Uitspraak BRS.26.005105
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:6367
- Datum uitspraak
- 30 oktober 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 12 augustus 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel te verlenen, niet in behandeling genomen.
- Voorlopige voorziening
- Asiel
Toon inhoud
BRS.26.005105 en BRS.26.005108
ECLI:NL:RVS:2026:6367
Datum uitspraak: 30 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 14 september 2026 in zaak nr. NL26.47449 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 12 augustus 2026 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 14 september 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. F. Khodajoo-Aziz Maleki, advocaat in Alkmaar, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Appellant betoogt dat de rechtbank had moeten beoordelen of zijn beroep op de eenheid van het gezin en het belang van het ongeboren kind valt onder de draagwijdte van artikel 43, eerste lid, onder a en b, van de Asiel- en migratiebeheerverordening (Amb-verordening). Als appellant gescheiden van zijn gezin wordt overgedragen aan Duitsland, kan dat volgens hem namelijk leiden tot een schending van artikel 4 van het EU Handvest. Appellant heeft echter, ook in hoger beroep, geen concrete aanknopingspunten aangedragen waaruit blijkt dat hij bij overdracht van zijn zwangere echtgenote en minderjarige kind zal worden gescheiden.
1.1. Alleen al daarom is beantwoording van de door appellant opgeworpen vraag over de draagwijdte van artikel 43, eerste lid, onder a en b, van de Amb-verordening, niet nodig voor de oplossing van deze zaak. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 10, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 34, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 35, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
1.2. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. Het hoger beroep is ongegrond. De voorzieningenrechter van de Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van M.E. van Laar LLM, griffier.
w.g. Van Breda
voorzieningenrechter
w.g. Van Laar
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2026
551-1163