Uitspraak 200410313/2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2005:AS5489
- Datum uitspraak
- 3 februari 2005
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 19 oktober 2004, kenmerk 71/2004, heeft verweerder met toepassing van artikel 8.23, eerste lid, van de Wet milieubeheer aan de bij besluit van 25 mei 1981 en 17 september 1985 verleende vergunningen aanvullende voorschriften verbonden. Dit besluit is op 11 november 2004 ter inzage gelegd.
- Voorlopige voorziening
- Milieu - Overige
Toon inhoud
200410313/2.
Datum uitspraak: 3 februari 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoeker], wonend te [woonplaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van Valkenswaard,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 19 oktober 2004, kenmerk 71/2004, heeft verweerder met toepassing van artikel 8.23, eerste lid, van de Wet milieubeheer aan de bij besluit van 25 mei 1981 en 17 september 1985 verleende vergunningen aanvullende voorschriften verbonden. Dit besluit is op 11 november 2004 ter inzage gelegd.
Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 17 december 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 3 januari 2005.
Bij eerstgenoemde brief heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 25 januari 2005, waar verzoeker in persoon, bijgestaan door drs. H.E. Winkelman en H. Sewalt, gemachtigden, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. G.M. van den Boom, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2. Ter zitting heeft verzoeker zijn verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken wat de opslag van zwart kruit en NC-kruit betreft.
2.3. Verzoeker heeft bezwaar tegen voorschrift C.1 voorzover hierin is bepaald dat de afdekking van de schietinrichting dient te worden afgewerkt met een staalplaat van ten minste 9 mm dikte. Hij voert aan dat het voorschrift in zoverre niet nodig is ter bescherming van het milieu.
Ter zitting heeft verweerder te kennen gegeven bij overtreding van het voorschrift te zullen afzien van het toepassen van bestuurlijke handhavingsmiddelen totdat in de bodemprocedure op het beroep is beslist.
Gelet op het voorgaande bestaat geen onverwijlde spoed die vergt dat een voorlopige voorziening wordt getroffen in afwachting van de behandeling van het geding in de bodemprocedure. De Voorzitter ziet daarom aanleiding het verzoek in zoverre af te wijzen.
2.4. Verzoeker voert aan dat voorschrift C.4 niet nodig is ter bescherming van het milieu, nu bij het schieten met halfmantel of mantelloze munitie een minder veilige situatie ontstaat op de schietbaan dan bij het schieten met volmantel munitie.
Of voorschrift C.4, waarin is bepaald dat er alleen mag worden geschoten met halfmantel of mantelloze munitie, in dit geval nodig is ter bescherming van het milieu, vergt naar het oordeel van de Voorzitter een nader onderzoek. In het kader van de onderhavige procedure kan dit niet worden beantwoord.
In afwachting van dit onderzoek stelt de Voorzitter vast dat tegenover het belang van verweerder het belang van verzoeker staat om tot aan de uitspraak in de hoofdzaak geen extra kosten te hoeven maken. Nu verweerder vooralsnog niet heeft aangetoond dat voorschrift C.4 nodig is ter bescherming van het milieu dient deze belangenafweging naar het oordeel van de Voorzitter uit te vallen in het voordeel van verzoeker. In zoverre ziet de Voorzitter dan ook aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.
2.5. Gelet hierop ziet de Voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.
2.6. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Valkenswaard van 19 oktober 2004, kenmerk 71/2004, voorzover het voorschrift C.4 betreft;
II. wijst het verzoek voor het overige af;
III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Valkenswaard in de door verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 678,07, waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het totale bedrag dient door de gemeente Valkenswaard te worden betaald aan verzoeker;
IV. gelast dat de gemeente Valkenswaard aan verzoeker het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht (€ 136,00) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.M. Leurs, ambtenaar van Staat.
w.g. Konijnenbelt w.g. Leurs
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2005
372.