Uitspraak 200608825/1


Volledige tekst

200608825/1.
Datum uitspraak: 21 november 2007

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1], allen wonend te [woonplaats],
2. [appellanten sub 2], beiden wonend te [woonplaats],
3. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,
verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 september 2005 heeft de gemeenteraad van Amstelveen het bestemmingplan "Amstelveen Zuid-Oost" (hierna: het plan) vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 16 mei 2006, kenmerk 2006-24603, over de goedkeuring ervan beslist.

Bij uitspraak van 14 september 2006 in zaaknr. 200605065/3 (aangehecht) heeft de Afdeling dat besluit vernietigd.

Bij brief van 14 november 2006, kenmerk 2006-56898, heeft verweerder aan de gemeenteraad van Amstelveen medegedeeld dat het bestemmingsplan geacht moet worden te zijn goedgekeurd.

Daartegen hebben [appellanten sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 december 2006, [appellanten sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 december 2006, en [appellant sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 december 2006, beroep ingesteld.

Voor afloop van het vooronderzoek is een nader stuk ontvangen van de gemeenteraad. Dit is aan de andere partijen toegezonden.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van [appellanten sub 1], [appellanten sub 2] en de gemeenteraad. Deze zijn steeds aan de andere partijen toegezonden.

Voorts zijn na afloop van het vooronderzoek en minder dan tien dagen voor de zitting stukken ontvangen van de gemeenteraad. Deze heeft de Afdeling, lettend op het bepaalde in artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht, aan hem teruggestuurd.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 september 2007, waar [appellanten sub 1], vertegenwoordigd door [gemachtigde], [appellanten sub 2], vertegenwoordigd door [gemachtigde], [appellant sub 3], vertegenwoordigd door mr. S.D. van Reenen en verweerder, vertegenwoordigd door mr. Y.H.M. Huisman, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar de gemeenteraad van Amstelveen, vertegenwoordigd door mr. M.H.J. van Driel, advocaat te Amsterdam, bijgestaan door ir. G. Zivkovic, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het plan heeft betrekking op het zuidoostelijke deel van de bebouwde kom van Amstelveen en voorziet, voor zover thans van belang, in de vervangende nieuwbouw en uitbreiding van het zogenoemde woonzorgcomplex "De Olmenhof", alsmede in een planologische regeling voor twee garages op het perceel Turfschip 31.

2.2. Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht, zoals dat vóór de inwerkingtreding van deze wetten gold, van toepassing is.

2.3. Verweerder en de gemeenteraad betogen dat het beroep van [appellanten sub 2] en dat van [appellanten sub 1], voor zover ingesteld namens [appellant sub 1A] niet-ontvankelijk is, omdat [appellant sub 1A], [appellanten sub 2] geen zienswijze hebben ingediend en zij door de gewijzigde vaststelling van het plan niet in een ongunstiger situatie ten opzichte van het ontwerp-plan zijn komen te verkeren.

2.3.1. [appellant sub 1A], [appellanten sub 2] hebben niet binnen de in artikel 23, eerste lid van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) daartoe gestelde termijn een zienswijze tegen het ontwerp-plan ingebracht bij de gemeenteraad.

Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, onder d, en 56, tweede lid, gelezen in verbinding met de artikelen 23, eerste lid, en 27, eerste en tweede lid, van de WRO, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van het college van gedeputeerde staten, door degene die tegen het ontwerp-plan tijdig een zienswijze bij de gemeenteraad heeft ingebracht. Dit is slechts anders, indien en voor zover de gemeenteraad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp of het besluit van het college van gedeputeerde staten strekt tot onthouding van goedkeuring, dan wel indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest een zienswijze in te brengen.

2.3.2. De gemeenteraad van Amstelveen heeft het plan gewijzigd vastgesteld. De wijziging betreft onder meer het verhogen van de in het meest oostelijke deel van het plandeel met de bestemming "Woonzorgdoeleinden (WZ)" toegestane bouwhoogte van 5 naar 18 meter, alsmede het wijzigen van het bebouwingspercentage van 60 voor het overgrote deel en 50 voor het meest oostelijke deel in 90 voor het gehele plandeel.

2.3.3. Nu de bij de vaststelling van het plan aangebrachte wijzigingen voor [appellant sub 1A], [appellanten sub 2] nadelig zijn ten opzichte van het ontwerp-plan, faalt het betoog van verweerder en de gemeenteraad.

2.4. Ter zitting hebben [appellanten sub 2] het beroep, voor zover het de zogenoemde watertoets en de luchtkwaliteit betreft, ingetrokken.

2.5. [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] betogen dat met de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Woonzorgdoeleinden (WZ)", ten oosten van de Landtong dat voorziet in voormelde vervangende nieuwbouw van het woonzorgcomplex "De Olmenhof", is miskend dat aan de in het plan voorziene uitbreiding van het woonzorgcomplex geen behoefte bestaat. Volgens [appellanten sub 1] wordt in de Woonvisie Amstelveen slechts gesproken over het omzetten van intramurale plaatsen naar zelfstandige eenheden en aanleunwoningen en niet over uitbreiding. [appellanten sub 2] voeren in dit verband aan dat ten onrechte een kwalitatieve en kwantitatieve onderbouwing van de behoefte aan de desbetreffende woningen ontbreekt en verwijzen daarbij naar publicaties in het Amstelveens Weekblad en het Amstelveens Nieuwsblad, waarin staat dat een overzicht van het aanbod van woonruimte voor ouderen en gehandicapten in de regio ontbreekt.

2.5.1. In de nadere memorie van de gemeenteraad van 2 maart 2007 staat dat de ter plaatse aanwezige bebouwing, waarin 97 verzorgingshuisplaatsen zijn gehuisvest, zal worden gesloopt en vervangen door onder meer een nieuwbouwcomplex van 30 verpleeghuisplaatsen, 30 verzorgingshuisplaatsen, 45 aanleunwoningen, 6 RIBW-woningen voor gehandicapten, verzorgingsruimten en een parkeergarage. Volgens de gemeenteraad voorziet de voorziene bebouwing in een dringende behoefte. Hij verwijst daarvoor naar de door het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen (hierna: het college) vastgestelde "Woonvisie Amstelveen, Wonen in een vitale stad" van oktober 2004 (hierna: de Woonvisie), waarin de bestaande voorraad en de toekomstige vraag naar seniorenwoningen in kaart is gebracht. Daarin staat dat in 2015 in de gemeente Amstelveen ongeveer 1.200 extra seniorenwoningen nodig zijn, waarvan een deel in woonzorgcomplexen moet worden gerealiseerd en een deel als reguliere woningen, die zodanig zijn ingericht, dat op termijn zorg kan worden geleverd en de woning bewoonbaar is voor mensen met een rolstoel.

Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat deze behoefteraming onjuist is.

De conclusie is dat het aangevoerde geen aanleiding geeft voor het oordeel dat de goedkeuring van het plandeel in verband daarmee geen stand kan houden.

2.6. [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] voeren voorts aan dat met de goedkeuring van het plandeel is miskend dat de voorziene bouwhoogten en het bebouwingspercentage van 90 ter plaatse het oprichten van een bouwwerk mogelijk maken dat hun uitzicht, privacy en bezonning ernstig zou belemmeren. Volgens hen is onvoldoende onderzoek gedaan en is met de goedkeuring miskend dat de gemeenteraad, door de gevolgen van benutting van de maximale mogelijkheden die dit plan biedt te vergelijken met de gevolgen van zodanige benutting van het vorige plan, in strijd met artikel 33 van de WRO heeft gehandeld, aangezien het vorige plan niet meer met de wenselijke planologische situatie in het plangebied overeenstemt.

2.6.1. De gemeenteraad heeft in de nadere memorie van 2 maart 2007 te kennen gegeven dat hij verwacht dat de goedkeuring van het bebouwingspercentage in beroep zal worden vernietigd. Met betrekking tot de overige beroepsgronden stelt hij zich op het standpunt dat voor enkele woningen weliswaar enige verslechtering van de zonlichttoetreding ten opzichte van de thans bestaande situatie zal optreden, maar deze niet zo groot is, dat de noodzakelijke nieuwbouw hiervoor zou moeten wijken. Daarbij heeft hij in aanmerking genomen dat ingevolge het voorheen geldende bestemmingsplan al een bouwwerk mocht worden opgericht dat tot vergelijkbare zonlichtontneming zou leiden. De gemeenteraad acht voorts, gelet op de afstanden tussen de woningen van appellanten en de vervangende nieuwbouw van het woonzorgcomplex, de gestelde ontneming van uitzicht en aantasting van privacy niet aannemelijk. Daarbij heeft hij in aanmerking genomen dat het bouwvlak 9 meter verder van de woningen van appellanten is gesitueerd dan de bestaande bebouwing en het in het vorige plan opgenomen bouwvlak. Bovendien mag op de gronden, direct naast de woningen van appellanten gelegen aan In de Wolken, slechts tot 2 meter hoogte worden gebouwd en zullen de balkons aan het op het oostelijke deel gesitueerde L-vormige gebouw, met een hoogte 18 meter, niet worden gerealiseerd aan de zijde van appellanten, maar aan de oostelijke zijde, aldus de gemeenteraad.

2.6.2. Ingevolge artikel 4.2.1. van de planvoorschriften, gelezen in verbinding met de plankaart, mogen op het plandeel met de bestemming "Woonzorgdoeleinden (WZ)" bouwwerken worden opgericht met een maximale bouwhoogte van 15 meter in het westelijke deel, onderscheidenlijk 18 meter in het meest oostelijke deel. Ingevolge artikel 4.2.1., sub d, gelezen in verbinding met de plankaart, mag de ter plaatse voorziene parkeervoorziening niet hoger zijn dan 2 meter. Voorts geldt ter plaatse een maximaal bebouwingspercentage van 90.

In het voorheen geldende bestemmingsplan hadden de desbetreffende gronden, met uitzondering van het oostelijk deel, de bestemming "Woonzorgdoeleinden (WZ)". Binnen deze bestemming mochten bouwwerken worden opgericht met een maximale bouwhoogte van onderscheidenlijk 10, 15 en 18 meter. Op het meest oostelijke deel voorzag het vorige plan in een drie meter hoog gebouw ten behoeve van de gemeentewerf. Op het gedeelte van het perceel, waar ingevolge het voorheen geldende plan bouwwerken tot een hoogte van 18 meter mochten worden opgericht, bevindt zich thans een gebouw met een hoogte van ongeveer 17 meter met daarop een opbouw met een totale hoogte van ongeveer 20 meter.

2.6.3. Appellanten wonen aan In de Wolken en Majella. Deze straten liggen ten noorden van het plandeel. De afstand tussen het geprojecteerde nieuwe woonzorgcomplex en de dichtst bij gelegen woning aan In de Wolken bedraagt ongeveer 25 meter, die tussen het geprojecteerde nieuwe woonzorgcomplex en de dichtst bij gelegen woning aan Majella ongeveer 40 meter.

2.6.4. Ten behoeve van het plandeel met de bestemming "Woonzorgdoeleinden (WZ)" is een bezonningsstudie uitgevoerd. Aan de hand van de ter plaatse mogelijk te realiseren bebouwing met bouwhoogten van onderscheidenlijk 2, 15 en 18 meter is de schaduwwerking in kaart gebracht. De schaduwwerking is beoordeeld op 21 maart, 21 juni, 21 september en 21 december. Volgens de bevindingen ondervinden de woningen van appellanten vooral in de winter schaduwwerking van de door het plandeel mogelijk gemaakte bebouwing. Appellanten hebben geen zodanige gebreken aan of leemten in deze studie aannemelijk gemaakt, dat geoordeeld moet worden dat het oordeel over het plandeel niet op de bevindingen ervan gebaseerd mocht worden.

2.6.5. Gelet op de hiervoor onder 2.6.2. vermelde voorschriften en de bevindingen van de bezonningsstudie, is aannemelijk dat voor appellanten vanwege de door het plandeel mogelijk gemaakte bebouwing enig verlies van bezonning, uitzicht en privacy zal optreden. Het in beroep aangevoerde geeft evenwel geen grond voor het oordeel dat de gemeenteraad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat dat verlies niet zo ernstig is dat de nieuwbouw hiervoor zou moeten wijken.

Daarbij is met betrekking tot het verlies aan uitzicht en privacy mede van belang dat direct naast de woningen gelegen aan In de Wolken, waar thans laagbouw aanwezig is, slechts tot 2 meter hoog mag worden gebouwd en de balkons aan het op het oostelijke deel gesitueerde L-vormige gebouw met een hoogte 18 meter niet naar de woningen van appellanten georiënteerd zullen zijn.

Voorts heeft de gemeenteraad in aanmerking mogen nemen dat het verlies van bezonning ten opzichte van de bestaande situatie beperkt is.

Dat de gemeenteraad niet bij de door [appellanten sub 1] genoemde TNO-normen voor bezonning heeft aangesloten, levert evenmin grond op voor het oordeel dat de goedkeuring van rechtswege van het plandeel geen stand kan houden. Het in acht nemen van deze normen wordt niet in enige wettelijke regeling voorgeschreven en zij worden evenmin door de gemeenteraad of verweerder als beleidsregels gehanteerd.

2.6.6. Voorts wordt overwogen dat de gemeenteraad de gevolgen van benutting van de maximale mogelijkheden van dit plan niet slechts heeft vergeleken met die van benutting van de maximale mogelijkheden van het vorige plan, doch tevens rekening heeft gehouden met de bestaande situatie en de belangen van de omwonenden. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de goedkeuring van het plandeel in strijd is met artikel 33 van de WRO.

2.7. Appellanten betogen voorts dat met de goedkeuring van het plandeel is miskend dat de voorziene bebouwing niet op de omgeving aansluit en in strijd is met de stedenbouwkundige structuur van de wijk. [appellanten sub 2] betogen voorts dat daarmee is miskend dat de in het plandeel voorziene bebouwing in strijd is met het in de welstandsnota vastgelegde beleid, gericht op behoud van "transparantie".

2.7.1. Het plangebied is gelegen in de wijk Groenelaan. In deze wijk worden vier woonkwadranten en het centrumgebied onderscheiden. Niet in geding is dat de wijkontsluitingsweg Groenelaan en het centrumgebied worden gekenmerkt door gestapelde bouw, onder meer in de vorm van enkele hoge flatgebouwen en torenflats. De overige bebouwing bestaat uit eengezinshuizen en drive-inwoningen. Ook volgens de plankaart zijn in de directe omgeving van het woonzorgcentrum meerdere hoge gebouwen toegestaan.

Mede gelet op de omstandigheid dat in de omgeving van het plandeel gebouwen van gelijke en grotere hoogte voorkomen, geeft het in beroep aangevoerde geen grond voor het oordeel dat de goedkeuring van het plandeel in verband hiermee geen stand kan houden.
2.7.2. Voor zover [appellanten sub 2] betogen dat met de goedkeuring van het plandeel is miskend dat de in het plandeel voorziene bebouwing in strijd is met het in de welstandsnota neergelegde beleid, gericht op behoud van "transparantie", wordt overwogen dat die nota ziet op de beoordeling van aanvragen om bouwvergunning. Aan de nota komt in het kader van de toetsing van het goedkeuringsbesluit niet de betekenis toe die appellanten daaraan toegekend wensen te zien.

2.8. [appellanten sub 2] betogen verder dat met de goedkeuring van het plandeel is miskend dat de bij het zorgcentrum gesitueerde parkeergarage aan In de Wolken tot een verkeersonveilige situatie leidt. In dat kader voeren zij aan dat aan In de Wolken een fietspad naar de polder zal worden gerealiseerd en de ingang van een parkeergarage aan In de Wolken, gegeven de haakse bocht in In de Wolken, voor fietsers tot een verkeersonveilige situatie leidt.

De gemeenteraad heeft zich in de nadere memorie van 2 maart 2007 op het standpunt gesteld dat de afstand tussen de dichtst bij gelegen woning aan In de Wolken en de parkeergarage voldoende is voor een veilige ontsluiting van de parkeergarage met een vrijliggend voet-/fietspad en afschermend groen.

De afstand tussen de parkeergarage en de dichtst bij gelegen woning aan In de Wolken bedraagt ongeveer 25 meter. Gelet hierop, hebben appellanten niet aannemelijk gemaakt dat onvoldoende ruimte bestaat voor een verkeersveilige ontsluiting van de parkeergarage.

2.9. [appellanten sub 1] betogen verder dat met de goedkeuring van het plandeel is miskend dat het door hen gepresenteerde alternatief onvoldoende is onderzocht.

De gemeenteraad stelt zich op het standpunt dat het op basis van het door appellanten voorgestelde alternatief niet mogelijk is een zorginstelling te realiseren met de bestaande capaciteit die voldoet aan de eisen die thans aan een zodanige instelling worden gesteld.

Wat daar echter van zij, het bestaan van alternatieven kan niet tot het oordeel leiden dat de goedkeuring van het plandeel in verband met het aangevoerde geen stand kan houden. Het karakter van de besluitvorming omtrent goedkeuring brengt mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen, indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plan ziet. Deze situatie doet zich in dit geval niet voor. Gelet op hetgeen hierna onder 2.10 wordt overwogen, dient het goedkeuringsbesluit weliswaar te worden vernietigd, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Woonzorgdoeleinden (WZ)" en aan dat plandeel in zoverre goedkeuring te worden onthouden, maar is de reden daarvoor slechts de omvang van het toegestane bebouwingspercentage.

2.10. Verweerder en de gemeenteraad hebben geen verweer gevoerd tegen de beroepsgronden die zich richten tegen de goedkeuring van het op de plankaart aangeduide bebouwingspercentage. Aldus is niet in geschil dat het plandeel met de bestemming "Woonzorgdoeleinden (WZ)" ten onrechte is goedgekeurd. De beroepen van [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] zijn in zoverre gegrond. Het goedkeuringsbesluit dient te worden vernietigd, voor zover goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Woonzorgdoeleinden (WZ)". Nu een beperking van het bebouwingspercentage niet bereikt kan worden door slechts de goedkeuring van het aangeduide bebouwingspercentage te vernietigen en voorts rechtens maar één te nemen beslissing mogelijk is, bestaat aanleiding om, zelf in de zaak voorziend, goedkeuring aan dit plandeel te onthouden.

2.11. [appellant sub 3] voert aan dat met de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Garages (Wg)" ter plaatse van het perceel Turfschip 31 is miskend dat deze garages al sinds 1986 onderscheidenlijk 1991 in gebruik zijn als tandtechnisch laboratorium annex praktijkruimte.

2.11.1. Verweerder en de gemeenteraad hebben geen verweer gevoerd tegen de beroepsgrond die zich richt tegen de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Garages (Wg)" ter plaatse van het perceel Turfschip 31. Aldus is niet in geschil dat het plandeel met de bestemming "Garages (Wg)" ter plaatse van het perceel Turfschip 31 ten onrechte is goedgekeurd. Het beroep van [appellant sub 3] is gegrond. Het goedkeuringsbesluit dient te worden vernietigd, voor zover goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Garages (Wg)" ter plaatse van het perceel Turfschip 31. Nu voorts rechtens maar één te nemen beslissing mogelijk is, bestaat aanleiding om, zelf in de zaak voorziend, goedkeuring aan dit plandeel te onthouden.

2.12. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten van [appellant sub 3] te worden verwezen. Van proceskosten van [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen gegrond;

II. vernietigt de goedkeuring, zoals die geacht wordt te zijn verleend aan:

a. het plandeel met de bestemming "Woonzorgdoeleinden (WZ)" gelegen ten oosten van de Landtong;

b. het plandeel met de bestemming "Garages (Wg)" ter plaatse van het perceel Turfschip 31;

III. onthoudt goedkeuring aan deze plandelen;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de goedkeuring voor zover die is vernietigd;

V. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland tot vergoeding van de bij [appellant sub 3] in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Noord-Holland aan [appellant sub 3] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI. gelast dat de provincie Noord-Holland aan [appellanten sub 1], [appellanten sub 2] en [appellant sub 3], het door hen voor de behandeling van hun beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) ieder vergoedt;

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en mr. G.N. Roes, Leden, in tegenwoordigheid van mr. B.C. Bosnjakovic, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Bosnjakovic
Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 november 2007

410-525.