Uitspraak 200504700/1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2005:12
- Datum uitspraak
- 7 juni 2005
- Voorlopige voorziening
- Milieu - Bestuursdwang / Dwangsom
Toon inhoud
200504700/1.
Datum uitspraak: 7 juni 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoekers], wonend te [woonplaats],
en
het college van gedeputeerde staten van Groningen,
verweerder.
Bij besluit van 26 mei 2005, kenmerk 2005-11.098a, MTZ, heeft verweerder een verzoek van verzoekers om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen afgewezen met betrekking tot het tijdelijke baggerspeciedepot ten zuiden van Middelstum en ten oosten van het Boterdiep liggend in de gemeente Loppersum, kadastraal bekend gemeente Middelstum, sectie H, nummers 50 (ged.), 278 (ged.), 284, 285, 286 en 287 en sectie A, nummer 50 (ged.).
Tegen dit besluit hebben verzoekers bezwaar gemaakt. Bij brief van 30 mei 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 7 juni 2005, waar verzoekers in persoon en verweerder, vertegenwoordigd door C. Haas, J. Spiegelaar en H.M. Opheikens, allen ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar als partij gehoord het dagelijks bestuur van het waterschap Noorderzijlvest, vertegenwoordigd door mr. J.J. Feunekes en ing. A.R. Wijnstra, gemachtigden.
De Voorzitter heeft het verzoek afgewezen.
Daartoe heeft hij het volgende overwogen.
Vaststaat dat de vergunninghoudster in strijd met voorschrift 3.5.1 van de vergunning van 6 juni 2004, kenmerk 2004-18.336/ 28, MV, met de aanleg van het baggerspeciedepot is begonnen. In zoverre was verweerder dus bevoegd tot het nemen van handhavingsmaatregelen.
Partijen houdt verdeeld de vraag of verweerder niettemin in redelijkheid kon afzien van handhaving.
Ingevolge voorschrift 3.5.1 van de vergunning mag de aanleg van de inrichting uitsluitend plaatsvinden in de periode na 1 augustus en voor 15 maart. Niet in geschil is dat voorschrift 3.5.1 van de vergunning ertoe strekt weidevogels gedurende het broedseizoen te beschermen.
Ter zitting is gebleken dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, wat daar ook de oorzaak van moge zijn, geen broedende weidevogels op het onderhavige terrein aanwezig waren en dat het terrein thans niet meer voor nestelende weidevogels geschikt is. De Voorzitter overweegt dat het toepassen van bestuursdwang en het opleggen van een last onder dwangsom herstelsancties betreffen. Deze strekken tot het ongedaan maken van een overtreding met onder meer het doel het wegnemen van de gevolgen van de overtreding. Dit in aanmerking nemende, is de Voorzitter van oordeel dat het toepassen van dergelijke herstelsancties, gelet op de strekking van voorschrift 3.5.1, redelijkerwijs geen doel meer treft. Verweerder heeft daarom op goede gronden van handhaven afgezien.
De Voorzitter ziet dan ook, bij afweging van de betrokken belangen, onvoldoende aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Uitgesproken in het openbaar overeenkomstig artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht door mr. W. Konijnenbelt, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van Staat.
w.g. Konijnenbelt w.g. Drouen
Voorzitter ambtenaar van Staat
375.