Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 200701909/1

Uitspraak 200701909/1

ECLI
ECLI:NL:RVS:2007:BB8943
Datum uitspraak
28 november 2007
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 11 juli 2006 heeft de minister van Justitie (hierna: de minister) de aan (hierna: verstrekte leefgelden op grond van de "Beleidsregels beeindiging verstrekking leefgelden aan ex-ama's" van 19 november 2004 (hierna: de beleidsregels) beeindigd.
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Overige

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

Raad vanStatc 200701909/1. Datum uitspraak: 28 november 2007 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: wonend te appellant, tegen de uitspraak in zaak nrs. 06/4881 en 06/6168 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 19 februari 2007 in het geding tussen: appellant en de minister van Justitie. 200701909/1 2 28 november 2007 1. Procesverloop Bij besluit van 11 juli 2006 heeft de minister van Justitie (hierna: de minister) de aan (hierna: verstrekte leefgelden op grond van de "Beleidsregels beeindiging verstrekking leefgelden aan ex-ama's" van 19 november 2004 (hierna: de beleidsregels) beeindigd. Bij besluit van 4 september 2006 heeft de minister het daartegen door gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht. Bij uitspraak van 19 februari 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het daartegen door ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 maart 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. De minister heeft een verweerschrift ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 oktober 2007, waar in persoon, bijgestaan door mr. M. Woudwijk, advocaat te Amsterdam, en de minister, vertegenwoordigd door mr. S. Fernhout, werkzaam bij het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. De beleidsregels hebben betrekking op vreemdelingen, die na als alleenstaande minderjarige asielzoeker in Nederland een asielverzoek te hebben gedaan, meerderjarig zijn geworden (hierna: ex-ama's). In de beleidsregels is vermeld dat de minister in een aantal gevallen aan ex-ama's na het bereiken van de meerderjarige leeftijd via de Stichting Nidos leef- en zakgelden heeft verstrekt zonder dat hiervoor een wettelijke grondslag bestaat en dat is besloten deze uitkeringen, die worden bekostigd uit de algemene middelen, te beeindigen. Voor de wijze van beeindiging is aansluiting gezocht bij de regelingen die op dit punt gelden voor degenen die als volwassen asielzoeker Nederland zijn binnengekomen. In de beleidsregels is voorts vermeld dat van degene die in Nederland asiel heeft gevraagd, indien een onherroepelijke negatieve beslissing is genomen op de asielaanvraag, wordt verwacht dat hij zijn vertrek uit Nederland realiseert. Uitgangspunt is dat de voorzieningen eindigen. De indiening van een aanvraag om een reguliere verblijfsvergunning creeert in beginsel geen nieuw recht op voorzieningen. Dit uitgangspunt is niet anders voor de meerderjarige vreemdeling die aanvankelijk als ama een asielaanvraag heeft ingediend, onder voogdij van de Stichting Nidos heeft gestaan en uit dien hoofde leefgeld heeft ontvangen. Voor ex-ama's, die op het moment van de inwerkingtreding van de beleidsregels reeds meerderjarig zijn en verblijven in een voorziening van de Stichting Nidos of zelfstandig op kamers wonen, geldt dat de voorzieningen 200701909/1 3 28 november 2007 eindigen na het doorlopen van een procedure die wat betreft zorgvuldigheid aansluit bij de beeindiging van voorzieningen van 'gewone' asielzoekers. 2.1.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 15 november 2006 in zaak nr. 200603953/1; www.raadvanstate.nl) zal slechts in zeer bijzondere gevallen aanleiding zijn om, ondanks het bereiken van de meerderjarige leeftijd, niet over te gaan tot beeindiging van de verstrekking van leefgelden, bijvoorbeeld indien sprake is van een acute medische noodsituatie. Daaronder verstaat de minister in navolging van het Bureau Medische Advisering: "de situatie waarin betrokkene lijdt aan een stoornis, waarvan op basis van de huidige medisch-wetenschappelijke inzichten vaststaat dat het achterwege blijven van onmiddellijke behandeling in deze fase van de stoornis zal leiden tot overlijden, invaliditeit of een andere vorm van ernstige geestelijke en/of lichamelijke schade." Zoals de Afdeling evenzeer eerder heeft overwogen {uitspraak van 4 november 2004 in zaak nr. 200404297/1; JV 2005/18) is het aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden. 2.2. betoogt dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat de stelling dat op de minister een onderzoeksplicht rust, niet wordt gevolgd. Volgens hem brengt de omstandigheid dat het volgens vaste jurisprudentie aan de vreemdeling is om aannemelijk te maken dat in zijn geval sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden dat de verstrekkingen voortgezet dienen te worden, niet met zich dat geen onderzoeksplicht voor de minister kan ontstaan. Hij stelt door het overleggen van medische stukken alles te hebben gedaan wat in zijn macht ligt, zodat de bewijslast niet langer bij hem, maar bij de minister ligt. Voorts betoogt dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat de door hem bij aanvullend beroepschrift van 30 januari 2007 overgelegde brieven, van zijn huisarts van 22 september 2006 en van Dokters van de Wereld van 26 januari 2007, buiten beschouwing dienen te worden gelaten omdat deze dateren van na het besluit van 4 september 2006. Voormelde brieven dienen ter nadere onderbouwing van de reeds eerder door hem ingenomen stelling dat sprake is van bijzondere omstandigheden die tot voortzetting van de verstrekking van leefgelden nopen, aldus 2.2.1. wordt gevolgd in zijn betoog dat de omstandigheid dat het aan hem is om aannemelijk te maken dat sprake is van een medische noodsituatie, als bedoeld in 2.1.1., niet met zich brengt dat voor de minister nimmer een onderzoeksplicht kan ontstaan. De voorzieningenrechter is de minister evenwel terecht gevolgd in zijn standpunt dat de door . in de procedure overgelegde brieven van 31 januari 2003 van Spatie, 11 februari 2004 van Mentrum en van 28 juli 2004 van Stichting Centrum '45 geen grond bieden voor het oordeel dat de minister niet zonder nader onderzoek het besluit van 4 september 2006 heeft mogen nemen. De voorzieningenrechter heeft echter ten onrechte voormelde brieven van de huisarts van ~ en van Dokters van de Wereld niet bij de beoordeling van 200701909/1 4 28 november 2007 dat besluit betrokken. Nu laatstvermelde brieven zijn ingebracht ter nadere onderbouwing van de door reeds in bezwaar ingenomen stelling dat sprake is van medische klachten op grond waarvan de verstrekking van leefgelden moet worden gecontinueerd en de stukken geen grond bieden voor het oordeel dat de goede procesorde zich ertegen verzette dat deze brieven bij de beoordeling werden betrokken, heeft de voorzieningenrechter deze ten onrechte buiten beschouwing gelaten. Het betoog slaagt. 2.3. Het hoger beroep is reeds hierom gegrond. Hetgeen voor het overige is aangevoerd, behoeft geen verdere bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, overweegt de Afdeling als volgt. 2.3.1. In voormelde brief van Dokters van de Wereld wordt de vraag opgeworpen of ten aanzien van sprake is van een probleem voor zover het betreft de toegankelijkheid van de voor hem medisch noodzakelijke zorg. Uit voormelde brief van zijn huisarts blijkt dat de huisarts voor meer informatie over de gezondheidtoestand van doorverwijst naar De Waag. Ter zitting heeft verklaard dat met de overgelegde brieven is bedoeld inzichtelijk te maken welk medisch traject hij heeft doorlopen en dat hij in een moeilijke bewijspositie verkeert. Nu ook de in beroep door overgelegde brieven geen blijk geven van een medische noodsituatie in vorenbedoelde zin, bestaat geen grond voor het oordeel dat de minister de beeindiging van de verstrekkingen aan bij besluit van 4 september 2006 niet mocht handhaven. De stelling van dat, omdat hij geen toegang meer heeft tot behandeling, niet is vast te stellen of een medische noodsituatie bestaat op grond waarvan de verstrekkingen niet mochten worden beeindigd, onderkent niet dat volgens het aanvullend beroepschrift van 30 januari 2007 op dat moment werd behandeld door zijn huisarts door middel van medicijnen en een wekelijks gesprek, zodat indien een medische noodsituatie, als bedoeld in 2.1.1., zou bestaan, de behandelend huisarts hiervan melding zou hebben kunnen maken. 2.4. De Afdeling verklaart het inleidende beroep van alsnog ongegrond. 2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 200701909/1 5 28 november 2007 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 19 februari 2007 in zaak nr. 06/6168; II). verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond; IV. gelast dat Staat der Nederlanden aan het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van ˆ 214,00 {zegge: tweehonderdveertien euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, Voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, ambtenaar van Staat. w.g. Parkins-de Vin w.g. Beerse Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 28 november 2007 382-510. Verzonden: 28 november 2007 Voor eensluidend afschrift, de Secretaris van de Raad van State, voor deze, mr. H.H.C. Visser, directeur Bestuursrechtspraak 1 NOV 2006 18-31 ROSS, SPAPENS&WOUDWIJK* ADVOCATEN NR. 1287 P. ROSS, SPAPENS&WOUDWIJ m- COA yfi Centraal Orgaan opvang asielzoekers Beschikking op bezwaar beeindiging leefgelden AAN: Stichting Rechtsbijstand Asiel, legal aid ta.v. mw. mr M. Woudwijk Postbus 927 2003 RX Haarlem BETREFT; De heei geboren nationaliteit: Afghaanse IND-nummen 020630.8000 Rijswijk, 4 september 2006 Geachte mevrouw Woudwijk, U heeft op 21 augustus 2006 namens de heer (hierna: betrokkene) een bezwaarschrift ingediend tegen het besluit van de Minister van Justitie, Ad. 11 juli 2006, waarbij de verstrekking van leefgelden aan betrokkene is beeindigd. Het Bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna: COA) heeft dit besluit namens de Minister van Justitie genomen. Juridisch kader Betrokkene heeft als alleenstaande minderjarige asielzoeker (hierna: erna) in Nederland een asielverzoek gedaan. Hierdoor is betrokkene onder de voogdij gekomen van Stichting NIDOS en z(jn aan betrokkene leefgelden verstrekt Bij het bereiken van de 18-jarige leeftijd is betrokkene meerderjarig geworden en is van rechtswege de voogdij van Stichting NIDOS geeindigd Hiermee is tevens de wettelijke basis voor de verstrekking van leefgelden vervallen. De leefgelden die betrokkene ontving zijn, ook al bestond hier geen wettelijke basis meer voor nu betrokkene de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, aan betrokkene doorbetaald. Aan bet bestuur van het COA is mandaat verleend tot het nemen van besluiten ter uitvoering van de Beleidsregels beeindiging verstrekking leefgelden aan ex-ama's namens de minister (voor zowel het mandaat als de Beleidsregels geldt: besluit van de Minister van Justitie van 19 november 2004, StcrL 14 januari 2005, nr. 10, p. 9). De Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: IND) heeft mij medegedeeld dat betrokkene in het kader van zijn eerste asielaanvraag is uitgeprocedeerd. De eerste IND-beschildong in-de eerste asielprocedure dateert van ne 1 januari 2000. Ter beeindiging van de verstrekking van de leefgelden dient een beschikking beeindiging leefgelden aan betrokkene te worden overhandigd nadat hij conform artikel 4:8 Awb in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze daarover naar voren te brengen (Sten. 14 januari 2005, nr. 10, p, 9). Ook is gebleken dat betrokkene de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt Voorafgaand aan het nemen van het door u bestreden besluit heeft het COA betrokkene in de gelegenheid gesteld een zienswijze naar voren te brengen over het voornemen van het COA om de verstrekking van leergelden aan betrokkene te beeindigen. Het zogenoemde zienswijzegesprek heeft op 15 juni 2006 plaatsgevonden, m het met bettokkece' gevoerde zienswijzegesprek zijn geen argumenten of gegevens aangevoerd welke voor het 'COA.. aanleiding waren om niet tot beeindiging van de verstrekking van deJeefgelden over te gaan. ' - " ' i. 7 NOV 2006 18-31 ROSS, SPAPENS&WOUDWIJk* ADVOCATEN NR. 1287 P. 5 " ROSS. SPAPENS&WOUOWIJ *§?-^9 COA yfl Centraal Orgaan opvang asielzoekers Beoordeling van de gronden van bezwaar Op grond van artikel 7:2, eerste lid, Awb, dient een bestuursorgaan, voordat op bezwaar wordt beslist, belanghebbenden in de gelegenheid te stellen te worden gehoord. Van dit horen kan op grond van artikel 7:3 van deze wet worden afgezien. De gronden die u naar voren brengt in uw bezwaarschrift leiden niet tot een ander oordeel dan weergegeven in de door u bestreden beschikking. Het COA meent dat de beleidsregels zoals die zijn opgesteld door de Minister van Justitie weinig tot geen ruimte laten om hiervan af te wijken. Li deze beleidsregels is de grondslag om tot beeindiging van de verstrekking van leefgelden over te gaan strikt opgenomen. Het feit dat betrokkene meerderjarig is, is de grondslag van de beeindiging van de verstrekking van de leefgelden. In de beleidsregels zijn geen omstandigheden opgenomen wanneer, ondanks de meerderjarigheid van $ betrokkene, niet tot beeindiging van de verstrekking van leefgelden mag worden overgegaan. De belangenafweging is derhalve voor bet merendeel reeds gemaakt bij het opstellen van de beleidsregels. Ia bezwaar wordt een motiveringsgebrek van de bestreden beslissing gesteld, nu er onvoldoende zou zijn gemotiveerd waarom het COA naar aanleiding van de medische situatie van betrokkene geen reden ziet tot continuering van de verstrekking van de leefgelden. Het COA merkt met betrekking tot de medische problematiek als volgt op. Indien het COA in het kader van de beeindiging van de verstrekking van leefgelden wordt geconfronteerd niet een medische klacht, betekent die klacht niet,, prima vista, dat het COA de leefgelden om die reden niet (meer) mag beeindigen. Er bestaat slechts aanleiding om (vooralsnog) geen uitvoering te geven aan de in de beleidsregels gegeven opdracht tot beeindiging van de leefgelden indien sprake is van een zodanige acute medische noodsituatie, dat het zorgvuldigheidsbeginsel het COA gebiedt om de leefgelden (vooralsnog) niet te beeindigen., De stelplicht en de bewijslast liggen hier volledig bij de vreemdeling; hij zal aannemelijk dienen te maken dat sprake is van dergelijke bijzondere omstandigheden dat het COA niet tot het beeindigen van de voorzieningen over mag gaan. Dit dient gedaan te worden aan de hand van concrete en recente. medische documentatie. In de overgelegde documenten wordt een acute medische noodsituatie echter gesteld noch bewezen.' Voor het COA is niet aannemeujk geworden dat er in casu sprake is van een dergelijke situatie!.''.- T' Wellicht ten overvloede wordt opgemerkt dat beeindiging van de verstrekkfaig van leefgelden aan betrokkene niet zonder meer met zich brengt, dat betrokkene geen toegang meer heeft tot (noodzakelijke) medische behandeling. Gewezen wordt op artikel 10 lid 2 Vw 2000. Ook overigens blijkt uit de in de zienswijze en bezwaar aangevoerde gronden niet dat er sprake is van omstandigheden op basis waarvan het COA geen uitvoering had mogen geven aan de in 'de beleidsregels gegeven opdracht tot beeindiging van de leefgelden. Nu gezien de inhoud van het bezwaarschrift duidelijk is dat uw bezwaar ongegrond verklaard dient te worden, bent u op grond van artikel 7:3, onder b, Awb niet in de.gelegeimeid^esteld.uw.bezwaar^ mondeling toe te lichten. " "*" " ••-\ Ik ben van oordeel dat uw bezwaar kennelijk ongegrond is, omdat uit het bezwaarschrift zelf reeds aanstonds blijkt dat uw bezwaar ongegrond verklaart dient te worden en er redelijkerwijs geen rwyfej mogelyk is over die conclusie. NTVAN6ST TIJD*» A NUV.W: j|M""""""AFDRUK TIJD"TNOV;«ItiW /BUV./UUOU:il KuSS.SKArtl.SiWuUUWU.rmutAltll «K.12D/ K. '' «1 ROSS, SPAPENS&WOUDWIJ COA \^ Centraal Orgaan opvang asielzoekers Beslissing Het COA verklaart uw bezwaar ongegrond. L U kunt tegen deze beslissing binnen 6" weken na de dag van bekendmaking in beroep gfl*" bij de | rechtbank. Het beroepschrift dient u te richten aas de rechtbank, sector bestuursrecht, binnen het \ rechtsgebied van mv woonplaats. De rechtsgevolgen van dit besluit worden niet opgeschort door de indiening van een beroepschrift. Namens de Minister van Jujtitie, Het Bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, namens deze, deheerJF^an.' directpa-pflu^ Directie Beleid en Juridische Zaken Correspondentie over deze beschikking verzoek ik u te richten aan: Centraal Orgaan opvang asielzoekers t.fl.v. plcxa/ADK Postbus 3002 2280 ME RIJSWIJK s I6.WA.20C7 12:19 ROSS, SPAP:NS&WOUDW!JK ADVOCATEN NR. 3593 P. 3/9 Rechtbank Amsterdam Sector Bestuursrecht Algemeen 'e' voorlopige voorzieningen UITSPRAAK ALS BEDOELD IN ARTIKEL 8:84 jffi ARTIKEL 8:86 VAN DE ALGEMENE WET BESTUURSRECHT in het geding met reg.nrs. AWB 06/4881 VRWET en AWB 06/6168 VRWET van: geboren van Afghaanse nationaliteit, verzoeker, gemachtigde: mr. M. van Woudwijk, advocaat te Amsterdam, tegen: het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, gevestigd te Rijswijk, verweerder, gemachtigde: mr. A. Dekker. 1. PROCESVERLOOP 1.1 Bij besluit van 11 juli 2006 heeft verweerder de verstrekking van leefgeld aan verzoeker beeindied. Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 21 augustus 2006 bezwaar gemaakt. Bij brief van 21 augustus 2006 is tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de leefgelden te continueren totdat op het bezwaarschrift is beslist. 1.2 Bij besluit van 4 september 2006 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard Tegen dit besluit heeft verzoeker op 12 oktober 2006 beroep ingesteld. Daarbij is tevens verzocht om de voorlopige voorziening hangende bezwaar te beschouwen als een verzoek om een voorlopige voorziening hangende beroep. Bij brief van 7 november 2006 zijn de gronden van het beroep en de voorlopige voorziening ingediend. 1.3 Op 25 januari 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. 1.4 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 2 februari 2007. Verzoeker is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig A.J. Omarkkel als tolk Pasthu. U.MAUOO? 12:20 RCSS.S'APENS&WOJDWU ADVOCATEN NR. 3553 P- 4/9 reg.nrs. AWB 06/4881 VRWET en AWB 06/6168 VRWET 1.5 De voorzieningenrechter heeft het onderzoek ter zitting gesloten. 2. OVERWEGINGEN 2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Awb dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang. Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en is dit niet bindend voor de beslissing in de bodemprocedure. 2.2 Ingevolge artikel 8;86 van de Awb is de voorzieningenrechter bevoegd onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, indien het verzoek om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de rechter van oordeel is dat na de zitting bedoeld in artikel 8:S3, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. 2.3 De voorzieningenrechter is van oordeel dat de feiten en omstandigheden in de hoofdzaak geen nader onderzoek vergen. Nu partijen in de uitnodiging voor de zifting zijn gewezen op de mogelijkheid dat gebruik kan worden gemaakt van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 8:86 van de Awb, bestaat er geen beletsel voor toepassing van dat artikel. 2.4 De voorzieningenrechter betrekt bij de beoordeling de volgende feiten. Op 30 juni 2002 heeft verzoeker een asielaanvraag ingediend. Bij beschikking van 7 januari 2003 is voornoemde aanvraag van verzoeker afgewezen en is aan verzoeker een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vc 2000). Bij uitspraak van de Vreemdelingenkamer van 12 november 2004 is het beroep van verzoeker gericht tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag ongegrond verklaard, als gevolg waarvan het besluit van verweerder tot afwijzing van de asielaanvraag van verzoeker in rechte onaantastbaar is geworden. Op 1 februan 2004 is verzoeker achttien jaar geworden. Voorts heeft verzoeker op 8 juni 2006 een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking "medische behandeling" bij de Immigratie- en Naturalisatie Dienst ingediend. Deze aanvraag is bij beschikking van 24 januari 2007 afgewezen. 2.5 Bij besluit van 4 september 2006 heeft verweerder het bezwaar van verzoeker tegen het besluit om de verstrekking van leefgelden te beeindigen kennelijk ongegrond verklaard. Verweerder heeft hiertoe - zakelijk weergegeven - het volgende overwogen. De beleidsregels zoals die zijn opgesteld door de Ministervan Justitie laten weinig tot geen ruimte om hiervan af te wijken. In de beleidsregels zijn geen omstandigheden opgenomen wanneer, ondanks de meerderjarigheid van verzoeker, niet tot beeindiging van de verstrekking van leefgelden mag worden overgegaan. De belangenafweging is derhalve voor het merendeel reeds gemaakt bij het opstellen van de beleidsregels. Slechts indien er sprake is van een zodanig acute medische noodsituatie dat het zorgvuldigheidsbeginsel verweerder gebiedt om de leefgelden (vooralsnog) niet te beeindigen, bestaat er aanleiding om geen uitvoering te geven aan de in de beleidsregels gegeven opdracht. Het is aan verzoeker om aan te tonen dat er sprake is van zo een acute medische noodsituatie. In de door verzoeker overgelegde documenten wordt een acute noodsituatie echter gesteld noch bewezen. 36* P.04 16-03-2007 12:19 iE.MAA.2G07 12:20 RCSS. S»APE«S4WJDWIJK ADVOCATEN H 3553 P. i/9 reg.nrs. AWB 06/4881 VRWET en AVVB 06/6168 VRWET Uit de overige aangevoerde gronden blijkt evenmin dat er sprake is van omstandigheden op basis waarvan verweerder geen uitvoering had mogen geven aan de in de beleidsregels gegeven opdracht tot beeindiging van de leefgelden. 2.6 Verzoeker heeft in beroep - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd Verzoeker heeft reeds op 13 april 2006 een beroep gedaan op toepassing van artikel 64 van de Vw 2000. Tevens heeft verzoeker een aanvraag medisch gedaan op 12 april 2006. Bij deze aanvragen heeft hij medische informatie overgelegd, Naar aanleiding van vorenstaande had medisch onderzoek dienen plaats te vinden om vast te kunnen stellen of er sprake is van een zodanige medische noodsituatie dat het zorgvuldigheidsbeginsel gebiedt om de leefgelden van verzoeker niet te beeindigen. Verweerder heeft nu echter zonder nader onderzoek besloten om de leefgelden van verzoeker te beeindigen, hetgeen verzoeker in strijd acht met de zorgvuldigheid en bet motiveringsbeginsel. 2.7 Bij brief van 30 januari 20O7 heeft verzoeker zijn beroep nader onderbouwd met medische stukken waaruit onder meer blijkt dat verzoeker thans medicatie krijgt voorgeschreven van zijn huisarts en dat hij is geweigerd voor een medische behandeling bij "De Waag" te Haarlem omdat hij onverzekerd is. Voorts heeft verzoeker in voornoemde brief aangevoerd dat verweerder gezien de medische klachten van verzoeker gehouden was om alvorens het bezwaar van verzoeker ongegrond te verklaren advies te vragen aan het Bureau Medische Advisering (BMA). Nu verzoeker met medische stukken heeft onderbouwd dat hij ernstige medische klachten heeft is het de verantwoordelijkheid van verweerder om hiernaar nader onderzoek te verrichten. Bij brief van 31 januari 2007 heeft verzoeker aangevoerd dat hij de stelling van verweerder dat voor verzoeker op grond van artikel 10, tweede lid, juncto artikel 11 van de Vw 2000 een wettelijk recht op noodzakelijke medische behandeling bestaat niet kan volgen. Deze stelling zou immers inhouden dat elke betekenis aan de mogelijkheid van opvang in het kader van een medische noodsituatie zou worden ontnomen. 2.8 In het verweerschrift heeft verweerder gesteld dat het aan verzoeker is om aannemelijk te maken dat er in zijn geval sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden dat verweerder niet tot het beeindigen van de verstrekking van leefgelden mag overgaan. De stelplicht en de bewijslast hiertoe liggen volledig bij verzoeker. Uit de overgelegde documenten van verzoeker is niet gebleken dat er sprake is van een acute medische noodsituatie. Bij brieven van 31 januari 2007 en 1 februari 2007 heeft verweerder zijn verweerschrift aangevuld. In voornoemde brieven heeft verweerder aangevoerd dat de overgelegde medische stukken van verzoeker uit 2003 en 2004 niet voldoende recent zijn om een acute medische noodsituatie aannemelijk te kunnen maken en dat de overige overgelegde stukken dateren van een tijdstip welke is gelegen na de datum van het bestreden besluit, als gevolg waarvan deze stukken niet meegenomen dienen te worden. Voorts heeft verweerder gesteld dat de stelling van verzoeker dat aan hem medische behandeling wordt onthouden omdat hij onverzekerd is buiten het geding valt. Verzoeker dient hiertoe een ander rechtsmiddel aan te wenden. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. 2.9 Bij besluit van de Ministerie van Justitie van 19 november 2004 (Staatscourant 14 januari 2005, nr. 10, p. 9) is aan het bestuur van het COA mandaat verleend tot het nemen van besluiten namens de Minister inzake de beeindiging van de verstrekking van leefgelden aan ex-alleenstaande minderjarige asielzoekers (ama). 2.10 Uit de "Beleidsregels beeindiging verstrekking leefgelden aan ex-ama's" (kenmerk 53I8904/04/DJJ) volgt dat de verstrekking leefgelden van ex-ama's die voor 21 augustus 2005 achttien jaar zijn geworden per beeindigingbeschikking wordt beeindigd. De Minister dient in een dergelijk 96* P.05 lfi-fl.T-200? 12: 19 16.MAA.200/ 12:20 RCSU'APENSiWOJDWU ADVOCATEN Nv 3593 F. 6/9 ( reg.nrs. AWB 06/4881 VRWETen AWB 06/6168 VRWET geval een kennisgevingbrief aan verzoeker te sturen waarin de beeindiging van de verstrekking van de leefgelden wordt aangekondigd en de Minister dient de benodigde dossiergegevens aan het COA aan te leveren. Indien de eerste asielbeschikking dateert van na 1 januari 2000, dient verweerder een beschikking te geven nadat conform artikel 4:8 Awb de ex-ama in de gelegenheid is gesteld zijn • zienswijze daarover naar voren te brengen. 2.11 Gelet op voornoemde standpunten van partijen en gelet op hetgeen hieromtrent door partijen ter zitting is aangevoerd is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er in het onderhavige geval geen sprake is van een acute medische noodsituatie als gevolg waarvan de verstrekking van leefgelden aan verzoeker gecontinueerd dient te worden. De stelling van verzoeker dat nu hij alles heeft gedaan wat in zjjn mogelijkheden lag om zijn medische noodsituatie aannemelijk te maken, op verweerder een onderzoeksplicht rustte waaraan verweerder niet heeft voldaan, volgt de voorzieningenrechter niet. De voorzieningenrechter overweegt hiertoe dat uit de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat het aan de vreemdeling is om aannemelijk te maken dat er in zijn geval sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden dat het COA de verstrekkingen dient voort te zetten. De door verzoeker bij brief van 30 januari 2007 overgelegde medische stukken van Spatie, Mentrum en Stichting Centrum '45 waaruit volgt dat hij ernstige medische klachten heeft dateren van respectievelijk 31 januari 2003, 11 februari 2004 en 28 juli 2004. De voorzieningenrechter is met verweerder van oordeel dat verzoeker hiermee niet heeft aangetoond dat hij thans in een acute medische noodsituatie verkeert. De brief yan de huisarts van verzoeker en de brief van Dokters van de Wereld dateren van een tijdstip welke is gelegen na de datum van het bestreden besluit als gevolg waarvan deze stukken buiten beschouwing dienen te worden gelaten. 2.12 Voorts is de voorzieningenrechter van oordeel dat het beroep van verzoeker op artikel 10, tweede lid, juncto artikel 11 van de Vw 2000 buiten de grenzen van het onderhavige geding valt. Indien verzoeker van mening is dat aan hem de noodzakelijke medische behandeling wordt onthouden dan staan daartoe voor verzoeker afzonderlijke rechtsmiddelen open. 2.13 De voorzieningenrechter zal het beroep ongegrond verklaren. 2.14 Nu in de hoofdzaak wordt beslist, zal de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen. 2.15 Er is geen grond een van de partijen te veroordelen in de door de andere partij gemaakte proceskosten. 96X P.06 16-03-2007 12=20 E.MAA. 2OG7 12:20 RCSS. SWENS&WOJDWUK ADVOCATEN fR 3593 P. 7/9 reg.nrs. AWB 06/4881 VRWET en AWB 06/6168 VRWET 3. BESLISSING De voorzieningenrechter: 3.1 verklaart het beroep ongegrond; 3.2 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Gewezen door mr. G.S. Crince Ie Roy, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.L. van Leer, griffier, en openbaar gemaakt op; -j Q rrrj *nn» \ A ; ^ afschrift verzonden op: -j ^ jT^Ti4 w.7 Coll:-. -V .OOR KOPIE CCKIFCDWOS GRJPRER DER AflaONDlS3LMEt^S?^C!-rroANK TE AMSTERDAM Rechtsmiddel Partijen kunnen tegen deze uitspraak, voor zover deze de hoofdzaak betreft, hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, postbus 16113, 2500 BC, 's-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak. Van deze uitspraak staat, voor zover deze de voorlopige voorziening betreft, geen hoger beroep open. i c-a-t--x\a'? \?-.rc\ 96X P.07 ifl.MAA.2007 12:19 RC$S.S?APENSM03DWI„'K ADVOCATEN NR. 3593 P. 1/9 fy Ross Spapens Woudwijk Advocaten Raad van State W.C. Plein 310 Postbus 16113 1054 SC Amsterdam 2500 BC 'S-GRAVENHACE T +31(0)2041217 32 FAX070-3651380 F +31(0)2041217 95 www.rswadvocaten.nl vrtf i Amsterdam. 16 maa irt 2007 d 9 MRJ 2007 ZAAKNR. Betreft / Raad van State Ons kenmerk )0601982/WW/ww Uw kenmerk ND nr. 0206.30.8000/ Vnr. Proc.nr. )6/48S1 en 06/6168 Geeft eerbiedig te dnnen, Appellant kiest te dezer 2ake woonplaats te Amsterdam. WC plein 310. 1054 SC, ten kantore van Ross, Spapens & Woudwijk advocaten. Mr M. Woudwijk verklaart hierbij, met recht van vervanging, bepaaldelijk gevolmachtigd te zijn tot het indienen van het onderhavige hoger beroepschrift. Appellant stelt hoger beroep in tegen de uitspraak van de President van de Arrondissementsrechtbank 's- Cravenhage, zittinghoudende te Amsterdam, sector bestuursrecht algemeen. Reg.nrs 06/4881 en 06/6166 , d.d. 19-2-2007, verzonden op 19-2-2007. Een kopie van het afschrift van deze uitspraak treft u hierbij aan als productie 1. Grief I Appellant kan 2ich niet verenigen met de overweging 2.11 van de uitspraak- Gronden waarop appellant zich met voorgaande n/er kan veren/gen: - Er wordt overwogen dat door de rechtbank niet wordt gevolgd dat er op verweerder een onderzoeksplicht rustte. Daarbij wordt verwezen naar vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waaruit volgt dat het aan de vreemdeling is om zijn medische noodsituatie aannemelijk te maken. Appellant meent echter dat de stelling dat het aan de vreemdeling is om aannemelijk te maken dat er in zijn geval sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden dat het COA de verstrekkingen dient voort te zetten, niet betekent dat er geen onderzoeksplicht kan ontstaan voor verweerder. In het onderhavige geval heeft appellant al hetgeen gedaan wat in zijn macht lag. Hij heeft alle medische stukken overgelegd waaruit zun medische situatie blijkt. Ook heeft hij aangetoond dat de Waag, waarnaar hij verwezen was door de huisarts vanwege de ernstig van de situatie, hem niet wil behandelen vanwege het feit dat hij onverzekerd Is op dit moment. Er Is in casu dan ook een situatie ontstaan waarbij de ABN-Amro rekeningnummer 5042439B5 | Stichting Oerdengelden RSW Advocaten rekeningnummer 504240749 Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voorzover onze beroepsaansprakelijkheidsvereekering geen dekking zou bieden. 1ft-07-JttiV? 1 7: 1 q 96* p.Qi 16. MAA. 2007 12:19 ROSS, SPAPENSWJ3WIJK ADVOCATEN NR. 3593 P. 2/9 verantwoordelijkheid niet meer bij appellant ligt maar bij verweerder. Verweerder had dan ook wel degelijk een onderzoeksplicht gezien de medische stukken waaruit blijk dat er sprake was van een ernstige medische situatie. - Met de overweging dat de stukken van de huisarts en de Dokters van de Wereld niet meer meegenomen kunnen worden, kan appellant zich tevens niet verenigen. Het zijn immers stukken ter nadere onderbouwing van zijn eerder ingenomen standpunt. Deze stukken hadden dan ook wel degelijk meegenomen dienen te worden. Grief II Appellant kan zich niet verenigen met de overweging 2.12 van de uitspraak. Gronden waarop appellant zich met voorgaande niet kan verenigen; Het feit dat hem de noodzakelijke medische zorg wordt onthouden is wel degelijk relevant voor dit geding. Het feit dat hij niet verzekerd Is het gevolg van het stopzetten van de leefgelden. Hij zou als hij nog leefgelden zou krijgen gewoon nog verzekerd zijn en een beroep op de noodzakelijke medische hulp kunnen doen. Omdat hij nu geen toegang heeft tot de voor hem noodzakelijke medische zorg dient door de COA te worden beoordeeld of daardoor geen medische noodsituatie ontstaat. De COA kan naar de mening van appellant niet simpelweg stellen dat hij zich tot de artsen moet richten voor de medische zorg. Appellant heeft alles gedaan wat van hem kon worden venvacht. Gezien deze situatie dient de COA te onderzoeken wat de gevolgen zijn van het stopzetten van de leefgelden. Grief III Appellant kan zich niet verenigen met de overweging 2.13 van de uitspraak. Gronden waarop appellant zich met voorgaande niet kan verenigen: Cezien hei voorgaande kan appellant zich er niet mee verenigen dat het beroep ongegrond wordt verklaard. De grieven dienen in onderlinge samenhang te worden behandeld. Petitum Op grond van vorenstaande verzoekt appellant u het hoger beroep gegrond te verklaren, de bestreden uitspraak te vernietigen en de Minister te veroordelen in de proceskosten. n C-ni-iaDT? 1 0: 1 Q 96X P.62


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon