Uitspraak 202504425/1/A2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:6486
- Datum uitspraak
- 4 november 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 25 juli 2023 heeft de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven aan [appellante] een uitkering toegekend uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven van € 5.000, behorend bij letselcategorie 3. Op 17 februari 2023 heeft [appellante] een aanvraag ingediend voor haar dochter [naam dochter] om een uitkering uit het schadefonds. [dochter] is op 29 januari 2022 slachtoffer geworden van een zedenmisdrijf in Heerlen. Zij was toen 12 jaar en verbleef in een psychiatrische jeugdinstelling. [dochter] is verkracht door een medewerker van de instelling. Op 29 januari 2022 heeft [appellante] namens haar dochter aangifte gedaan. Bij vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Limburg van 11 juli 2023 is de dader veroordeeld voor ontuchtige handelingen die bestonden of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van haar lichaam. De vordering benadeelde partij is toegewezen tot een bedrag van € 5.000,- aan vergoeding van immateriële schade.
- Hoger beroep
- Schadevergoeding
Toon inhoud
202504425/1/A2.
Datum uitspraak: 4 november 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], in haar hoedanigheid als wettelijke vertegenwoordiger van [dochter], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 30 juni 2025 in zaak nr. 23/3758 in het geding tussen:
[appellante]
en
Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG).
Procesverloop
Bij besluit van 25 juli 2023 heeft de CSG aan [appellante] een uitkering toegekend uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven van € 5.000, behorend bij letselcategorie 3.
Bij besluit van 17 november 2023 heeft CSG het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 30 juni 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De CSG heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 juli 2026, waar [appellante] en [dochter], bijgestaan door mr. M. Bos, advocaat in Heerlen, en de CSG, vertegenwoordigd door mr. J.C.M. van de Weerd, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Op 17 februari 2023 heeft [appellante] een aanvraag ingediend voor haar dochter [naam dochter] om een uitkering uit het schadefonds.
2. [dochter] is op 29 januari 2022 slachtoffer geworden van een zedenmisdrijf in Heerlen. Zij was toen 12 jaar en verbleef in een psychiatrische jeugdinstelling. [dochter] is verkracht door een medewerker van de instelling.
3. Op 29 januari 2022 heeft [appellante] namens haar dochter aangifte gedaan. Bij vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Limburg van 11 juli 2023 is de dader veroordeeld voor ontuchtige handelingen die bestonden of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van haar lichaam. De vordering benadeelde partij is toegewezen tot een bedrag van € 5.000,- aan vergoeding van immateriële schade.
4. Tussen partijen is in geschil of er aanleiding is het psychisch letsel te laten vallen onder letselcategorie 4 met de daarbij behorende uitkering van € 10.000.
Beoordelingskader
5. De CSG heeft bij het nemen van beslissingen op verzoeken om een uitkering als bedoeld in artikel 3 van de Wsg beslissingsruimte en heeft daaraan invulling gegeven in beleid. Dit beleid is neergelegd in de Beleidsbundel Schadefonds Geweldsmisdrijven en de Letsellijst. In de hier toepasselijke Letsellijst van 1 november 2022 is onderscheid gemaakt tussen fysiek letsel (hoofdstuk 1) en psychisch letsel (hoofdstuk 2). In hoofdstuk 2A is een opsomming gegeven van geweldsmisdrijven, waarbij zonder medische informatie wordt voorondersteld dat de misdrijven tot psychisch letsel hebben geleid, waarbij als uitgangspunt geldt: hoe ernstiger de misdrijven, des te hoger de letselcategorie (en de bijbehorende uitkering). Hoofdstuk 2B ziet op de beoordeling van psychisch letsel in alle overige gevallen. Hiervoor heeft de CSG medische informatie nodig.
6. De categorie wordt in het geval van [dochter] bepaald door het psychisch letsel, omdat het meest ernstige letsel leidend is voor de indeling in een letselcategorie.
7. De uitgangspunten voor een uitkering in letselcategorie 3 zijn: zedenmisdrijf met seksueel binnendringen. Bijvoorbeeld met geweld of gepleegd door een ouder persoon bij een zeer jeugdig slachtoffer (jonger dan 12 jaar).
8. De uitgangspunten voor een uitkering in letselcategorie 4 zijn: zedenmisdrijf met seksueel binnendringen, naar de aard en gevolgen ernstiger dan categorie 3. Bijvoorbeeld met ernstig geweld of gedurende een langere periode stelselmatig gebeurt.
9. Aan de CSG komt beleidsruimte toe bij de vaststelling van letselcategorieën en de bijbehorende uitkeringen en beoordelingsruimte bij de beantwoording van de vraag binnen welke categorie het letsel valt.
Het besluit van 17 november 2023
10. Aan het besluit van 17 november 2023 heeft de CSG ten grondslag dat het zedenmisdrijf op zichzelf zo ernstig is, dat het bijna altijd grote gevolgen voor het slachtoffer heeft. Daarom wordt ervan uitgegaan dat [dochter] ernstig psychisch letsel heeft opgelopen waarbij een uitkering in letselcategorie 3 passend is. Met de uitkering is niet alleen rekening gehouden met de aard en omstandigheden van het geval, maar ook met het letsel dat [dochter] opliep en de gevolgen die zij hiervan tot op heden ondervindt.
11. De CSG heeft verder toegelicht dat om in aanmerking te kunnen komen voor een uitkering uit een hogere letselcategorie waarbij ernstig psychisch letsel wordt voorondersteld, er sprake moet zijn van een zedenmisdrijf dat naar de aard en gevolgen ernstiger is. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een zedenmisdrijf dat gedurende een langere periode stelselmatig plaatsvond of het geval dat er ook sprake was van ernstig geweld. Dit doet zich in het geval van [dochter] niet voor.
12. Ook komt [dochter] niet in aanmerking voor een uitkering uit een hogere letselcategorie op basis van haar psychisch letsel. Volgens het beleid moet er namelijk sprake zijn van psychisch letsel en behandeltrajecten die leiden tot langdurige (vooralsnog) tijdelijke afhankelijkheid, waarbij het psychisch letsel louter is veroorzaakt door het zedenmisdrijf. Dit doet zich niet voor omdat het psychisch letsel van [dochter] mede is veroorzaakt door verschillende traumatische gebeurtenissen in haar leven. De CSG kan daardoor niet objectief bepalen in welke mate de psychische klachten van [dochter] zijn veroorzaakt door het zedenmisdrijf.
Uitspraak van de rechtbank
13. De rechtbank is van oordeel dat [dochter] geen recht heeft op een hogere uitkering dan in letselcategorie 3. De CSG heeft voldoende gemotiveerd dat de jonge leeftijd en kwetsbaarheid van [dochter], en het misbruik dat de dader daarvan heeft gemaakt, zijn betrokken bij het toekennen van letselcategorie 3. Er is niet voldaan aan de voorwaarden voor toekenning van een uitkering in categorie 4.
14. Het beleid leidt niet tot een onredelijke uitkomst. Tussen partijen is niet in geschil dat de bijzondere kwetsbaarheid van [dochter] en ook de intensieve behandeling zijn te herleiden naar eerdere traumatiserende gebeurtenissen in haar leven. De rechtbank acht het aannemelijk dat de psychische klachten zijn verergerd, maar deze klachten zijn niet uitsluitend het gevolg van het misdrijf op 29 januari 2022 en kunnen daar dan ook niet volledig aan worden toegerekend.
Hoger beroep
15. [appellante] betoogt dat gelet op de ernst van het misbruik en de daadwerkelijke psychische gevolgen die [dochter] daarvan heeft ondervonden en nog steeds ondervindt een uitkering in letselcategorie 4 (€ 10.000) passend is. Categorie 3 is de laagste categorie voor een zedenmisdrijf met seksueel binnendringen. Om in categorie 4 te vallen, moet het geweldsmisdrijf naar de aard en gevolgen ernstiger zijn dan categorie 3. De genoemde stelselmatigheid van het seksueel misbruik of dat er ook sprake was van ernstig geweld zijn voorbeelden die een bandbreedte duiden en zijn geen concrete vereisten voor toepassing van categorie 4. De vraag of de aard en gevolgen van het misdrijf ernstiger zijn dan categorie 3 moet worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval.
16. In dit geval brengt de aard van het geweldsmisdrijf mee dat categorie 4 van toepassing is. [dochter] was 12 jaar toen zij slachtoffer werd, was ten tijde van het misdrijf opgenomen in een psychiatrische jeugdinstelling, mede ten gevolge van traumaproblematiek door seksueel geweld eerder in haar jeugd, en verkeerde in een bijzonder kwetsbare positie waarvan de dader, een medewerker van de instelling, misbruik maakte. Hij stelde haar geld en goederen in het vooruitzicht, sprak haar op vernederende toon toe in snapchat berichten en het was voor hem duidelijk dat [dochter] tegen haar zin met hem afsprak. De gevolgen zijn ook ernstiger. [dochter] is besmet geraakt met een soa, die haar vruchtbaarheid kan aantasten. Ook zijn haar suïcidale gedrag en automutilatie toegenomen en volgt zij nog een intensief behandeltraject.
17. Daarbij komt dat het psychisch letsel ook op basis van de medische gegevens, zoals bedoeld in paragraaf 2B van de Letsellijst, in categorie 4 kan worden ingedeeld. Dat het zeer lastig is om te differentiëren tussen de al bestaande problematiek en het aanvullende letsel dat is ontstaan door het geweldsmisdrijf, laat onverlet dat het aanvullende letsel zeer ernstig is en heeft geleid tot een tot op heden voortdurend patroon van automutilatie en suïcidepogingen. [dochter] zit daarvoor in behandeltrajecten die leiden tot langdurige tijdelijke afhankelijkheid.
Oordeel van de Afdeling
18. Tussen partijen is niet in geschil dat de CSG met recht het beleid voert dat voor een uitkering uit een hogere letselcategorie waarbij ernstig psychisch letsel wordt voorondersteld voldaan moet worden aan voorwaarden (zie onder 8) die indeling in letselcategorie 4 rechtvaardigen. Het zedenmisdrijf met seksueel binnendringen moet naar de aard en gevolgen ernstiger zijn dan categorie 3. Dit beleid is geen onderwerp van geschil. Tussen partijen is ook niet in geschil dat de voorbeelden genoemd bij letselcategorie 4 niet limitatief zijn, maar een indicatie vormen voor een bandbreedte om te beoordelen of sprake is van een misdrijf dat naar aard en gevolgen ernstiger is dan in categorie 3.
19. De Afdeling is anders dan de rechtbank van oordeel dat de CSG niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat sprake is van letsel in categorie 3 omdat in dit geval niet is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van categorie 4 gelet op de aard en omstandigheden van het misdrijf en de ernst van de gevolgen ervan. Daarbij is het volgende van belang.
20. De motivering van de CSG dat niet is voldaan aan de (cumulatieve) voorwaarde dat de ernst van de gevolgen zodanig is dat een uitkering in categorie 4 is aangewezen, kan de Afdeling in dit geval niet volgen. In de Beleidsbundel is vermeld dat de CSG net zoals in het civiele recht het slachtoffer neemt zoals zij ten tijde van het misdrijf was. Hierdoor kan het voorkomen dat er bij iemand die op het moment van het misdrijf fysiek of psychisch zwakker was, eerder sprake is van ernstig letsel dan wanneer zij op dat moment gezond was geweest (zie p. 8).
21. [dochter] verbleef op 17 februari 2023 in een psychiatrische jeugdinstelling waarin zij onder behandeling was voor de traumatische gevolgen van seksueel geweld. Zij was twaalf jaar oud, verkeerde in een bijzonder kwetsbare positie en is verkracht door een medewerker van de instelling op het terrein van de instelling. De Afdeling onderschrijft het betoog van [appellante] op de zitting dat op de plek waar [dochter] veilig had moeten zijn, haar verdere schade is toegebracht.
22. Tussen partijen is niet in geschil dat voor de verkrachting op 29 januari 2022 [dochter] al crisiszorg had, omdat zij een traumatisch verleden heeft van seksueel geweld, suïcidale gedachten, zelfbeschadiging en stemmingswisselingen. Hoewel het lastig en wellicht zelfs onmogelijk is om te differentiëren tussen de al bestaande problematiek en bijkomend geestelijk letsel, doet dat er niet aan af dat wel sprake is van gedocumenteerd letsel - een toegenomen patroon van automutilatie en suïcidepogingen bij een twaalfjarige - dat zeer ernstig is en waarvan het voldoende aannemelijk is dat dit het directe gevolg is van het misdrijf op 29 januari 2022. In de brief van 14 februari 2022 van een behandelend psychiater is vermeld dat [dochter] na 29 januari 2022 een terugval heeft gehad, weer suïcidaal gedrag is gaan vertonen, opgenomen moest worden totdat zij weer stabiel genoeg is voor een langdurig behandeling voor haar trauma en persoonlijkheidsontwikkeling. Uit de brief van 24 augustus 2022 van een andere behandelend psychiater volgt dat zij na 29 januari 2022 twee keer kort is opgenomen op een gesloten crisis-, diagnostiek- en behandelafdeling wegens een toename van suïcidale gedachten en een zelfmoordpoging waardoor een opname in het Zuyderland ziekenhuis nodig was. In de brief is verder vermeld dat na de opname er intensieve thuisbehandeling zal worden voortgezet door het IHT (intensive hometreatment)-team van Mondriaan Kinderen en Jeugdigen. Het IHT-team zal zich verder richten op stabilisatie. [dochter] woont nog steeds in een leefgroep van Xonar, van waaruit zij nog steeds intensieve dagelijkse en wekelijkse behandeltrajecten volgt. Het is onduidelijk wanneer zij is uitbehandeld. Hoewel het aandeel van de verkrachting op 29 januari 2022 in het psychisch letsel van [dochter] niet precies is vast te stellen en er ook andere oorzaken zijn, zoals de CSG betoogt, laat dit onverlet dat het voldoende aannemelijk is dat het incident een terugval tot gevolg heeft gehad met ernstige psychisch letsel tot gevolg. Gelet op alle omstandigheden van dit geval is de Afdeling van oordeel dat de CSG niet kan worden gevolgd dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor een uitkering in categorie 4.
23. Het betoog slaagt.
Conclusie
24. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 17 november 2023 gegrond verklaren, dat besluit vernietigen en het besluit van 25 juli 2023 herroepen. De Afdeling voorziet zelf in de zaak door te bepalen dat [appellante] een uitkering van € 10.000 krijgt conform categorie 4 van de Letsellijst Schadefonds Geweldsmisdrijven en bepaalt dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.
25. De CSG moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Limburg van 30 juni 2025 in zaak nr. 23/3758;
III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven van 17 november 2023;
V. herroept het besluit van de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven25 juli 2023;
V. bepaalt dat de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven aan [appellante] als wettelijke vertegenwoordiger van [dochter] een uitkering toekent van € 10.000;
VI. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 17 november 2023;
VII. veroordeelt de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven tot vergoeding van bij [dochter] in beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.936, geheel toe te rekenen aan door derden beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VIII. gelast dat de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven aan [dochter] het door haar voor de behandeling van het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 473 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, griffier.
w.g. Willems
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Planken
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 november 2026
299