Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 200405207/1

Uitspraak 200405207/1

ECLI
ECLI:NL:RVS:2005:18
Datum uitspraak
13 april 2005
Inhoudsindicatie
Bij koninklijk besluit van 29 maart 2002 is het koninklijk besluit van 23 december 1998, waarbij aan appellant het Nederlanderschap is verleend, ingetrokken.
  • Hoger beroep
  • Nederlanderschap

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

200405207/1.
Datum uitspraak: 11 april 2005

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats]

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 14 mei 2004 in het geding tussen:

appellant,

en

de Kroon, vertegenwoordigd door de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.

1. Procesverloop

Bij koninklijk besluit van 29 maart 2002 is het koninklijk besluit van 23 december 1998, waarbij aan appellant het Nederlanderschap is verleend, ingetrokken.

Bij koninklijk besluit van 24 december 2002 is het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 14 mei 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 juni 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 24 augustus 2004 heeft de Kroon van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 maart 2005, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. L. Sinoo, advocaat te Utrecht, en de Kroon, vertegenwoordigd door mr. G.M.H. Hoogvliet, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van het Europees Verdrag inzake nationaliteit (hierna: het EVN) mag een Staat die Partij is in zijn nationale wetgeving niet voorzien in het verlies van zijn nationaliteit van rechtswege of op initiatief van een Staat die Partij is, behoudens in het geval van verkrijging van de nationaliteit van een Staat die Partij is, door middel van aan de aanvrager toe te schrijven bedrieglijk gedrag, valse informatie of verzwijging van enig relevant feit.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) gaat voor een meerderjarige het Nederlanderschap verloren door intrekking van het besluit waarbij het Nederlanderschap is verleend, welke intrekking kan plaatsvinden indien de betrokkene heeft nagelaten na de totstandkoming van zijn naturalisatie al het mogelijke te doen om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen.

In de uitspraak van 25 augustus 2004 in zaak no. 200308548/1 (JV 2004/404), heeft de Afdeling overwogen dat, gelet op artikel 7 van het EVN en de daarop gegeven toelichting, artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d, van de RWN aldus dient te worden gelezen dat de verleende nationaliteit kan worden ingetrokken, indien betrokkene, in strijd met een door hem ondertekende verklaring, opzettelijk zijn oorspronkelijke nationaliteit niet heeft opgegeven.

2.2. Allereerst stelt appellant dat de rechtbank eraan voorbij is gegaan dat hem niet duidelijk was wat van hem werd verlangd, nu hij in de veronderstelling verkeerde dat hij reeds afstand had gedaan van zijn oorspronkelijke nationaliteit.

Bij het indienen van zijn verzoek van 30 oktober 1998 om toekenning van het Nederlanderschap heeft appellant zich bereid verklaard:

"… op de eerste aanvraag van de Staatssecretaris van Justitie stappen te doen die er toe leiden, dat de nationaliteit(en) die hij momenteel bezit, wordt(en) verloren …".

Na de verlening van het Nederlanderschap aan appellant op 23 december 1998 is hem meermalen schriftelijk verzocht om toezending van een originele verklaring van de autoriteiten van zijn land van herkomst, waaruit blijkt dat hij afstand heeft gedaan van zijn oorspronkelijke nationaliteit dan wel toezending van een bewijs dat die autoriteiten een verzoek tot afstand hebben ontvangen. Daarbij is appellant er steeds op gewezen dat het nalaten daarvan zou leiden tot intrekking van het Nederlanderschap. Appellant heeft hierop jarenlang niet gereageerd. Eerst na de intrekking van het Nederlanderschap op 29 maart 2002 heeft hij in bezwaar een verklaring overgelegd van de autoriteiten van zijn land van herkomst, waaruit blijkt dat zijn [nationaliteit] reisdocument is vernietigd en ongeldig verklaard. Appellant kon weten dat die verklaring onvoldoende was, nu hem tijdens het horen in bezwaar te kennen was gegeven dat uit die vernietiging en ongeldigverklaring niet kon blijken dat hij afstand had gedaan van de [nationaliteit]. Gelet op het vorenoverwogene moet worden geoordeeld dat appellant in strijd met de door hem ondertekende verklaring opzettelijk niet al het mogelijke heeft gedaan om zijn oorspronkelijke nationaliteit op te geven.

2.3. Ten tweede stelt appellant dat de rechtbank, door te overwegen dat de Kroon in redelijkheid het door de overheid te behartigen belang heeft kunnen stellen boven het belang van appellant bij het behoud van de Nederlandse nationaliteit, het belang van appellant heeft miskend. Appellant kan hierin niet worden gevolgd. Immers, aan de enkele omstandigheid dat appellant al geruime tijd hier te lande verblijft en stelt geen banden meer te hebben met het land van herkomst, behoefde de Kroon geen doorslaggevende betekenis toe te kennen, temeer nu de stelling van appellant dat hij altijd bereid is geweest afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit en hiertoe al het mogelijke heeft gedaan, gelet op het onder 2.2.2. overwogene niet door de feiten wordt gestaafd.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, Voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. J.H. van Kreveld, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.S.D. Ramrattansing, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Wagtendonk w.g. Ramrattansing
Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 april 2005

408.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon