Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 200702734/1

Uitspraak 200702734/1

ECLI
ECLI:NL:RVS:2007:BB6339
Datum uitspraak
24 oktober 2007
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 27 februari 2007 heeft verweerder aan appellant een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een melkrundveehouderij gelegen op het perceel [locatie a] te Ede en de aangevraagde vergunning geweigerd voor zover het een paardenhouderij gelegen op het perceel [locatie b] te Ede betreft. Dit besluit is op 8 maart 2007 ter inzage gelegd.
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Vee e.a. dieren

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

200702734/1.
Datum uitspraak: 24 oktober 2007

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Ede,

en

het college van burgemeester en wethouders van Ede,
verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 februari 2007 heeft verweerder aan appellant een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een melkrundveehouderij gelegen op het perceel [locatie a] te Ede en de aangevraagde vergunning geweigerd voor zover het een paardenhouderij gelegen op het perceel [locatie b] te Ede betreft. Dit besluit is op 8 maart 2007 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 18 april 2007, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 15 mei 2007.

Bij brief van 11 juli 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van verweerder. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 oktober 2007, waar verweerder, vertegenwoordigd door ing. G.H. Landeweerd, ambtenaar van de gemeente, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat de bij deze wetten doorgevoerde wetswijzigingen niet van toepassing zijn op het geding.

2.2. Appellant heeft vergunning gevraagd voor een inrichting bestaande uit een melkrundveehouderij en een paardenhouderij. De melkrundveehouderij is gevestigd op het perceel [locatie a] en de paardenhouderij is gevestigd op het perceel [locatie b]. De afstand tussen de melkrundveehouderij en de paardenhouderij bedraagt hemelsbreed ongeveer 700 meter.

2.3. Appellant betoogt in de kern dat verweerder de melkrundveehouderij en de paardenhouderij ten onrechte niet overeenkomstig de aanvraag om vergunning als één inrichting heeft aangemerkt.

2.3.1. Ingevolge artikel 1.1, vierde lid, tweede volzin, van de Wet milieubeheer worden als één inrichting beschouwd de tot eenzelfde onderneming of instelling behorende installaties die onderling technische, organisatorische of functionele bindingen hebben en in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen.

2.3.2. Gezien de afstand tussen de melkrundveehouderij en de paardenhouderij is er geen sprake van installaties die in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen. Reeds hierom kunnen de melkrundveehouderij en de paardenhouderij niet tezamen worden aangemerkt als één inrichting.

2.3.3. Er is een vergunning gevraagd voor één inrichting. Uit het stelsel van de Wet milieubeheer volgt dat het bevoegde gezag dient te beslissen op de aanvraag zoals die is ingediend. Verweerder heeft echter de aanvraag als twee aparte aanvragen voor twee verschillende inrichtingen aangemerkt, en vergunning voor de melkrundveehouderij verleend en voor de paardenhouderij geweigerd. Hiermee heeft hij de grondslag van de aanvraag verlaten.

Nu de inrichting waarvoor een vergunning is aangevraagd niet als één inrichting kan worden aangemerkt is - zoals de Afdeling in de uitspraak van 2 mei 2007 in zaak no. 200607914/1 eerder heeft overwogen - vergunningverlening conform die aanvraag in strijd met artikel 1.1, vierde lid, tweede volzin, van de Wet milieubeheer in samenhang met artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer.

Gelet op het vorenstaande had verweerder de gevraagde vergunning dan ook geheel moeten weigeren.

2.4. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De Afdeling zal op de hierna te melden wijze in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

2.5. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Ede van 27 februari 2007, kenmerk WM/2004-060;

III. weigert de gevraagde vergunning;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Ede tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Ede aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI. gelast dat de gemeente Ede aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Van der Zijpp
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2007

262-517.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon