Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 200607236/1

Uitspraak 200607236/1

ECLI
ECLI:NL:RVS:2007:BA4150
Datum uitspraak
2 mei 2007
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 14 augustus 2006 heeft verweerder het verzoek van appellant afgewezen om het besluit van 24 juli 2003 tot instemming op grond van artikel 39, tweede lid, van de Wet bodembescherming met een saneringsplan voor het geval van ernstige bodemverontreiniging ter plaatse van de Delftsewallen te Zoetermeer in te trekken.
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • Bodembescherming

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

200607236/1.
Datum uitspraak: 2 mei 2007

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,
verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 augustus 2006 heeft verweerder het verzoek van appellant afgewezen om het besluit van 24 juli 2003 tot instemming op grond van artikel 39, tweede lid, van de Wet bodembescherming met een saneringsplan voor het geval van ernstige bodemverontreiniging ter plaatse van de Delftsewallen te Zoetermeer in te trekken.

Bij brief van 2 oktober 2006, bij de Raad van State ingekomen op 3 oktober 2006, heeft verweerder het daartegen door appellante gemaakte bezwaar overeenkomstig diens verzoek met toepassing van artikel 7:1a, derde en vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht doorgezonden aan de Afdeling ter behandeling als beroepschrift.

Bij brief van 4 oktober 2006 en bij brief van 5 april 2007 zijn nadere stukken ontvangen van respectievelijk appellant en verweerder. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

Bij brief van 13 november 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 april 2007, waar appellant bijgestaan door drs. J.C.A. Hoenderdos en verweerder, vertegenwoordigd door, mr. M. Blondelle en M. de Boo, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Voor zover het beroep van appellant zich richt op het opnieuw vaststellen van de ernst en urgentie van het onderhavige geval van bodemverontreiniging en op het opstellen en instemmen met een nieuw saneringsplan waarin rekening is gehouden met de inmiddels veranderde bodembeschermingswetgeving, overweegt de Afdeling dat deze aspecten niet zien op het bestreden besluit en derhalve bij de beoordeling daarvan geen rol kunnen spelen. Deze beroepsgronden treffen geen doel.

2.2. Appellant stelt dat gebleken is dat het onderhavige saneringsplan onuitvoerbaar is. Hij acht het onvoldoende gemotiveerd en onzorgvuldig dat verweerder weigert het bestreden besluit in te trekken, nu verweerder zelf aangeeft dat er geen gebruik zal kunnen worden gemaakt van het desbetreffende saneringsplan.

2.2.1. De Afdeling stelt vast dat de Wet bodembescherming niet voorziet in een algemene bevoegdheid om een onherroepelijk besluit tot instemming met een saneringsplan, zoals bedoeld in artikel 39, tweede lid, van deze wet, in te trekken. Ook anderszins bestaat geen wettelijke intrekkingsbevoegdheid van een dergelijk besluit. Gewijzigde feiten en omstandigheden zouden eventueel aanleiding kunnen geven tot het indienen van een nieuw saneringsplan, maar kunnen niet leiden tot het intrekken van de instemming met het oorspronkelijke plan. Verweerder heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat de onderhavige instemming met een saneringsplan niet kon worden ingetrokken. Deze beroepsgrond treft geen doel.

2.3. Het beroep is ongegrond.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Voorzitter, en mr. C.W. Mouton en drs. H. Borstlap, Leden, in tegenwoordigheid van drs. G.K. Klap, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Klap
Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2007

315


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon