Uitspraak BRS.26.004975
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:6271
- Datum uitspraak
- 29 oktober 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 2 september 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in vreemdelingenbewaring gesteld.
- Hoger beroep
- Bewaring
Toon inhoud
BRS.26.004975
ECLI:NL:RVS:2026:6271
Datum uitspraak: 29 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 16 september 2026 in zaak nr. NL26.51535 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 2 september 2026 heeft de minister appellant in vreemdelingenbewaring gesteld.
Bij uitspraak van 16 september 2026 heeft de rechtbank het met een kennisgeving daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. J.S. Dobosz, advocaat in Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het geconstateerde gebrek geen aanleiding geeft voor een proceskostenveroordeling. Anders dan appellant betoogt, is een schending van het recht op consulaire bijstand geen gebrek in het voortraject van de vreemdelingenbewaring dat aanleiding geeft tot een proceskostenveroordeling, indien het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring niettemin ongegrond wordt verklaard. De Afdeling verwijst ter vergelijking op haar uitspraken van 12 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:106, en van 19 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4358, onder 24.2.
1.1. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook zijn in deze zaak geen vragen aan de orde over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punten 24 en 31).
2. De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de vreemdelingenbewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier.
w.g. Soffers
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Vos
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2026
644-1219