Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 200701576/1

Uitspraak 200701576/1

ECLI
ECLI:NL:RVS:2007:BB8933
Datum uitspraak
28 november 2007
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 24 oktober 2005 heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de staatssecretaris) de vennootschap onder firma (hierna: een boete op grond van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav) opgelegd van ˆ 8.
  • Hoger beroep
  • Wet arbeid vreemdelingen

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

Raad vanState 200701576/1. Datum uitspraak: 28 november 2007 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, appellant, tegen de uitspraak in zaak nr. 06/2718 van de rechtbank Haarlem van 15 januari 2007 in het geding tussen: vennootschap onder firma • gevestigd te en de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. 200701576/1 2 28 november 2007 1. Procesverloop Bij besluit van 24 oktober 2005 heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de staatssecretaris) de vennootschap onder firma (hierna: een boete op grond van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav) opgelegd van ˆ 8.000 wegens het zonder tewerkstellingsvergunning hebben laten verrichten van arbeid door (hierna: de vreemdeling). Bij besluit van 3 februari 2006 heeft de staatssecretaris het daartegen door gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht. Bij uitspraak van 15 januari 2007, verzonden op 24 januari 2007, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het daartegen door ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de minister) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 maart 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 28 maart 2007. Deze brieven zijn aangehecht. Het Smitje heeft een verweerschrift ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 september 2007, waar vertegenwoordigd door (hierna: vennoot, bijgestaan door mr. J.G. Wieringa, advocaat te Amsterdam, en de minister, vertegenwoordigd door mr. R.E. van der Kamp, werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. Ingevolge artikel 8:60, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, kunnen partijen getuigen en deskundigen meebrengen of bij aangetekende brief of deurwaardersexpioit oproepen, mits daarvan uiterlijk een week voor de dag van de zitting aan de rechtbank en aan de andere partijen mededeling is gedaan, met vermelding van namen en woonplaatsen. Ingevolge artikel 8:63, tweede lid, kan de rechtbank afzien van het horen van door een partij meegebrachte of opgeroepen getuigen en deskundigen indien zij van oordeel is dat dit redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. 2.2. De minister betoogt dat de rechtbank ten onrechte gehoor heeft gegeven aan het verzoek van om vier door haar meegebrachte getuigen ter zitting bij de rechtbank te horen. Het op onderscheidenlijk ambtseed en -belofte door inspecteurs van de Arbeidsinspectie opgemaakte boeterapport van 20 juli 2005 (hierna: het boeterapporti bood geen aanleiding tot het horen van getuigen, nu dit een volledige en betrouwbare weergave van de inspectie bevatte, aldus de minister. i 200701576/1 3 28 november 2007 2.2.1. Uit de gedingstukken blijkt niet dat de ter zitting bij de rechtbank gehoorde getuigen uiterlijk een week voor de dag van de zitting bij de rechtbank zijn aangemeld, noch dat hiervan mededeling is gedaan aan de staatssecretaris. Nu echter uit het proces-verbaal van de zitting niet kan worden opgemaakt dat de staatssecretaris tegen het horen van de getuigen bezwaar heeft gemaakt, kan een eerst in hoger beroep hiertoe strekkende klacht niet slagen. Indien de rechtbank van oordeel is dat meegebrachte getuigen kunnen bijdragen aan de beoordeling van de zaak, mag zij overgaan tot het horen van deze getuigen. Aangezien van de zijde van is ontkend dat door de vreemdeling arbeid in haar onderneming is verricht en het horen van de getuigen ertoe strekte te onderzoeken of deze stelling deugdelijk voorkwam, bestaat geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft besloten tot het horen van de getuigen. Het betoog faalt. 2.3. De minister betoogt dat de rechtbank in de ter zitting afgelegde getuigenverklaringen ten onrechte aanleiding heeft gezien het besluit van 3 februari 2006 te vernietigen. Dit betoog kan, wat hier ook van zij, niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. Blijkens voormeld proces-verbaal van bevindingen waren ten tijde van de controle twee personen in de keuken bezig met het bereiden van maaltijden. Niet in geschil is dat de vreemdeling zich in de keuken bevond. Uit de bij het boeterapport gevoegde verklaring van van 5 juli 2005 blijkt dat deze heeft verklaard dat "wij samen op het moment van controle net bezig waren met het bereiden van eten voor onszelf. Ter zitting is van de zijde van verklaard dat in de keuken geen voedsel wordt bereid dat in de snackbar wordt verkocht, hetgeen door de minister niet is betwist. Voorts blijkt uit de overgelegde plattegrond van de onderneming dat de keuken waar de vreemdeling is aangetroffen bouwkundig van de cafetaria is gescheiden door middel van een scheidingswand. Kookactiviteiten ten behoeve van de onderneming worden niet in deze keuken verricht maar aan de voorzijde van deze wand, waar zich een friteuse en een shoarmagrill bevinden. Gelet op voormelde omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat de keuken waarin de vreemdeling tijdens de controle is aangetroffen bij de onderneming hoort, zodat niet is gebleken dat de vreemdeling daar bezig was met het bereiden van maaltijden ten behoeve van de onderneming. De rechtbank heeft, gezien het vorenstaande, terecht overwogen dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat de vreemdeling ten behoeve van werkzaamheden verrichtte in de zin van de Wav en het besluit van 3 februari 2006 vernietigd. 2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, zij het met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd. 2.5. De minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. 200701576/1 4 28 november 2007 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. bevestigt de aangevallen uitspraak; II. veroordeelt de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tot vergoeding van bij de vennootschap onder firma in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten ten bedrage van ˆ 644,00 (zegge: zeshonderd vieren veertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) aan de vennootschap onder firma onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald; III. bepaalt dat van de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) een griffierecht van ˆ 422,00 (zegge: vierhonderdtweeentwintig euro) wordt geheven. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. H.W. Groeneweg, ambtenaar van Staat. w.g. Lubberdink w.g. Groeneweg Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 28 november 2007 32-510. Verzonden: 28 november 2007 Voor eensluidend afschrift, de Secretaris van de Raad van State, voor deze. mr. H.H.C. Visser, directeur Bestuursrechtspraak Ministerie van Sociale Zaken Ontvaioen d.d. en Werkgelegenheid szr C* FF8 2006 De arro:":;.!:- "•• t'tbank sector busiuu-srecht te Haarlem Mr. J.G. Wieringa & Mr. CJ.A.P. Rameckers, Advocaten Postbus 11563 2502 AN Den Haag T.a.v. de heer mr. J.G. Wieringa Telefoon (070) 333 44 44 Minervalaan 25-1 Telefax (070) 333 40 02 www.arbeidsinspectie.szw.nl 1077 NK AMSTERDAM Uw brief Ons kenmerk Doorkiesnummer 15 november 2005 (070)333 5190 Al/JZ/2006/10986 Onderwerp Contactpersoon Beslissing op bezwaar Datum mr. De Jong 0 3 FEB. 2006 Geachte heer Wieringa, Bij brief van 15 november 2005 heeft u namens te (hierna: uw cliente) bezwaar aangetekend tegen de beschikking van 24 oktober 2005, kenmerk 070502407/03. A. De feiten Op 9 mei 2005 werd het bedrijf van uw cliente bezocht door enkele inspecteurs van de Arbeidsinspectie in verband met een controle in het kader van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: Wav). Tijdens deze controle werd bij uw cliente een persoon aangetroffen die werkzaamheden in de keuken van de cafetaria verrichtte. Deze persoon, de heer' , beschikkend over de Iraakse nationaliteit, verrichtte werkzaamheden die bestonden uit het bereiden van maaltijden. Deze persoon bleek vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) te zijn, zodat uw cliente voor hem in het bezit diende te zijn van een tewerkstellingsvergunning. Uw cliente beschikte echter niet over deze vergunning. De inspecteurs constateerden derhalve overtreding van artikel 2, eerste lid Wav. Met de kennisgeving van 14 september 2005 is uw cliente pp de hoogte gesteld van het voornemen haar een bestuurlijke boete op te leggen. Uw cliente heeftop 4 oktober 2005 haar zienswijze kenbaar gemaakt. Bij beschikking van 24 oktober 2005 is uw cliente een bestuurlijke boete opgelegd van ˆ 8.000,-. Uw cliente heeft hiertegen gedateerd 15 november 2005, derhalve tijdig, bezwaar ingediend. SZ* B. Het bezwaarschrift In uw bezwaarschrift voert u, zakelijk weergegeven, het volgende aan: De inspecteurs hebben ten onrechte geconstateerd dat de aangetroffen vreemdeling, de heer in de cafetaria van uw cliente heeft gewerkt. U geeft hierbij aan, dat de heer onmogelijk arbeid heeft kunnen verrichten, aangezien hij geen kok is en er bovendien geen klanten in de zaak aanwezig waren. C. Wettelijk kader Artikel 2, eerste lid Wav bepaalt dat het een werkgever verboden is een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning. Artikel 1, eerste lid aanhef en sub b onder 1 ffi Wav bepaalt dat een werkgever is degene die in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf een ander arbeid laat verrichten. Lid 1 aanhef en sub c van dit artikel bepaalt dat onder een vreemdeling wordt verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in de Vw 2000. In artikel 18 Wav is overtreding van artikel 2 Wav als beboetbaar feit aangemerkt. Artikel 18a, derde lid Wav bepaalt dat voor de toepassing van het eerste en tweede lid van dit artikel de vennootschap onder firma gelijk wordt gesteld met een rechtspersoon. Op grond van Beleidsregel 1, en de bijlage daarbij van de Beleidsregels boeteoplegging Wav, bedraagt de bestuurlijke boete voor een rechtspersoon ˆ 8.000,- per overtreding van artikel 2, eerste lid van de Wav. D. Het horen Gelet op artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht is uw cliente in de gelegenheid gesteld het bezwaarschrift toe te lichten tijdens een hoorzitting. Op 17 januari 2005 vond een hoorzitting plaats. Het verslag van deze hoorzitting is als bijlage bij deze beschikking gevoegd. E. Overwegingen U stelt in uw bezwaarschrift dat de aangetroffen vreemdeling geen arbeid heeft verricht, maar dat de inspecteurs ten onrechte hebben geconstateerd dat dit wel het geval was. U geeft hierbij aan, dat de heer geen maaltijden heeft bereid, maar slechts aanwezig was in de onderneming van uw cliente, omdat hij belangstelling had om de zaak van uw cliente te pachten. U merkt tevens op, dat tijdens de inspectie geen klanten in de zaak aanwezig waren, zodat er ook geen bestellingen waren opgenomen en geen maaltijden voorbereid hoefden te worden. Op de betreffende dag was er bovendien weinig klandizie, waardoor uw cliente geen behoefte had aan meer personeel dan de vaste kok, die al aanwezig was om de maaltijden voor te bereiden. Ook wist de heer "niet op welke wijze hij eten moest bereiden, aangezien hij geen kok is en voor het eerst naar de zaak kwam. Tijdens de hoorzitting heeft de heer het voorgaande namens uw cliente bevestigd. Zoals blijkt uit het op ambtsbelofte opgemaakte boeterapport, hebben ambtenaren van de Regiopolitie Kennemerland echter waargenomen dat heer zich in de keuken van de cafetaria bevond en daar bezig was met het bereiden van maaltijden. szr De opsporingsambtenaren hebben daarmee arbeid waargenomen. Van verkeerde waarneming van de opsporingsambtenaren is hierbij niet gebleken. Zoals blijkt uit de verklaring van de heer , die in het boeterapport in bijlage 5 is opgenomen, heeft de heer op 5 juli 2005 ook erkend dat de heer eten heeft klaargemaakt. De heer verklaarde op 5 juli 2005 dat de heer samen met hem een maaltijd voor henzelf aan het bereiden was, nu er geen klanten in de zaak aanwezig waren. In het bezwaarschrift en tijdens de hoorzitting is echter erkend dat de heer zich niet in de keuken maar voor in de zaak bevond, hetgeen overeenkomt met de waarnemingen van de opsporingsambtenaren. U stelt dat er ten tijde van de inspectie nog slechts een klant moest afrekenen en dat de heer geen bestellingen heeft opgenomen. Zoals blijkt uit het op ambtsbelofte opgemaakte boeterapport, hebben de opsporingsambtenaren echter waargenomen, dat de heer bestellingen opnam in de onderneming. Hieruit volgt dat er klanten in de cafetaria aanwezig waren. Tijdens de hoorzitting heeft de heer ook aangegeven, dat hij voorin de zaak een vaste klant aan het helpen was met een snackbestelling. Derhalve is niet weerlegd dat de heer 'werkzaamheden ten behoeve van de onderneming heeft verricht, zodat vaststaat dat uw cliente als werkgever in de zin van artikel 1, eerste lid aanhef en sub b onder 1ffi Wav dient te worden aangemerkt. U stelt in uw bezwaarschrift, dat het bereiden van eten voor het personeel zelf niet valt onder werkzaamheden voor de zaak. Indien de heer daadwerkelijk eten voor het personeel aan het voorbereiden was, zouden deze werkzaamheden echter nog steeds arbeid zijn in de zin van de Wav. Hij verrichtte dan immers nog steeds werkzaamheden ten behoeve van (het personeel van) de onderneming van uw cliente. Uw cliente heeft de heer arbeid laten verrichten in de zin van de Wav. Bij controle van de identiteit van heer en uit navraag bij de Centrale organisatie Werk en Inkomen bleek dat het hier ging om arbeid verricht door een vreemdeling, zonder dat daarvoor een tewerkstellingsvergunning was verstrekt aan uw cliente. Ik concludeer dat uw cliente overtreding van artikel 2, eerste lid heeft begaan, nu aan alle bestanddelen van dit artikel is voldaan. De overtreding is uw cliente toerekenbaar. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die aanleiding geven de boete te matigen of in te trekken. SZW F. Beslissing Gezien uw bezwaren, de bestreden beschikking, de stukken, de hoorzitting en de vigerende regelgeving ben ik tot de volgende beslissing gekomen. Het bezwaarschrift geeft geen aanleiding de opgelegde boete te herzien dan wel het bestreden besluit in te trekken. Gelet op het voorgaande verklaar ik uw bezwaarschrift ongegrond. Dit betekent dat de beschikking van 24 oktober 2005 ongewijzigd in stand blijft. Hoogachtend, De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, namens deze, Algemeen Directeur van de Arbeidsinspectie, (dr. Jfl.M. Uijlenbroek) Overeenkomstig de Algemene wet bestuursrecht kan tegen deze beschikking beroep worden ingesteld door degene wiens belang rechtstreeks bij deze beschikking betrokken is. Daartoe moet binnen zes weken na de datum van verzending van deze beschikking een beroepschrift met een kopie van deze beschikking worden ingediend bij de sector bestuursrecht van de rechtbank van de woonplaats van degene die het beroep instelt. Opgemerkt wordt dat Beverwijk ligt binnen het rechtsgebied van de rechtbank Haarlem: Postbus 1621, 2003 BR te Haarlem. Het beroepschrift dient te worden ondertekend en ten minste te bevatten de naam en het adres van de indiener, de dagtekening, een omschrijving van deze beschikking alsmede de reden(en) waarom de beschikking niet juist wordt gevonden. Voor de behandeling van het beroepschrift is griffierecht verschuldigd. uitspraak RECHTBANK HAARLEM Sector bestuursrecht zaaknummer AWB 06/2718 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 januari 2007 in de zaak van: gevestigd te eiseres, gemachtigde: mr. J.G. Wieringa, advocaat te Amsterdam, tegen: de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder, gemachtigde: mr. L.HJ. fGgkhuis werkzaam bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkff gelegenheid. 1. Procesverloop Bij besluit van 24 oktober 2005 heeft verweerder op grond van artikel 19e, eerste lid, Wet arbeid vreemdelingen (Wav) eiseres een bestuurlijke boete opgelegd vanwege het tewerkstellen van een Irakese vreemdeling zonder dat eiseres in het bezit was van een tewerkstellingsvergunning. Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt. Bij besluit van 3 februari 2006 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft eiseres beroep ingesteld. Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend. Het beroep is behandeld ter zitting van 30 november 2006, alwaar eiseres is verff schenen bij gemachtigde. Voorts is verschenen vennoot van eiseres. Verweerder is verschenen bij gemachtigde. 2. Overwegingen 2.1 Namens verweerder is op 9 mei 2005 een controle uitgevoerd in de snackbar van eiff seres. Daarbij is een persoon van Irakese nationaliteit, genaamd i (hierff na: aangetroffen die - naar de mening van de controlerende ambtenaren - bezig zaaknummer: AWB 06/2718 2 was met het bereiden van maaltijden. Eiseres is niet in het bezit van een tewerkstel- lingKVftrgnnndng voor Met kennisgeving van 14 september 2005 is eiseres op de hoogte gesteld van het voornemen een bestuurlijke boete op te leggen. Bij brief van 4 oktober 2005 heeft eiseres inhoudelijk gereageerd. Vervolgens heeft verweerder bij besluit van 24 oktober 2005 een bestuurlijke boete opgelegd van ˆ 8.000,-. Verweerff der heeft geen aanleiding gezien de opgelegde boete te team .dan .wel ..het boete- "beshutlnle trekken en heeft bij besluit van 24 november 20O5 het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. 2.2 De rechtbank overweegt als volgt. 2.3 In het eerste lid van artikel 2 Wav is bepaald dat het een werkgever verboden is een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewericstellingsvergunning. Het niet naleven van het eerste lid van artikel 2 wordt ingevolge artikel 18 Wav aangemerkt als een beboetbaar feit 2.4 _ Verweerder heeft zijn beleid ten aanzien ...van bebqetbare .feiten uitgewerkt in de "Beleidsregels boeteoplegging Wet arbeid vreemdelingen" (Stc. 24 december 2004, nr. 249). Als uitgangspunt worden de normbedragen gehanteerd die zijn neergelegd in de "Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Wet arbeid vreemdelingen*', een bijlage bij de Beleidsregels. Overtreding van artikel 2 Wav vermeldt een boetenormff bedrag van ˆ 8.000,-. 2.5 In geschil is de vraag of eiseres daadwerkelijk arbeid heeft laten verrichten in de zin van de Wav. 2.6 Uit het naar aanleiding van de Wav-controle op 9 mei 2005 in het restaurant van eiseres, door een aspirant van politie en twee buitengewoon opsporingsambtenaren op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal d.d 10 mei 2005 blijkt - voor zover voor de beoordeling relevant - het volgende. "Nadat wij, verbalisanten, ons na het betreden van de snackbar hadden gelegitimeerd (...) zagen wij (...) dat er zich drie personen in het pand bevonden. Wij, verbalisanten zagen dat een persoon zich bezig hield met het opnemen van bestellingen en dat de andere twee personen in de keuken bezig waren met het bereidden van maaltijden. [...] De andere persoon die in de keuken aanwezig was kon niets aantonen waaruit zijn identiteit, nationaliteit en/of zijn verblijfsrechtelijke positie in Nederland kon blijken. [...] Met behulp van een tolk in de Arabische taal gaf de man te zijn. ====== ====== ^j van Jraakse nationaliteit." 2.7 Blijkens het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal d.& 5 juli 2005 door twee inff specteurs van de Arbeidsinspectie van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkff gelegenheid heeft verklaard dat hij . pas twee maanden kende. Voorts verklaarde hij blijkens dit proces-verbaal: "Omdat hij (lees: niet bij mij werkte, heb ik hem niet naar zijn identiteitspapieren gevraagd. Zijn intentie was de zaak te pachten en zodoende was hij aan het kijken hoe druk de zaak was. Hiertoe is hij meerdere malen in de zaak geweest. Op het moment van de controle waren wij samen net bezig met het bereiden van eten voor onszelf". 2.8 Op verzoek van de gemachtigde van eiseres heeft de rechtbank en ; ter zitting als getuigen onder ede gehoord. Blijkens het hieronder i zaaknummer: AWB 06/2718 opgenomen proces-verbaal van de zitting hebben zij de volgende verklaringen afgelegd: Ter zitting is de heer geboren te Afghanistan, werknemer van en wonende aan . te als getuige gehoord. De heer heeft het volgetoe verklaard:. 'Ik verklaar~de waarheid ie vertellen en niets anaers dan de waarheid zo waarlijk helpe mij Allah almachtig. Ik ben werkzaam als kok in de cafetaria Ik stond op 9 mei 2005 rond 7 uur 's avonds mei. in het keukentje. Wij stonden met onze rug naar de deur. Ik was bezig met het bereiden van een maaltijd. was gast. Hij was slechts aanwezig, omdat hij misschien de zaak wilde overff nemen, was absoluut niet bezig met het bereiden van een maaltijd. Mijn baas , was bezig met het helpen van de enige klant die op dat moment in de winkel was. Dat was Toen kwamen de controleurs.' Ter zitting is de heer , gereedschapsmonteur, wonende,aan de.1 als eetuiee eehoord. De heer heeft het volgende verklaard; 'Ik verklaar de waarheid te vertellen en niets anders dan de waarheid zo waarlijk helpe mij God almachtig. Ik was op 9 mei 2005 rond 7 uur 's avonds aanwezig in de cafetaria om wat te bestellen. Ik kom daar regelmatig. Ik stond voor de vitrine en keek naar het keukentje. De heer kwam naar me toe. Er stonden twee mannen in het keukentje. Zij stonden met hun rug naar de deur. De ene was De andere man kende ik niet. Dat bleek achteraf 'j te zijn. Ik heb niet waargenomen dat in de keuken maaltijden stond te bereiden. Ik was de enige klant in de zaak. Tijdens het afrekenen kwamen de controleurs binnen. De heer reikte mij mijn bestelling aan en ik vertrok huiswaarts.' Ter zitting is. geboren . zoon van l student, wonende aan als getuige gehoord. De heer heeft het volgende verklaard: 'Ik verklaar de waarheid te vertellen en niets anders dan de waarheid zo waarlijk helpe mij God almachtig. Ik was op 9 mei 2005 ten tijde van de controle niet aanff wezig in,de cafetaria. Ik ben . 'tegengekomen in het uitgaansleven. Hij was op zoek naar een inkomstenbron. Mijn vader wilde van de zaak af dus dat heb ik hem toen verteld. bleek gednteresseerd om de zaak over te nemen ofte pachten. Vervolgens heb ik hem naar de zaak gestuurd om verder over deze kwestie met mijn vader te praten.' Ter zitting is geboren vennoot van wonende aan i als getuige gehoord. De heer heeft het volgende verklaard: 'Ik verklaar de waarheid te vertellen en niets anders dan de waarheid zo waarlijk helpe mij God almachtig. Ik was op 9 mei 2005 ten tijde van de controle aanwezig in de cafetaria. De vorige vennoot is in 2003 weggegaan. Ben nu samen met mijn vrouw. Ik run de zaak alleen Ik ben ziek en op. Daardoor kan ik vaak de zaak niet op tijd openen en moet ik de zaak ook eerder sluiten. Om 7 uur was ik samen met in de keuken. komt en ik ga hem helpen. Hij was de enige klant.. 'deed niets in de keuken., deed het eten.. is totaal drie tot vier keer in de zaak geweest. Hij is alleen gekomen om te praten over de overname.' zaaknummer: AWB 06/2718 4 2.9 De rechtbank constateert dat tegenover het proces-verbaal van de ambtenaren van politie van 10 mei 2005 een viertal verklaringen van getuigen staan. De rechtbank is van oordeel dat de afgelegde verklaringen van de getuigen ter zitting voldoende twijfels zaaien omtrent de juistheid van de enkele constatering van de controlerende ambtenaren, dat M de (andere) twee personen in de Jceuken.. bezig .waren-met -het "bereiden van inaaltyden". Ten eerste moet worden vastgesteld dat alle - afzonderlijk van elkaar gehooide - getuigen consistent en coherent hebben verklaard dat . geen arbeid heeft verricht op de bewuste avond van 9 mei 2005. Uit het proces-verbaal van de ambtenaren van politie blijkt niet duidelijk wat de ambtenaren exact hebben waargenomen, waarbij mede wordt betrokken dat evenmin uit dit proces-verbaal blijkt welke werkzaamheden verrichtte en of er andere omstandigheden waren waaruit kan worden afgeleid (bijvoorbeeld het dragen van werkkleding) dat hij in het keukentje werkzaamheden verrichtte. Voorts wordt het -gelijk de gemachtigde van eiseres ter zitting heeft betoogd- onaannemelijk geacht dat, nu slechts ten tijde van de controle de -.-. . enige .klant, in-de. cafetaria was, iwee personen bezig _waren jnet heX.bereiden_.yan maaltijden. Voor zover het er voor zou moeten worden gehouden, gelijk blijkens het proces-verbaal d.d. 5 juli 2005 heeft verklaard dat men net bezig was met het bereiden van een maaltijd voor 'onszelf, ziet de rechtank hierin geen reden om -bezien in het licht van beide processen-verbaal en de getuigenff verklaringen- daaraan de conclusie te verbinden dat dus ook in de keuken aan het werk was. Daar komt bij dat uit ter zitting overgelegde foto's en de daarbij gegeven toelichting het niet onaannemelijk voorkomt dat men weinig zicht heeft op hetgeen zich exact in de keuken afspeelt indien men zich in het klantengedeelte van de cafetaria bevindt. Voorts stonden, blijkens de getuigenverklaring van laatstgenoemde en ten tijde van de controle met hun rug naar de deur, die de keuken met het klantengedeelte verbindt, waardoor het voorstelbaar is dat het zicht op hetgeen zich feitelijk in de keuken afspeelde, nog verder werd belemmerd. 2.10 Bij deze stand van zaken is onvoldoende aannemelijk geworden dat ten behoeve van eiseres werkzaamheden verrichtte in de zin van de Wav. Verweerder heeft, het proces-verbaal van bevindingen van 10-mei 2005, gezien de inhoud van de ter zitting afgelegde getuigenverklaringen, niet zonder meer aan zijn besluitvorming ten grondff slag mogen leggen. In zoverre bevat het bestreden besluit derhalve een motiveringsff gebrek en zal de rechtbank dit besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht. Het beroep zal derhalve gegrond worden verklaard. Tot slot bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van verweerder. zaaknummer: AWB 06/2718 5 3. Beslissing De rechtbank: * 3.1 verklaart het beroer/giglpnil,- 3.2 vernietigt het bestreden besluit van 3 februari 2006; 3.3 veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal ˆ 644,— te betalen door verweerder aan de eiseres; 3.4 wijst het meer of anders gevorderde af; 3.5 gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van ˆ 141,— aan haar vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. Medze, rechter, en op 15 januari 2007 in "het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. J. Poggemeier, griffier. afschrift •Ik JAH. 2007 Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier. Voor eensluidend afschnf De griffier van de rechtbai aarlem Ministerie van Sociale Zaken w en Werkgelegenheid SZ RAAD VAN STATE INGEKOMEN 0 2 MRT 2007 Raad van State Postbus 11563 2502 AN Den Haag Afdeling bestuursrechtspraak {IX Laan van Nieuw Oost Indie 125 Postbus 20019 PAR: Telefoon (070) 333 44 44 BEHANDELD: GD: Telefax (070) 333 51 16 2500 EA 's-Gravenhage Uw brief Ons kenmerk Doorkiesnummer AI/JZ/2006/23377/HB (070)333 4481 Onderwerp Datum Contactpersoon Hoger beroep tegen de uitspraak van de mr. Van der Kamp rechtbank Haarlem inzake het beroep van 0 f HiUlf 2007 Geachte College, Hierbij stel ik hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 15 januari 2007, procedurenummer AWB 06/2718. Een afschrift van deze uitspraak die aan mij is verzonden op 24 januari 2007, is bijgevoegd. In genoemde uitspraak heeft de rechtbank het beroep van tegen mijn beschikking van 3 februari 2006 gegrond verklaard en deze beschikking vernietigd. Bij deze beschikking had ik besloten tot handhaving van een aan opgelegde boete in verband met overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen. De ben van mening dat de uitspraak van de rechtbank onjuist is en op onjuiste gronden is gebaseerd. Ik verzoek u dan ook de uitspraak van de rechtbank te vernietigen. Verder verzoek ik u het beroep van tegen mijn beschikking op bezwaar van 3 februari 2006 alsnog ongegrond te verklaren, dan wel het beroep terug te verwijzen naar de rechtbank en te bepalen dat zij op het beroep van dient te beslissen met inachtneming van uw uitspraak. Ik verzoek u mij een termijn te gunnen waarbinnen ik de grieven waarop dit hoger beroep berust, kan indienen. Hoogachtend, De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, namens deze, de plv. Inspsiztpur-Generaal, (dr.J SQ'd 0iTL+ t?d:TD L0GL-L0-8L RAAD VAN STATE INGEKOMEN Ministerio van Sociale Zaken W on Werkgelegenheid 2 8 MRT 2007 SZ ZAAKNR. AAN: BEHAHDELO: OD: PAR: Raad van State Postbus 11583 Afdeling bestuursrechtspraak 2502 AN Den Haag Laan van Nieuw Oost Indlo 125 Postbus 20019 Telefoon (070) 333 S1 90 2500 EA 's-Gravenhage Telefax (070) 333 51 16 Uw brief Ons kenmerk Doorkies nummer 2 maart 2007 AI/JZ/2007/8584/Gronden (070) 333 5190 Onderwerp Datum Contactpersoon Hoger beroep tegen de uitspraak van de mr. Van der Kamp rechtbank Haarlem inzake het beroep van 2 8 Mm 2007 Cafetaria zaaknummer 200701576/1 /V6. Geacht College, Bij brief van 1 maart 2007 stelde ik hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 15 januari 2007, procedurcnummer AWB 06/2718. Bij brief van 2 maart 2007 verleende u mij een termijn tot en met 30 maart 2007 om de gronden van mijn hoger beroep aan te vullen. Bij deze ontvangt u de aanvullende gronden. Procesverloop Aa" is bij beschikking van 1 december 2005 een boete van ˆ 8.000,- opgelegd in verband met een overtreding van artikel 2, eerste lid Wet Arbeid Vreemdelingen. Ten aanzien van de feiten, de gevolgde procedure en het wettelijk kader verwijs ik naar de beslissing op bezwaar van 3 februari 2006. Ik verzoek u de inhoud van deze beslissing, waarin ik mijn standpunt reeds uitgebreid heb uiteengezet, als herhaald en ingelast te beschouwen. In deze beslissing is het bezwaarschrift van ongegrond verklaard. In de bestreden uitspraak heeft de rechtbank Haarlem bet beroep van de ' tegen mijn beschikking van 3 februari 2006 gegrond verklaard en deze beschikking vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, Algemene wet Bestuursrecht. Bestreden uitspraak Ter zitting heeft de rechtbank op verzoek van eiseres vier personen als getuigen onder ede gehoord, te weten de heren en rj e rechtbank constateert naar aanleiding van de afgelegde verklaringen dat deze voldoende twijfel zaaien omtrent de juistheid van de constatering in het proces-verb aal van de ambtenaren van politie dat "de (andere) twee personen in de keuken bezig waren met het bereiden van maaltijden". Ten eerste moet volgens de rechtbank namelijk worden vastgesteld dat alle getuigen afzonderlijk van elkaar hebben verklaard dat de betrokken vreemdeling op de avond van de controle geen arbeid heeft verricht. lll-i ZOOd VB9-1 02 te+ ZMKS A NIH-HVA a C=or iooz-Eo-flz d 0LTL+ ST: T T i00L-L0-8c* • Uit het pro ces- verb aal blijkt verder niet duidelijk wat de ambtenaren precies hebben waargenomen, waarbij mede wordt betrokken dat evenmin blijkt welke werkzaamheden de vreemdeling verrichtte en of er omstandigheden waren waaruit kon worden afgeleid dat hij werkzaamheden verrichtte. Voorts wordt het onaannemelijk geacht dat, nu er slechts een klant in de cafeteria aanwezig was, twee personen bezig waren met het bereiden van maaltijden. De verklaring van de heer dat men net bezig was met het bereiden van maaltijden voor 'onszelf is voorts geen reden om daaraan de conclusie te verbinden dat dus ook de vreemdeling in de keuken aan het werk was. Daar komt bij dat uit de ter zitting overgelegde foto's en de daarbij gegeven toelichting het niet onaannemelijk voorkomt dat men weinig zicht heeft op hetgeen zich exact in de keuken afspeelt als men zich in het klantengedeelte van de cafetaria bevindt. Voorts stonden blijkens de getuigenverklaring van S. Haidari laatsgcnocmde en de vreemdeling tijdens de controle met hun rug naar de deur die de keuken met het klantengedeelte verbindt, waardoor het voorstelbaar is dat het zicht op hetgeen zich feitelijk in de keuken afspeelde, nog verder werd belemmerd. De rechtbank concludeert dat bij deze stand van zaken onvoldoende aannemelijk is geworden dat de vreemdeling werkzaamheden in de zin van de Wav verrichtte ten behoeve van Gronden Primair stel ik mij op het standpunt dat de Rechtbank ten onrechte gehoor heeft gegeven aan het verzoek van eiseres om vier getuigen ter zitting te horen. Het boeterapport bood geen aanleiding tot het horen van getuigen, nu dit een volledige en betrouwbare weergave van de inspectie behelst. In uw uitspraak van 13 februari 2002, AB 2002/123, overweegt u terecht dat, nu appellant in de bezwaarprocedure zijn betoog niet had aangevuld met getuigenbewijs, de rechtbank terecht kon overwegen dat een in beroep af te leggen getuigenverklaring niet aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit kon afdoen, zodat de rechtbank terecht van het horen van de door appellant voorgestelde getuigen kon afzien. In uw uitspraak van 14 februari 2007, AWB 06/686, betreffende de Wet Arbeid Vreemdelingen, heeft u bovendien overwogen dat aan een in beroep overgelegde en ondertekende verklaring geen beslissende betekenis toekwam, reeds omdat deze verklaringen niet onmiddellijk ten overstaan van de inspecteurs waren afgelegd. De rechtbank had derhalve in onderhavige zaak moeten afzien van het horen van de door eiseres meegebrachte getuigen, te meer gezien het tijdsverloop tussen de inspectie (9 mei 2005) en de zitting (15 januari 2007). Daarbij is het niet denkbeeldig dat de getuigen ten gunste van eiseres verklaard hebben vanwege de relatie die tussen hen en eiseres bestaat. Daarbij is in het boeterapport niet vermeld wie buiten de heer aanwezig was, zodat niet is gebleken dat de heren en tijdens de inspectie aanwezig waren. Subsidiair stel ik mij op het standpunt dat de rechtbank in de afgelegde verklaringen ten onrechte aanleiding heeft gezien het bestreden besluit te vernietigen. Ik overweeg dienaangaande het volgende. De boeteoplegging aan is gebaseerd op een proces-verbaal van politie d.d. 10 mei 2005. In dit proces- verb aal staat onder meer: "Nadat wij, verbalisanten, ons na het betreden van de snackbar hadden gelegitimeerd en het doel van onze komst kenbaar hadden gemaakt, zagen wij, verbalisanten, dat er zich drie personen in het pand bevonden. Wij, verbalisanten, zagen dat een persoon zich bezig hield met het opnemen van bestellingen en dat de andere twee personen in de keuken bezig waren met het bereiden van maaltijden." -i EODd m-1 02 IE+ ZfMZS A NIH-WA 91 = 0t iODZ-EO-BZ "d QLTL+ 9T:TT L00L-L0-8e SF?- Een van de personen die in de keuken aan het werk was bleek vreemdeling in de zin van de Vreemdelingwet 2000 te zijn voor wie : niet over een tewerkstellingsvergunning beschikte. Ik stel mij op het standpunt dat mag worden uitgegaan van de juistheid van het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van de met toezicht op de Wav belaste ambtenaren. De constatering van de drie politie-ambtenaren laat aan duidelijkheid niets te wensen over: de betrokken vreemdeling was in de keuken bezig met het bereiden van maaltijden. In dit verband valt de overweging van de rechtbank dat "niet duidelijk (is) wat de ambtenaren exact hebben waargenomen' niet te begrijpen. Dat voorts niet is vermeld welke werkzaamheden precies werden verricht en uit welke omstandigheden dit kon worden afgeleid, vloeit naar mijn oordeel voort uit de eenduidige waarneming van de politieff ambtenaren dat de vreemdeling bezig was met het bereiden van maaltijden en duidt mijns inziens niet, zoals de rechtbank kennelijk oordeelt, op een onvolkomenheid in het procesff verbaal. De ter zitting onder ede afgenomen vier getuigenverklaringen zaaien volgens de Rechtbank voldoende twijfel omtrent de juistheid van de constatering van de politie-ambtenaren. Alle getuigen hebben namelijk afzonderlijk van elkaar verklaard dat de betrokken vreemdeling op de avond van de controle geen arbeid heeft verricht. De onderschrijf deze conclusie van de rechtbank niet. Een van de getuigen, de heer , was ten tijde van de controle namelijk niet aanwezig in de cafetaria en kon dus ook nooit gezien hebben dat de vreemdeling die bewuste avond geen arbeid heeft verricht. Verder heeft de heer slechts verklaard dat hij, staande voor de vitrine in het klantengedeelle van het cafetaria, naar het keukentje keek en niet heeft waargenomen dat de vreemdeling in de keuken maaltijden stond te bereiden. Hij heeft dat vanuit die positie zeer waarschijnlijk ook niet kunnen waarnemen. De rechtbank overweegt immers in de uitspraak tevens dat het niet onaannemelijk is dat men vanuit het klantengedeelle weinig zicht heeft op hetgeen zich exact in de keuken afspeelt. In dit geval stonden bovendien de vreemdeling en de heer volgens de verklaring van laatstgenoemde, met hun rug naar de deur, die de keuken met het klantengedeelte verbindt. Dit maakt het nog minder aannemelijk dat de heer vanuit zijn positie kon zien wat er in de keuken gebeurde. De heer: heeft dus ook niet kunnen vaststellen dat de vreemdeling geen arbeid verrichtte. Gelet hierop ben ik van oordeel dat de rechtbank te veel en een onjuiste waarde aan de verklaring van in ieder geval twee van de getuigen heeft gehecht. Er resteren derhalve twee tardief afgelegde getuigenissen tegenover de waarneming en verklaring van drie politie-ambtenaren, waarbij in acht moet genomen worden dat de heer in dienst is van de heer en laatsgenoemde een boete opgelegd is. Beiden hebben derhalve belang bij een weergave van de feiten zoals door hen verwoord. Het feit dat men vanuit het klantengedeelte van het cafetaria weinig zicht heeft op hetgeen zich in de keuken afspeelt is voorts voor de rechtbank kennelijk eveneens reden om te twijfelen aan de juistheid van de waarneming van de politie-ambtenaren. Nergens blijkt echter uit het proces-verbaal dat de polite-ambtenaren hun waarneming vanuit het klantengedeelte hebben gedaan. Het ligt bij een bedrijfscontroIe juist voor de hand dat politie-ambtenaren hun waarneming in het bedrijfsgedeelte van een horeca-gelegenheid doen en niet vanuit het klantengedeelte. Het is inherent aan dit soort inspecties dat direct wordt doorgelopen naar de plaats waar de bedrijfsactiviteiten plaatsvinden. Voorts is het volgens de rechtbank onaannemelijk dat, nu er ten tijde van de controle slechts een klant in het cafetaria was, rwee personen bezig waren met het bereiden van maaltijden. i UO/WD'd V89-1 02 IE+ Zf'MZS A HIH-MYA 9P0I 2Q0Z-E0-9Z L0 'd 0LTL+ 9T : TT J.00c*-L0-8L SZW De heer, heeft echter blijkens het pro ces- verb aal van 5 juli 2005 verklaard dat men bezig was met het bereiden van een maaltijd voor 'onszelf, zodat het juist heel goed mogelijk is dat daar twee personen mee bezig waren. Overigens ziet de rechtbank in de verklaring dat men bezig was met het bereiden van een maaltijd voor 'onszelf geen reden om aan te nemen dat de vreemdeling dus ook in de keuken aan het werk was. Naar mijn opvatting kan dat echter evenmin bijdragen aan de conclusie dat de vreemdeling dus niet in de keuken aan het werk was. Los daarvan is het toch zeker niet ongebruikelijk dat in een horecagelegenheid, ook als er geen klanten aanwezig zijn, werkzaamheden in de keuken dienen te worden verricht, bijvoorbeeld voorbereidende werkzaamheden. In dit verband is het heel goed mogelijk dat daar twee personen tegelijk mee bezig zijn, zeker nu de inspectie plaatsvond op een tijdstip dat het gewoonlijk druk is in een cafetaria. Resumerend kom ik tot de opvatting dat de Rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat ik het proces-verbaal van 20 mei 2005 niet aan mijn besluitvorming ten grondslag had mogen leggen. Conclusie Gelet op het voorgaande ben ik van mening dat de uitspraak van de rechtbank Haarlem onjuist is en op onjuiste gronden is gebaseerd. Bc verzoek u dan ook de uitspraak van de rechtbank te vernietigen. Verder verzoek ik u het beroep van tegen mijn beschikking op bezwaar van 10 april 2006 alsnog ongegrond te verklaren, dan wel het beroep terug te verwijzen naar de rechtbank en te bepalen dat zij op het beroep van dient te beslissen met inachtneming van uw uitspraak. Hoogachtend, de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, namens deze, de plv. Inspecteur-Generaal, (diTjJ.M. Uijlenbroek) lll-i IIO/SDD'd «9-1 01 IE+ ZfMZS A MIH-WVA 11 = 01 100Z-EO-9Z


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon