Uitspraak 200702380/1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2007:BB8941
- Datum uitspraak
- 28 november 2007
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 23 maart 2006 heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de staatssecretaris) aan (hierna: een boete van ˆ 8.
- Hoger beroep
- Wet arbeid vreemdelingen
Toon inhoud
Datum uitspraak: 28 november 2007 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: wonend te appellant, tegen de uitspraak in zaak nr. 06/1913 van de rechtbank Roermond van 23 februari 2007 in het geding tussen: Hoelsgens en de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. 200702380/1 2 28 november 2007 1. Procesverloop Bij besluit van 23 maart 2006 heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de staatssecretaris) aan (hierna: een boete van ˆ 8.000 opgelegd wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav). Bij besluit van 26 oktober 2006 heeft de staatssecretaris het daartegen door gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht. Bij uitspraak van 23 februari 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Roermond {hierna: de rechtbank) het daartegen door ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 april 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de minister) heeft een verweerschrift ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 oktober 2007, waar Hoelsgens in persoon, bijgestaan door zijn echtgenote, en de minister, vertegenwoordigd door mr. F.P.A. Fikken, werkzaam bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 2ffi, van de Wav wordt als werkgever aangemerkt de natuurlijke persoon die een ander huishoudelijke of persoonlijke diensten laat verrichten. Ingevolge artikel 2, eerste lid, is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning. Ingevolge artikel 18, voor zover thans van belang, wordt het niet naleven van artikel 2, eerste lid, als beboetbaar feit aangemerkt. Ingevolge artikel 19a, eerste lid, legt een daartoe door de minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar namens hem de boete op aan degene op wie de verplichtingen rusten, welke voortvloeien uit deze wet, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als een beboetbaar feit. Ingevolge artikel 19d, eerste lid, aanhef en onder a, is de hoogte van de boete, die voor een beboetbaar feit kan worden opgelegd, indien begaan door een natuurlijk persoon, gelijk aan de geldsom van ten hoogste ˆ 11.250. Ingevolge het derde lid stelt de minister beleidsregels vast waarin de boetebedragen voor de beboetbare feiten worden vastgesteld. Volgens beleidsregel 1 van de Beleidsregels boeteoplegging Wav, r 200702380/1 3 28 november 2007 zoals die ten tijde van belang luidden (hierna: de beleidsregels), wordt bij de berekening van een boete, als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, voor alle beboetbare feiten als uitgangspunt gehanteerd de normbedragen die zijn neergelegd in de 'Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Wav' (hierna: de Tarieflijst), die als bijlage bij de beleidsregels is gevoegd. Volgens beleidsregel 2 wordt voor de werkgever als natuurlijk persoon bij een gedraging in strijd met artikel 2, eerste lid, als uitgangspunt voor de berekening van de op te leggen boete 0,5 maal het boetenormbedrag gehanteerd. Volgens beleidsregel 4 bestaat de totale bij een boetebeschikking op te leggen boete, ingeval er sprake is van meer beboetbare feiten, uit de som van de per beboetbaar feit berekende boetebedragen. Volgens de Tarieflijst is het boetenormbedrag voor overtreding van artikel 2, eerste lid, op ˆ 8.000 per persoon per beboetbaar feit gesteld. 2.2. Vaststaat dat _ in strijd met artikel 2, eerste lid, van de Wav heeft gehandeld door twee personen van Tsjechische nationaliteit arbeid te laten verrichten, terwijl hiervoor geen tewerkstellingsvergunningen waren afgegeven. 2.3. betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de aan hem opgelegde boete gematigd had moeten worden. Daartoe voert hij aan dat, samengevat weergegeven, hij zich er niet van bewust was dat hij de geconstateerde overtreding beging en dat hij nooit eerder met justitie in aanraking is geweest. Voorts heeft Hoelsgens gewezen op zijn financiele situatie en zijn slechte gezondheid. 2.3.1. In de uitspraak van de Afdeling van 11 juli 2007 in zaak nr. 200700456/1 (www.raadvanstate.nl) is overwogen dat een zeer beperkte mate van verwijtbaarheid aanleiding kan geven de boete te matigen. 2.3.2. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de omstandigheid dat er niet van op de hoogte was dat hij volgens de wet een beboetbaar feit beging door personen van Tsjechische nationaliteit arbeid te laten verrichten zonder de benodigde tewerkstellingsvergunning, voor zijn risico komt. Bij gebreke van kennis op dit punt, had het op zijn weg gelegen om zich daaromtrent vooraf te informeren. Van een situatie van een zeer beperkte mate van verwijtbaarheid is dan ook geen sprake. Voorts noopt hetgeen omtrent zijn financiele positie heeft aangevoerd in dit geval niet tot matiging van de boete, omdat Hoelsgens niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij door de opgelegde boete onevenredig wordt getroffen. Hierbij wordt mede in aanmerking genomen dat in de fase van de invordering van de boete met een betalingsregeling is getroffen. Het betoog faalt. 2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 200702380/1 4 28 november 2007 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, Voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, Leden, in tegenwoordigheid van mr. H.W. Groeneweg, ambtenaar van Staat. w.g. Parkins-de Vin w.g. Groeneweg Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 28 november 2007 32-487. Verzonden: 28 november 2007 Voor eensluidend afschrift, de Secretaris van de Raad van State, voor deze. mr. H.H.C. Visser, directeur Bestuursrechtspraak « Ministerie van Sociale Zaken tf,n Jlpo'^UDfn ter o'dffio en Werkgelegenheid Van ?e Rechtbank Rosrmond sector Bestuursrecht szr c,-d- - s mi tm Postbus 11563 2502 AN Oen Haag W.G.M. Hoelsgens Telefoon (070) 333 44 44 Bredeweg 370 Talefax (070) 333 51 16 www.arbeidsinspectie.szw.nl 6043 GJ Roermond Uw brief Ons kenmerk Doorklesnummer 18 april 2006 AI/JZ/2006/35008/BOB (070)333 5190 Onderwerp Datum Contactpersoon Beslissing op bezwaar dhr. mr. Contant 2 6 OKT. 2008 Geachte heer Middels uw brief van 18 april 2006 heeft u bezwaar aangetekend tegen de beschikking van 23 maart 2006 met kenmerk 070503764/04 waarbij u een bestuurlijke boete is opgelegd van ˆ 8.000,00. A. De feiten Op 5 september 2005 is de locatie ~" te bezocht door inspecteurs van de Arbeidsinspectie in verband met een controle in het kader van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: Wav). Tijdens deze controle werden twee personen aangetroffen die arbeid verrichtten bestaande uit opruimwerkzaamheden. Deze twee personen, de heer en de heer beiden met de Tsjechische nationaliteit, bleken illegaal tewerkgesteld en vreemdeling te zijn in de zin van artikel 1 onder c van de Wav, zodat u voor ieder van hen in het bezit diende te zijn van een tewerkstellingsvergunning. U beschikte echter niet over deze vergunningen. De inspecteurs constateerden derhalve twee overtredingen van artikel 2, eerste lid Wav. Met de kennisgeving van 9 januari 2006 bent u op de hoogte gesteld van het voornemen een bestuurlijke boete op te leggen. U heeft op 11 januari 2006 gebruik gemaakt van de mogelijkheid om tegen dit voornemen uw zienswijze kenbaar te maken. Vervolgens is u een bestuurlijke boete opgelegd waartegen u tijdig bezwaar heeft ingediend. B. Het bezwaarschrift In het bezwaarschrift heeft u het volgende aangevoerd: U was zich er niet bewust van dat u de Wav overtrad. U verzoekt de boete te matigen vanwege uw financiele situatie. • C. Wettelijk kader Artikel 2, eerste lid Wav bepaalt dat het een werkgever verboden is een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning. Artikel 1, eerste lid aanhef en sub b onder 2ffi Wav bepaalt dat een werkgever is degene die een ander huishoudelijke of persoonlijke diensten laat verrichten. Lid 1 aanhef en sub c van dit artikel bepaalt dat onder een vreemdeling wordt verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in de Vw 2000. In artikel 1, onder m Vw 2000 is bepaald dat onder vreemdeling wordt verstaan ieder die de Nederlandse nationaliteit niet bezit en niet op grond van een wettelijke bepaling als Nederlander moet worden behandeld. In artikel 18 Wav is overtreding van artikel 2, eerste lid Wav als beboetbaar feit aangemerkt. D. Het horen Gelet op artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bent u in de gelegenheid gesteld het bezwaarschrift toe te lichten tijdens een hoorzitting. Op 26 september 2006 vond een hoorzitting plaats. Het verslag van deze hoorzitting is als bijlage bij deze beschikking gevoegd en wordt geacht hiervan deel uit te maken. E. Overwegingen Vast staat dat de twee aangetroffen personen op de bovengenoemde locatie voor ˆ 5,00 per uur arbeid hebben verricht bestaande uit opruim werkzaamheden. Daarnaast staat vast dat het hier vreemdelingen betreft en dat voor hen geen tewerkstellingsvergunningen waren verstrekt. Dit wordt niet door u betwist. U geeft toe dat u er niet alles aan gedaan heeft om de overtreding te voorkomen. U heeft aangegeven dat u de overtredingen niet bewust heeft begaan en dat u het vreemd vindt dat u wordt aangemerkt als werkgever. De Wav is van toepassing op een ieder die op grond van de Wav als werkgever kan worden aangemerkt en in Nederland een vreemdeling arbeid laat verrichten. De Wav kent een ruim werkgeversbegrip. U wordt als werkgever aangemerkt omdat u een ander in Nederland huishoudelijke of persoonlijke diensten heeft laten verrichten Voldoende is dat u een ander in de gelegenheid heeft gesteld arbeid te verrichten.' De relatie tussen u en degene die de arbeid daadwerkelijk verricht doet niet af aan de arbeid zelf De hoogte van de boete is gebaseerd op mijn Beleidsregels boeteoplegging Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Beleidsregels). Op grond van Beleidsregel 1 en de daarbij behorende Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Wav bedraagt de boete ˆ 8.000,00 per overtreding van artikel 2, eerste lid Wav. Op grond van Beleidsregel 2 wordt de boete voor een natuurlijk persoon als werkgever met 0,5 vermenigvuldigd. De in dit geval opgelegde boete is met de Beleidsregels in overeenstemming, aangezien u wordt aangemerkt als natuurlijk persoon. Aan het besluit waarbij de Beleidsregels, waarin de hoogte van de normbedragen is vastgesteld, in het leven zijn geroepen, is een belangenafweging voorafgegaan die voldoet aan de eisen van onder meer de artikelen 3:2 en 3:4 van de Awb. De normbedragen moeten worden geacht evenredig te zijn. szr Voor het vaststellen van de hoogte van een in een concreet geval op te leggen boete dien ik in beginsel te handelen overeenkomstig de Beleidsregels. Op dit uitgangspunt wordt op grond van artikel 4:84 Awb slechts uitzondering gemaakt, indien onverkorte toepassing daarvan gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de Beleidsregels te dienen doelen. U heeft in het bezwaarschrift verzocht om de boete te verlagen in verband met uw financiele situatie. Ik stel in dat verband vast dat van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 Awb, op grond waarvan de toepassing van de boetenormbedragen voor u tot onevenredige gevolgen zou leiden, niet is gebleken. Het is naar mijn oordeel niet vast komen te staan dat de opgelegde boete niet voldaan kan worden door bijvoorbeeld het aangaan van een langlopende lening of het verhogen van de hypotheek. De merk daarbij op dat de achtergrond van de Beleidsregels en van de Wav, ter uitvoering waarvan ik deze Beleidsregels heb vastgesteld, is gelegen in de wens illegale tewerkstelling streng te bestrijden en verdringing van Nederlands arbeidsaanbod krachtig tegen te gaan. Daarbij is de hoogte van de normbedragen afgestemd op het strafwaardige karakter van het niet naleven van de voorschriften van de Wav en op de afschrikwekkende werking die van de boetebedragen moet uitgaan. F. Beslissing Gezien uw bezwaren, de bestreden beschikking, de stukken, de hoorzitting en de vigerende regelgeving ben ik tot de volgende beslissing gekomen. Het bezwaarschrift geeft geen aanleiding de opgelegde boete te herzien dan wel het bestreden besluit in te trekken. Gelet op het voorgaande verklaar ik uw bezwaarschrift ongegrond. Dit betekent dat de beschikking van 23 maart 2006 ongewijzigd in stand blijft. Hoogachtend, De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, namens deze, Algemeen Duecteur van de Arbeidsinspectie, (dr. p.M. Uijlenbroek) RECHTBANK ROERMOND enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken UITSPRAAK Procedurenr. : 06 /1913 BESLU K1 Inzake : \ , wonende te eiser tegen : De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, namens deze, de Algemeen Directeur van de Arbeidsinspectie, gevestigd te 's-Gravenhage, verweerder. Datum en aanduiding van het bestreden besluit: de brief d.d. 26 oktober 2006, kenmerk: AI/JZ/2006/35008/BOB. Datum van behandeling ter zitting: 31 januari 2007. I. PROCESVERLOOP Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van verweerder van 23 maart 2006 inzake toepassing van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) ongegrond verklaard. Tegen dat besluit is bij deze rechtbank beroep ingesteld. De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan eiser gezonden. Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 31 januari 2007, waar eiser is verschenen, en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. F.P.A. Fikken. II. OVERWEGINGEN Op 5 september 2005 is door inspecteurs van de Arbeidsinspectie een onderzoek verricht in het pand van eiser, gelegen aan de i i te , waarbij is geconstateerd dat twee personen met de Tsjechische nationaliteit schoonmaak- en opruimwerkzaamheden verrichtten, terwijl voor beide personen geen tewerkstellingsvergunning was afgegeven. Hiervan is een boeterapport opgemaakt op 31 oktober 2005. Procedurenummer: AWB 06/1913BESLU 2 Bij kennisgeving van 9 januari 2006 heeft verweerder zijn voornemen aan eiser kenbaar gemaakt om voor overtreding van artikel 2, eerste lid, Wav juncto artikel 18 van die wet een bestuurlijke boete op te leggen. Van de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen heeft eiser bij brief van 11 januari 2006 gebruik gemaakt. Verweerder heeft in de zienswijze geen aanleiding gezien om anders te besluiten dan in het voornemen kenbaar gemaakt en heeft vervolgens bij besluit van 23 maart 2006 op grond van artikel 19 a, eerste lid, Wav aan eiser een boete opgelegd wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, Wav. De boete heeft verweerder vastgesteld op 0.5 maal ˆ 8000,- per overtreding, hetgeen neerkomt op een totaal bedrag van ˆ 8000,-. Voorts heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat niet is gebleken van omstandigheden die aanleiding zouden moeten zijn om af te zien van het opleggen van de boete of om deze te matigen. Tegen het besluit van 23 maart 2006 heeft eiser bij schrijven van 18 april 2006 bezwaar gemaakt. Eiser heeft daarbij aangevoerd dat hij zich er niet bewust van is geweest dat hij een overtreding beging. Eiser heeft verweerder, mede gelet op zijn financiele situatie, verzocht het boetebedrag te verlagen. In de beslissing op bezwaar heeft verweerder zijn eerder ingenomen standpunt gehandhaafd. In beroep heeft eiser zich beroepen op de argumenten die hij in bezwaar heeft aangevoerd. De rechtbank dient op basis van de aangevoerde beroepsgronden te beoordelen of de bestreden besluiten in strijd zijn met het geschreven of ongeschreven recht dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel. Dienaangaande wordt als volgt overwogen. Artikel 1, eerste lid, onder b, sub 2, Wav bepaalt dat als werkgever wordt aangemerkt de natuurlijke persoon die een ander huishoudelijk of persoonlijke diensten laat verrichten. Artikel 18 Wav bepaalt dat als beboetbaar feit wordt aangemerkt het niet naleven van de artikelen 2, eerste lid, en 15 Wav. Artikel 2, eerste lid, Wav bepaalt dat het een werkgever verboden is een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning. Artikel 19a, eerste lid, Wav bepaalt dat een daartoe door onze Minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar namens hem de boete oplegt aan degene op wie de verplichtingen rusten welke voortvloeien uit deze wet, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als een beboetbaar feit. In de Beleidsregels boeteoplegging Wet arbeid vreemdelingen, gepubliceerd in de Staatscourant nr. 232 van 29 november 2005, is in beleidsregel 1 bepaald dat bij de berekening van een boete als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, Wav voor alle beboetbare feiten als uitgangspunt worden gehanteerd de normbedragen die zijn neergelegd in de Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Wet arbeid vreemdelingen die als bijlage bij deze beleidsregels is gevoegd. Procedurenummer: AWB 06/1913BESLU 3 Verder is bepaald dat voor de werkgever als natuurlijk persoon bij een gedraging in strijd met artikel 2, eerste lid, Wav als uitgangspunt voor de berekening van de op te leggen boete 0,5 maal het boetenormbedrag wordt gehanteerd. In de Taneflijst is het boetenormbedrag voor overtreding van artikel 2, eerste lid, Wav gesteld op ˆ 8.000,-. De rechtbank stelt allereerst vast dat niet in geschil is en als vaststaand feit kan worden aangemerkt dat eiser twee arbeidskrachten met de Tsjechische nationaliteit zonder tewerkstellingsvergunning werkzaamheden heeft laten verrichten. Nu eiser dient te worden aangemerkt als degene die de betrokken personen feitelijk arbeid heeft laten verrichten, is hij op grond van artikel 1, eerste lid, onder b, sub 2, juncto artikel 2, eerste lid, Wav als vergunningplichtig werkgever te beschouwen en is hij verantwoordelijk voor en aanspreekbaar op het al dan niet aanwezig zijn van de benodigde tewerkstellingsvergunning. Gelet hierop heeft verweerder dan ook terecht vastgesteld dat eiser heeft gehandeld in strijd met artikel 2, eerste lid, Wav, hetgeen ingevolge artikel 18 Wav als een beboetbaar feit wordt aangemerkt. Vervolgens overweegt de rechtbank dat verweerder bij het opleggen van een bestuurlijke boete ingevolge artikel 19a, eerste lid, Wav een discretionaire bevoegdheid toekomt. De rechtbank toetst daarom op basis van de aangevoerde gronden of verweerder na afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen. Vervolgens overweegt de rechtbank dat het opleggen van een bestuurlijke boete als de onderhavige is aan te merken als een punitieve sanctie. Artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden brengt mee dat de rechtbank vol dient te toetsen of de hoogte van de opgelegde boete in redelijke verhouding staat tot de ernst en verwijtbaarheid van de overtreding. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eiser de overtreding mogen toerekenen. Dat eiser er niet van op de hoogte was dat het hem op grond van de Wav verboden is door personen met de Tsjechische nationaliteit arbeid te laten verrichten zonder de benodigde tewerkstellingsvergunning, komt voor risico van eiser. Bij gebreke van kennis op dit punt, had het op de weg van eiser gelegen om zich daaromtrent vooraf te informeren. Ten aanzien van de hoogte de opgelegde boete overweegt de rechtbank als volgt. Eiser heeft de voorschriften ter bestrijding van illegale tewerkstelling van personen overschreden. Blijkens de Memorie van Toelichting (Kamerstukken Tweede Kamer, 2003-2004, 29 523, nr. 3, p. 1) zijn die voorschriften gegeven ter bestrijding van: 1. verdringing van legaal arbeidsaanbod in Nederland en de Europese Economische Ruimte op de arbeidsmarkt; 2. overtreding van normen op het gebied van arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden, die kan leiden tot uitbuiting van de illegaal tewerkgestelde vreemdelingen en 3. concurrentievervalsing binnen een sector, waardoor de bedrijfsvoering van bonafide werkgevers wordt geschaad. Procedurenummer: AWB 06/1913BESLU 4 c Gelet op de hiervoor geformuleerde doelstellingen en uit oogpunt van een hanteerbaar en consistent straftoemetingbeleid, waarbij de Tweede Kamer unaniem heeft aangegeven dat zij de boetehoogte op de bedragen conform de hierboven genoemde Tarieflijst wilde vaststellen (Kamerstukken Eerste Kamer 2004-2005, 25 523.C, pag. 2) acht de rechtbank het conform de genoemde Tarieflijst door verweerder gehanteerde boetenormbedrag voor het beboetbare feit als hier aan de orde, niet onevenredig hoog. Resteert de vraag of verweerder met gebruikmaking van de inherente afwijkingsbevoegdheid (artikel 4:84 van de Awb) van het gebruikelijke en als zodanig niet onredelijk hoge normbedrag had dienen af te wijken. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de door eiser aangevoerde financiele situatie en de in dat kader (mogelijk) uit de opgelegde boete voortvloeiende gevolgen, terecht niet heeft aangemerkt als een zodanige bijzondere omstandigheid dat deze bij het vaststellen van de boetenorm niet voorzienbaar was en aldus niet reeds is meegenomen en meegewogen bij de vaststelling van de beleidsregels en de daarbij behorende Tarieflijst, die - zoals hiervoor reeds overwogen - als zodanig niet in strijd zijn met de redelijkheid. Dat maakt dat er voor verweerder geen afwegingsruimte resteert om alsnog, rekening houdend met eisers financiele situatie, af te zien van de boete dan wel de hoogte daarvan te matigen. Gelet op het vorengaande dient het beroep voor ongegrond te worden gehouden. Mitsdien wordt als volgt beslist. Procedurenummer: AWB 06/1913BESLU i III. BESLISSING De rechtbank Roermond; gelet op het bepaalde in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht; verklaart het beroep ongegrond. Aldus gedaan door mr. L.M.J.A. barones van Hovell tot Westerflier-Dassen, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Utteren-Hoving als griffier en in het openbaar uitgesproken op 2 3 FEB 2007