrijd ik het oordeel van de rechtbank dat de boete in dit geval in geen verhouding staat tot de ernst en verwijtbaarheid van de overtreding en het doel van de voorschriften van de Wav wordt voorbij geschoten. Blijkens de Memorie van Toelichting (Kamerstukken Tweede Kamer 2003-2004, 29 523, nr. 3, p. 1) zijn de in de Wav neergelegde voorschriften gegeven ter bestrijding van: 1. verdringing van legaal arbeidsaanbod in Nederland en de Europese Economische Ruimte op de arbeidsmarkt; 2. overtreding van normen op het gebied van arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden, die kan leiden tot uitbuiting van de illegaal tewerkgestelde vreemdelingen en 3. concurrentievervalsing binnen een sector, waardoor de bedrijfsvoering van bonafide werkgevers wordt geschaad. In dit geval zijn er graaf- en andere tuinwerkzaamheden verricht die een zekere economische waarde vertegenwoordigen en even goed bijvoorbeeld door een hovenier zouden kunnen worden verricht. Hierdoor is er naar mijn oordeel sprake geweest van verdringing van legaal arbeidsaanbod en concurrentievervalsing binnen de betreffende sector, zodat met de boeteoplegging wel degelijk het doel van de Wav is gediend en de boete daarom evenmin evenredig hoog is vastgesteld. « Conclusie Gelet op het voorgaande, ben ik van mening dat de uitspraak van de rechtbank onjuist is en op onjuiste gronden is gebaseerd. Ik verzoek u dan ook de uitspraak van de rechtbank te vernietigen. Verder verzoek ik u het beroep van tegen mijn beschikking op bezwaar van 27 juni 2006 alsnog ongegrond te verklaren, dan wel het beroep terug te verwijzen naar de rechtbank en te bepalen dat zij op het beroep van dient te beslissen met inachtneming van uw uitspraak. Hoogachtend, De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, namens deze, de Algemeen Directeur van de Arbeidsinspectie, (dif J.J.M. Uijlenbroek)


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon