Uitspraak 200404207/1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2004:AP3260
- Datum uitspraak
- 15 juni 2004
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 21 april 2004 heeft verweerder aan verzoekster een last onder dwangsom opgelegd per week dat na het verstrijken van een maand na dagtekening van dit besluit de ondergrondse tanks in gebruik zijn zonder dat ze zijn goedgekeurd en dat de afleverpunten in gebruik zijn in strijd met de voorschriften uit het Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen op het perceel [locatie] te [plaats].
- Voorlopige voorziening
- Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
Toon inhoud
200404207/1.
Datum uitspraak: 15 juni 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoekster], gevestigd te [plaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van Zwolle,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 21 april 2004 heeft verweerder aan verzoekster een last onder dwangsom opgelegd per week dat na het verstrijken van een maand na dagtekening van dit besluit de ondergrondse tanks in gebruik zijn zonder dat ze zijn goedgekeurd en dat de afleverpunten in gebruik zijn in strijd met de voorschriften uit het Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen op het perceel [locatie] te [plaats].
Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt. Bij brief van 19 mei 2004, bij de Raad van State ingekomen op 21 mei 2004, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 1 juni 2004, waar verzoekster, vertegenwoordigd door mr. A.A. Robbers, advocaat te Apeldoorn, en verweerder, vertegenwoordigd door F.H. de Vries en M. van Sprang, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Verzoekster voert aan dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot het opleggen van een last onder dwangsom gebruik heeft kunnen maken. Daartoe voert zij onder meer aan dat er (indirect) overleg plaatsvindt met de gemeente over de verplaatsing van het tankstation. Voorts betoogt verzoekster dat het lange tijd onduidelijk is geweest of het tankstation verplaatst zou moeten worden in verband met de aanleg van een nieuwe rondweg. Gelet op deze omstandigheden had verweerder haar een redelijke termijn moeten gunnen om het tankstation te verplaatsen zodat bestuursrechtelijk optreden achterwege had kunnen blijven.
2.1.1. Niet in geschil is dat verzoekster op de [locatie] gedurende lange tijd ongekeurde tanks en afleverpunten in gebruik heeft in strijd met het bepaalde in het Besluit opslaan in ondergrondse tanks en het Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer. Verweerder was derhalve bevoegd om handhavend op te treden.
2.1.2. Ten aanzien van de vraag of verweerder bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken, overweegt de Voorzitter het volgende.
Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting is niet te verwachten dat de illegale situatie op korte termijn zal worden beëindigd. Ook verder ziet de Voorzitter, met name gelet op de risico’s van bodemverontreiniging, geen grond voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid het belang bij het beëindigen van de illegale situatie heeft kunnen laten prevaleren boven het (financiële) belang van verzoekster bij het voortduren daarvan.
2.2. Gelet hierop ziet de Voorzitter aanleiding het verzoek af te wijzen.
2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. H. Beekhuis, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.L.D. Trippert-van Gemeren, ambtenaar van Staat.
w.g. Beekhuis w.g. Trippert-van Gemeren
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2004
289.