Uitspraak 200707291/1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2007:446
- Datum uitspraak
- 25 oktober 2007
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 4 oktober 2007 heeft verweerder aan verzoeker een last onder dwangsom opgelegd ten aanzien van de inrichting op het perceel [locatie] te [plaats].
- Voorlopige voorziening
- Milieu - Bestuursdwang / Dwangsom
Toon inhoud
200707291/1.
Datum uitspraak: 25 oktober 2007
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoeker], wonend te [woonplaats], gemeente Heeze-Leende,
en
het college van burgemeester en wethouders van Heeze-Leende,
verweerder.
Openbare zitting gehouden op 25 oktober 2007 om 15:00 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. M. Oosting, Voorzitter
Ambtenaar van Staat: mr. W.G. Timmerman
Verschenen:
Verzoeker, in persoon en bijgestaan door [gemachtigde] en mr. J.A.J.M. van Houtum;
Verweerder, vertegenwoordigd door M.L. Hendrikx, ambtenaar van de gemeente.
1. Procesverloop
Bij besluit van 4 oktober 2007 heeft verweerder aan verzoeker een last onder dwangsom opgelegd ten aanzien van de inrichting op het perceel [locatie] te [plaats].
Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt.
Bij brief van 16 oktober 2007, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op 17 oktober 2007, heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter
I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Heeze-Leende van 4 oktober 2007, kenmerk 139927, tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op het bezwaar, met dien verstande dat indien binnen die termijn wordt verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening, de schorsing doorloopt totdat op het verzoek is beslist;
II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Heeze-Leende tot vergoeding van bij verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 705,97 (zegge: zevenhonderdvijf euro en zevenennegentig cent), waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Heeze-Leende aan verzoeker onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;
III. gelast dat de gemeente Heeze-Leende aan verzoeker het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,00 (zegge: honderdrieënveertig euro) vergoedt.
Daartoe overweegt hij het volgende.
Verzoeker voert als belangrijkste bezwaren aan - samengevat weergegeven - dat verweerder ten onrechte handhavend optreedt en dat, voor zover al handhavend kan worden opgetreden, de gestelde begunstigingstermijn van drie weken te kort is.
Niet in geschil is dat is gehandeld in strijd met artikel 8.1 van de Wet milieubeheer, zodat verweerder terzake handhavend kon optreden.
Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.
De Voorzitter overweegt dat verweerder bij zijn heroverweging van het bestreden besluit ten behoeve van een beslissing op bezwaar zal moeten bezien of op grond van de door verzoeker aangevoerde omstandigheden reden bestaat om van handhavend optreden af te zien. De gestelde begunstigingstermijn kan naar het oordeel van de Voorzitter gezien de omstandigheden zoals ter zitting door verzoeker aangevoerd evenwel geenszins redelijk worden geacht. Hij ziet reden om bij afweging van de betrokken belangen de hierboven vermelde voorlopige voorziening te treffen.
Verweerder dient op bovengenoemde wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
w.g. Oosting w.g. Timmerman
Voorzitter ambtenaar van Staat
431.