Uitspraak 200704039/1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2007:1711
- Datum uitspraak
- 21 juni 2007
- Inhoudsindicatie
- 039/1.
- Voorlopige voorziening
- Milieu - Bestuursdwang / Dwangsom
Toon inhoud
200704039/1.
Datum uitspraak: 21 juni 2007
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "VCR Beheer B.V." en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "VCR Import- en Export Handelsmaatschappij B.V.", beiden gevestigd te Ulft, gemeente Oude IJsselstreek,
verzoeksters,
en
het college van gedeputeerde staten van Gelderland,
verweerder.
Openbare zitting gehouden op 21 juni 2007 om 15:00 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Voorzitter
Ambtenaar van Staat: mr. W.G. Timmerman
mr. H.J.J. Kalter
Verschenen:
Verzoeksters, vertegenwoordigd door mr. P.J.G. Poels, advocaat te Nijmegen, bijgestaan door [gemachtigde].
Verweerder, vertegenwoordigd door M.H. Holterman, ambtenaar van de provincie, bijgestaan door A.H. Egging.
======================================
1. Procesverloop
Bij besluit van 25 april 2007 heeft verweerder aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "VCR Import- en Export Handelsmaatschappij B.V." onder meer twee lasten onder dwangsom opgelegd ten aanzien van de inrichting op het perceel Helmkamp 54 te Dinxperlo.
Tegen dit besluit hebben verzoeksters bezwaar gemaakt.
Bij brief van 11 juni 2007, bij de Raad van State op dezelfde dag per fax ingekomen, hebben verzoeksters de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter
I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 25 april 2007, kenmerk MPM9503, voor zover het de lasten onder dwangsom wegens strijd met artikel 8.1 van de Wet milieubeheer en voorschrift 6.4 van de bij besluit van 15 februari 2000 krachtens de Wet milieubeheer verleende vergunning betreft, tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op het bezwaar, met dien verstande dat indien binnen die termijn wordt verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening, de schorsing doorloopt totdat op het verzoek is beslist;
II. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland tot vergoeding van bij verzoeksters in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Gelderland aan verzoeksters onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;
III. gelast dat de provincie Gelderland aan verzoeksters het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 285,00 (zegge: tweehonderdvijfentachtig euro) vergoedt.
Daartoe overweegt hij het volgende.
Verzoeksters betogen dat handhavend optreden niet redelijk is. Zij voeren daartoe onder meer aan dat sprake is van een concreet uitzicht op legalisatie nu verzoekster "VCR Import- en Export Handelsmaatschappij B.V." inmiddels een aanvraag om een revisievergunning krachtens de Wet milieubeheer bij verweerder heeft ingediend.
Niet in geschil is dat is gehandeld in strijd met artikel 8.1 van de Wet milieubeheer en voorschrift 6.4 van de bij besluit van 15 februari 2000 verleende vergunning, zodat verweerder ter zake handhavend kon optreden.
Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.
De Voorzitter stelt vast dat de aanvraag om een revisievergunning na het nemen van het bestreden besluit bij verweerder is ingediend. Verweerder heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat hij zich nog geen oordeel heeft kunnen vormen over de ontvankelijkheid van deze aanvraag, laat staan over de vraag of de gevraagde vergunning kan worden verleend. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting ziet de Voorzitter evenwel geen aanleiding om aan te nemen dat verweerder de aanvraag niet in behandeling zou kunnen nemen. Hij gaat er daarom vanuit dat verweerder in het kader van zijn heroverweging van het bestreden besluit op de grondslag van het bezwaar van verzoeksters, zal bezien of concreet uitzicht op legalisatie bestaat. De Voorzitter ziet gelet hierop en bij afweging van de betrokken belangen, reden de hierboven vermelde voorlopige voorziening te treffen.
Verweerder dient op bovengenoemde wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Timmerman
Voorzitter ambtenaar van Staat
431-492.