Uitspraak 202502791/1/A2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:6497
- Datum uitspraak
- 4 november 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 31 mei 2023 heeft de minister van Financiën de aanvraag van [appelante] om compensatie voor een afgeloste geldschuld afgewezen. Bij besluit van 13 februari 2024 heeft de minister het door [appelante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit betreft een schuld van € 1.451,89 aan Tinka inzake Wehkamp en een ING studentenlening ter hoogte van € 2.623,69. Het beroep met het zaaknummer 24/1806 ziet op deze schuld. Deze uitspraak gaat over besluiten op grond van de regeling voor overneming en betaling van private schulden die is opgenomen in de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Het overnemen van private schulden werd namens de Belastingdienst/Toeslagen uitgevoerd. Dat gebeurt nu door de minister, waarbij in de primaire fase dit wordt uitgevoerd door de uitvoeringsorganisatie Sociale Banken Nederland (SBN). [appelante] is een gedupeerde ouder van de toeslagenaffaire. Zij heeft, op basis van de zogenoemde Catshuisregeling een bedrag van € 30.000,00 ontvangen. [appelante] heeft verzocht om compensatie voor een aantal al afgeloste private schulden.
- Hoger beroep
- Geld
Toon inhoud
202502791/1/A2.
Datum uitspraak: 4 november 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appelante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 3 april 2025 in zaken nrs. 24/1513, 24/1607, 24/1608 en 24/1806 in het geding tussen:
[appelante]
en
de minister van Financiën.
Procesverloop
Bij besluit van 31 mei 2023 heeft de minister de aanvraag van [appelante] om compensatie voor een afgeloste geldschuld afgewezen. Bij besluit van 13 februari 2024 heeft de minister het door [appelante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit betreft een schuld van € 1.451,89 aan Tinka inzake Wehkamp en een ING studentenlening ter hoogte van € 2.623,69. Het beroep met het zaaknummer 24/1806 ziet op deze schuld.
Bij besluit van 17 mei 2023 heeft de minister de aanvraag van [appelante] om compensatie voor een afgeloste geldschuld gedeeltelijk afgewezen. Bij besluit van 5 februari 2024 heeft de minister het door [appelante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit betreft een schuld van € 668,98 aan Ellen BSO Thialf Arnhem. Het beroep met zaaknummer 24/1607 ziet op deze schuld.
Bij besluit van 24 mei 2023 heeft de minister de aanvraag van [appelante] om compensatie voor een afgeloste geldschuld afgewezen. Bij besluit van 5 februari 2024 heeft de minister het door [appelante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit betreft een schuld van € 76,32 aan Menzis Zorgverzekeraar N.V. (Menzis). Het beroep met zaaknummer 24/1608 ziet op deze schuld.
Bij besluit van 15 maart 2023 heeft de minister de aanvraag van [appelante] om compensatie voor een afgeloste geldschuld afgewezen. Bij besluit van 30 januari 2024 heeft de minister het door [appelante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit betreffen schulden aan GGN inzake Menzis van € 309,49, € 309,45 en € 888,64, een schuld aan Menzis van € 129,77 en een schuld aan Infoscore inzake Zalando van € 112,87, en een schuld aan Vitens van € 269,96. Het beroep met zaaknummer 24/1513 ziet op deze schulden.
Bij uitspraak van 3 april 2025 heeft de rechtbank de door [appelante] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appelante] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 september 2026, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. S.N. Ishak en mr. A.R. Kandhai, is verschenen.
Overwegingen
1. Deze uitspraak gaat over besluiten op grond van de regeling voor overneming en betaling van private schulden die is opgenomen in de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Het overnemen van private schulden werd namens de Belastingdienst/Toeslagen uitgevoerd. Dat gebeurt nu door de minister, waarbij in de primaire fase dit wordt uitgevoerd door de uitvoeringsorganisatie Sociale Banken Nederland (SBN). In de uitspraak wordt het bestuursorgaan verder aangeduid met minister.
2. [appelante] is een gedupeerde ouder van de toeslagenaffaire. Zij heeft, op basis van de zogenoemde Catshuisregeling, op 9 maart 2021 een bedrag van € 30.000,00 ontvangen. [appelante] heeft verzocht om compensatie voor een aantal al afgeloste private schulden, zoals bedoeld in artikel 4.3 van de Wht. Dit artikel houdt kort gezegd en voor zover relevant in dat een private schuld die is betaald na ontvangst van een bedrag op grond van een herstelmaatregel (zoals bedoeld in artikel 2.7 van de Wht, bijvoorbeeld de toekenning van een geldbedrag als bedoeld in artikel 2.1 van de Wht) in aanmerking komt voor vergoeding, als deze afgeloste schuld wanneer deze niet was voldaan, op grond van de Wht zou zijn overgenomen. Artikel 4.1. van de Wht bepaalt welke private schulden op grond van de Wht worden overgenomen. Aan de in die bepaling opgenomen voorwaarden moet dus ook zijn voldaan. Die voorwaarden houden kort gezegd in dat private schulden worden overgenomen als zij zijn ontstaan na 31 december 2005 en vóór 1 juni 2021 opeisbaar waren.
3. De minister heeft bij separate besluiten van 15 maart 2023, 17 mei 2023, 24 mei 2023 en 31 mei 2023 de aanvragen gedeeltelijk afgewezen. De minister heeft bij separate besluiten van 30 januari 2024, 5 februari 2024 en 13 februari 2024 de daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
De minister heeft compensatie van de schuld van € 1.451,89 aan Tinka inzake Wehkamp geweigerd, omdat deze niet opeisbaar is geworden vóór 1 juni 2021. Bovendien is een gedeelte van de schuld afgelost vóór ontvangst van het bedrag van € 30.000,00. De minister heeft compensatie van een schuld van € 2.623,69 aan ING geweigerd omdat de schuld niet opeisbaar is geworden vóór 1 juni 2021.
De minister heeft compensatie van een schuld van € 668,98 aan Ellen BSO Thialf Arnhem afgewezen, omdat niet is gebleken dat deze schuld opeisbaar is geworden vóór 1 juni 2021. Bovendien is een gedeelte van de schuld afgelost vóór ontvangst van het bedrag van € 30.000,00.
De minister heeft compensatie van een schuld van € 76,32 aan Menzis Zorgverzekeraar N.V. (Menzis) tevens afgewezen, omdat de schuld niet opeisbaar is geworden vóór 1 juni 2021.
De minister heeft compensatie van een schuld van € 309,49 aan GGN inzake Menzis afgewezen, omdat de schuld is afgelost vóór ontvangst van het bedrag van € 30.000,00. De schuld van € 309,45 aan GGN inzake Menzis betreft dezelfde schuld. Ook de schuld van € 129,77 aan Menzis is afgelost vóór ontvangst van het bedrag van € 30.000,00. Dat geldt ook voor de schuld van € 112,87 aan Infoscore inzake Zalando. De minister heeft compensatie van een schuld van € 888,64 aan GGN inzake Menzis afgewezen, omdat de schuld niet is ontstaan of opeisbaar is geworden tussen 1 januari 2006 en 1 juni 2021. De minister heeft compensatie van een schuld van € 138,65 aan Vitens geweigerd, omdat de schuld niet is afgelost van het bedrag van € 30.000,00.
Uitspraak van de rechtbank
4. De rechtbank heeft geoordeeld dat [appelante] met een enkele verwijzing naar de gronden in bezwaar onvoldoende uiteengezet heeft op welke punten de besluiten op bezwaar volgens haar onjuist zijn en waarom. Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister in de besluiten en verweerschriften voldoende heeft gemotiveerd dat de door [appelante] ingediende schulden niet voldoen aan de voorwaarden die zijn opgenomen in hoofdstuk 4 van de Wht.
Hoger beroep
5. De minister heeft zich op de zitting bij de Afdeling op het standpunt gesteld dat het hoger beroep gegrond is, omdat de minister met het besluit van 5 februari 2024 ten onrechte is gebleven bij zijn afwijzing van compensatie van een al afgeloste schuld van € 668,98 aan Ellen BSO Thialf Arnhem. De minister heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat een bedrag van € 418,98 wel voldoet aan de regeling voor compensatie van private schulden, omdat deze schuld wel opeisbaar was vóór 1 juni 2021, en dit gedeelte van de schuld betaald is na de ontvangst van compensatie op 9 maart 2021. De schuld betreft het beroep met zaaknummer 24/1607.
Het hoger beroep slaagt in zoverre.
6. [appelante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de minister een te restrictieve uitleg van de Wht hanteert. De rechtbank heeft volgens haar niet geoordeeld overeenkomstig de doelstelling en de bewoording van de Wht. Artikel 4.1 van de Wht beoogt een ruimhartige compensatie voor gedupeerde ouders, terwijl artikel 4.3 van de Wht expliciet bepaalt dat schulden die uit de toeslagenaffaire voortvloeien onder de regeling voor overname en compensatie van private schulden vallen.
6.1. De Afdeling volgt [appelante] niet in haar standpunt dat de minister niet handelt in lijn met het doel van de Wht. Anders dan [appelante] betoogt, volgt uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Wht niet dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om schulden te compenseren voor zover deze verband houden met de toeslagenaffaire. De wetgever heeft nadrukkelijk alleen opeisbare schulden of achterstanden onder de regeling willen brengen. Bovendien vallen schulden die ouders al hebben betaald in principe niet onder de regeling, tenzij deze zouden hebben voldaan aan de vereisten voor overname, maar zijn afgelost van een herstelbedrag (zie nader: de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:456, onder 6.5).
6.2. De Afdeling volgt [appelante] ook niet voorzover zij betoogt dat de door de minister gehanteerde weigeringsgronden niet in overeenstemming zijn met de bewoording van de Wht. Zoals hiervoor is overwogen, volgt uit artikel 4.1 en 4.3 van de Wht dat aan de overname en compensatie van schulden voorwaarden zijn verbonden. De minister heeft, in lijn met de artikelen 4.1 en 4.3 van de Wht, compensatie van de afgeloste schulden geweigerd omdat de schulden niet zijn afgelost van een bedrag dat [appelante] als herstelmaatregel heeft ontvangen, dan wel omdat de schuld niet in de referentieperiode is ontstaan of opeisbaar was.
Het betoog slaagt niet.
7. Voor zover [appelante] zich op het standpunt stelt dat zij de bezwaarschriften en beroepschriften herhaalt en inlast, overweegt de Afdeling dat uit het in algemene zin herhalen en inlassen van bezwaar- en beroepsgronden niet kan worden afgeleid waarom [appelante] van oordeel is dat de aangevallen uitspraak onjuist is. De Afdeling ziet hierin geen aanleiding hierin om de uitspraak van de rechtbank verder te vernietigen (vergelijk: de uitspraak van de Afdeling van 22 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4323, onder 4.1).
Conclusie
8. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover zij het beroep met het zaaknummer 24/1607 ongegrond heeft verklaard. De Afdeling zal dit beroep alsnog gegrond verklaren, en het besluit van 5 februari 2024 met het kenmerk DGH-BOB-BABS0155 vernietigen. De Afdeling zal zelf in de zaak voorzien. Het besluit van 17 mei 2023 met het kenmerk SBN ABS 455241910T236002A zal worden herroepen, voor zover daarin de schuld aan Ellen BSO Thialf Arnhem voor een bedrag van € 418,98 niet is gecompenseerd. De Afdeling zal bepalen dat deze uitspraak in plaats treedt van het vernietigde besluit. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige.
9. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 3 april 2025 in zaaknummer 24/1607;
III. bevestigt de uitspraak voor het overige;
IV. verklaart het beroep van [appelante] tegen het besluit van 5 februari 2024 met het kenmerk DGH-BOB-BABS0155 gegrond;
V. vernietigt dat besluit van 5 februari 2024;
VI. herroept het besluit van 17 mei 2023, met het kenmerk SBN ABS 455241910T236002A, voor zover de Belastingdienst/Toeslagen daarin heeft besloten om een deel van de schuld aan Ellen BSO Thialf Arnhem niet te compenseren;
VII. wijst de aanvraag van [appelante] om compensatie van de schuld aan Ellen BSO Thialf Arnhem in zoverre toe tot een bedrag van € 418,98;
VIII. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
IX. veroordeelt de minister van Financiën tot vergoeding van bij [appelante] in verband met de behandeling van het bezwaar, beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.200, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand;
X. gelast dat de minister van Financiën aan [appelante] het door haar voor de behandeling van het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrag van € 194,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. H. Benek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.S. de Jong, griffier.
w.g. Benek
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. De Jong
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 november 2026
1014