Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 200702091/2

Uitspraak 200702091/2

ECLI
ECLI:NL:RVS:2007:BA6450
Datum uitspraak
29 mei 2007
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 20 februari 2007 heeft verweerder aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een agrarisch bedrijf met vleeskuikens en akkerbouw, gelegen aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 28 februari 2007 ter inzage gelegd.
  • Voorlopige voorziening
  • Vee e.a. dieren

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

200702091/2.
Datum uitspraak: 29 mei 2007

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Midden-Drenthe,
verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 februari 2007 heeft verweerder aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een agrarisch bedrijf met vleeskuikens en akkerbouw, gelegen aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 28 februari 2007 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 20 maart 2007, bij de Raad van State ingekomen op 22 maart 2007, beroep ingesteld.
Bij deze brief heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Door vergunninghouder is een nader stuk ingediend. Dit is aan de andere partijen toegezonden.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 16 mei 2007, waar verweerder, vertegenwoordigd door J.H. Abbing, ambtenaar van de gemeente, is verschenen. Verzoeker is niet ter zitting verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Bij de behandeling van het geding in de bodemprocedure zal moeten worden beoordeeld of verzoeker, die blijkens het ter zitting verhandelde op ongeveer 400 meter van de inrichting woont, belanghebbende - en daarmee gezien artikel 20.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer beroepsgerechtigd - is. Nu dit niet geheel kan worden uitgesloten, wordt verzoeker in het kader van de huidige procedure beschouwd als belanghebbende.

2.3. Verzoeker stelt dat het in werking zijn van de inrichting tot onaanvaardbare stankhinder zal leiden.

2.3.1. Verweerder heeft bij de beoordeling van de van de inrichting te duchten stankhinder de Richtlijn veehouderij en stankhinder 1996 (hierna: de Richtlijn) gehanteerd, voor zover het de omrekeningsfactoren naar mestvarkeneenheden en de minimaal aan te houden afstanden betreft. Voor zover het de categorie-indeling betreft, heeft verweerder de brochure Veehouderij en Hinderwet gehanteerd. Bij de beoordeling van de cumulatieve stankhinder heeft hij het rapport "Beoordeling cumulatie stankhinder door intensieve veehouderij" (Publicatiereeks Lucht 46; hierna: het rapport) als uitgangspunt genomen.

2.3.2. De Voorzitter stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting vast dat wordt voldaan aan de in de Richtlijn genoemde afstanden. De Voorzitter ziet verder geen reden om te twijfelen aan het standpunt van verweerder dat wordt voldaan aan de toetsingscriteria van het rapport. Gelet hierop, heeft verweerder zich naar het oordeel van de Voorzitter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het stankaspect geen aanleiding vormt om de vergunning te weigeren dan wel daaraan aanvullende voorschriften te verbinden.

2.4. Gelet op het vorenstaande bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. I. Beurmanjer-de Lange, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Beurmanjer-de Lange
Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2007

241-462.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon