Uitspraak 200305877/1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2004:21
- Datum uitspraak
- 3 maart 2004
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 12 februari 2002 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een verzoek van [verzoeker] (hierna: de vreemdeling) om verlening van het Nederlanderschap afgewezen.
- Hoger beroep
- Hoger Beroep - Overige
Toon inhoud
200305877/1.
Datum uitspraak: 1 maart 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 17 juli 2003 in het geding tussen:
[verzoeker], wonend te [woonplaats]
en
appellant.
1. Procesverloop
Bij besluit van 12 februari 2002 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een verzoek van [verzoeker] (hierna: de vreemdeling) om verlening van het Nederlanderschap afgewezen.
Bij besluit van 27 juni 2002 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 17 juli 2003, verzonden op 22 juli 2003, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat appellant (hierna: de minister) binnen zes weken een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 september 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 3 september 2003. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 14 september 2003 heeft de vreemdeling van antwoord gediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 januari 2004, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. M.M. van Asperen, advocaat te Den Haag, en de vreemdeling, bijgestaan door mr. M.H.P.G. Wiertz, advocaat te Zeist, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. De staatssecretaris heeft het naturalisatieverzoek van de vreemdeling afgewezen op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de Rijkswet).
Ingevolge die bepaling wordt een verzoek van een vreemdeling die voldoet aan de bepalingen van de beide voorgaande artikelen niettemin afgewezen, indien op grond van het gedrag van de verzoeker ernstige vermoedens bestaan dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden, de volksgezondheid of de veiligheid van het Koninkrijk.
Bij de toepassing van die maatstaf hanteert de staatssecretaris de Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap 1999 (hierna: de Handleiding).
Blijkens de Handleiding, voorzover thans van belang, mag een verzoeker om naturalisatie in de periode van vier jaar voorafgaande aan het verzoek of de beslissing daarop (de zogenaamde rehabilitatietermijn) niet onderworpen zijn geweest aan sanctionering ter zake van een misdrijf of aan de gevolgen daarvan. Daarbij geldt dat iedere vrijheidsbenemende straf of maatregel en iedere taakstraf (werk- of leerstraf) leidt tot afwijzing van het verzoek. Daarbij is niet van belang of er na het opleggen van de sanctie geheel of gedeeltelijk, of voorwaardelijk of onvoorwaardelijk, gratie is verleend. Indien slechts een gedeelte van de straf door gratie is kwijtgescholden, zal het niet kwijtgescholden gedeelte ten uitvoer worden gelegd. In dat geval vangt de termijn van vier jaar volgens de hoofdregel aan op de laatste dag van de datum waarop de straf is voltooid.
2.2. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 27 juni 2002 gegrond verklaard, omdat het Gerechtshof te Amsterdam in zijn arrest van 11 maart 1996 heeft bepaald dat de vervolging en berechting van de vreemdeling niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM). De staatssecretaris heeft zich volgens de rechtbank, gelet hierop, niet op het standpunt kunnen stellen dat de periode, gelegen tussen het plegen van het strafbare feit en de aanvang van de tenuitvoerlegging van de straf, niet als bijzonder lang kan worden aangemerkt.
2.3. In hoger beroep betoogt de minister dat de enkele vaststelling door het Gerechtshof, dat de vervolging en berechting van de vreemdeling niet binnen een redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM heeft plaatsgevonden, niet zonder meer betekent dat sprake is van een zodanig lange termijn dat van de richtlijnen in de Handleiding had moeten worden afgeweken. De procedure bij het Gerechtshof was niet zodanig lang dat die periode aanleiding had behoren te geven de veroordeling niet aan de vreemdeling tegen te werpen, nu de periode gelegen tussen het plegen van het feit op 6 december 1990 en de veroordeling door het Gerechthof op 11 maart 1996 voor een groot deel is te wijten aan de wijze van procederen door de vreemdeling, aldus de minister.
2.4. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 8 juli 1996, zaak no. H01.95.0441 (RV 1996, 48), mag de staatssecretaris het in de Handleiding neergelegde beleid betreffende de toepassing van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rijkswet als zodanig hanteren, doch dient hij rekening te houden met omstandigheden in verband waarmee slechts tot een juiste wetstoepassing kan worden gekomen, indien van dat beleid wordt afgeweken.
Daarvan kan sprake zijn (uitspraak van de Afdeling van 17 april 2001 in zaak no. 200001139/1, JV 2001/164), indien de periode tussen het tegengeworpen strafbare feit en de tenuitvoerlegging van de deswege opgelegde vrijheidsstraf als bijzonder lang moet worden aangemerkt.
Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 16 oktober 1998 in zaak no. H01.97.1515 (JV 1998/203) wordt in dat verband aansluiting gezocht bij de jurisprudentie van het Europese Hof voor de rechten van de mens en de Hoge Raad met betrekking tot de “redelijke termijn” in de zin van artikel 6, eerste lid, van het EVRM en de daar ontwikkelde criteria voor de beoordeling van de redelijke termijn, zoals het processuele gedrag van de betrokkene, de ingewikkeldheid van de zaak en de wijze waarop, dan wel de voortvarendheid waarmee de zaak door het Openbaar Ministerie respectievelijk de rechter is behandeld.
Indien de periode tussen het (laatstelijk) gepleegde feit en de onherroepelijke veroordeling naar objectieve maatstaven als lang moet worden aangemerkt, ligt het op de weg van het bestuursorgaan, teneinde te kunnen vaststellen of zich dergelijke omstandigheden hebben voorgedaan, daarnaar onderzoek te doen, bijvoorbeeld in de vorm van het (nader) bestuderen van het strafdossier.
2.5. Het is, gelet op het vorenstaande, aan de staatssecretaris om te beoordelen of de periode tussen het (laatstelijk) gepleegde feit en de onherroepelijke veroordeling als bijzonder lang moet worden aangemerkt. In het feit dat het Gerechthof in zijn arrest heeft overwogen dat de duur van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is geschonden, heeft de staatssecretaris derhalve niet reeds aanleiding hoeven zien om af te wijken van de richtlijnen van de Handleiding.
2.6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, overweegt de Afdeling het volgende.
2.7. De staatssecretaris heeft zich in het bestreden besluit niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het tijdsverloop in de strafzaak voor rekening van de vreemdeling dient te komen. Daarbij heeft de staatssecretaris van belang mogen achten dat het tijdsverloop tussen het plegen van het strafbare feit en de veroordeling door de politierechter en het tijdsverloop tussen het instellen van het hoger beroep tegen die veroordeling en het arrest van het Gerechtshof voor een niet onaanzienlijk deel is te wijten aan het door deze instanties op verzoek van de vreemdeling horen van getuigen. Evenzeer heeft de staatssecretaris van belang mogen achten dat de vreemdeling in drie instanties heeft geprocedeerd en een gratieverzoek heeft ingediend, waardoor de tenuitvoerlegging van de opgelegde straf werd opgeschort.
De staatssecretaris heeft derhalve de omstandigheid dat sinds de voltooiing van de aan de vreemdeling opgelegde straf nog geen vier jaren zijn verlopen aan zijn afwijzing van het verzoek ten grondslag mogen leggen en heeft de bezwaren hiertegen terecht ongegrond verklaard.
2.8. Nu de bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden, gelet op het vorenstaande, geen aanleiding geven tot een ander oordeel, zal de Afdeling het inleidende beroep alsnog ongegrond verklaren.
2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank te Utrecht van 17 juli 2003 in zaak SBR 02/1841;
III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, Voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. H.G. Lubberdink, Leden, in tegenwoordigheid van mr. E.J.J.M. van Tielraden, ambtenaar van Staat.
w.g. Van Wagtendonk w.g. Van Tielraden
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2004
156-345.