Uitspraak 202407609/1/V1 en 202407609/2/V1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:6309
- Datum uitspraak
- 28 oktober 2026
- Inhoudsindicatie
- Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
- Voorlopige voorziening / hoofdzaak
- Asiel
Toon inhoud
202407609/1/V1 en 202407609/2/V1.
Datum uitspraak: 28 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
[de appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 27 november 2024 in zaak nr. NL24.36769 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
Bij uitspraak van 27 november 2024 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. C.M.G.M. Raafs, advocaat in Sittard, hoger beroep ingesteld.
Appellant heeft op 1 juli 2025 opnieuw beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag. De rechtbank heeft dit beroep op 17 juli 2025 naar de Afdeling doorgestuurd.
Bij besluit van 21 augustus 2026 heeft de minister de aanvraag van appellant afgewezen.
Appellant heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
Hoger beroep tegen de uitspraak van 27 november 2024
1. Toen de rechtbank uitspraak deed op het beroep van appellant tegen het niet tijdig nemen van een besluit, had de minister nog geen besluit genomen op de aanvraag van 11 oktober 2023. Dat heeft de minister bij het besluit van 21 augustus 2026 wel gedaan. Met het door de minister nemen van dit besluit heeft appellant het doel van deze procedure bereikt.
2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.
3. Het hoger beroep gaat over de rechtmatigheid van het door de minister verlengen van de beslistermijn met WBV 2023/3 in asielzaken. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 10 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2829, hierover prejudiciële vragen gesteld. Het Hof van Justitie heeft in zijn arrest van 5 maart 2026, Safita, ECLI:EU:C:2026:160, antwoord gegeven op die vragen. Het antwoord op de rechtsvraag of de minister die beslistermijn rechtmatig heeft verlengd, heeft in dit geval geen invloed op de vraag of appellant zijn proceskosten vergoed moet krijgen. In dit geval heeft de minister op 21 augustus 2026, hangende het hoger beroep, een besluit genomen op de aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. De minister heeft, ongeacht de rechtmatigheid van de verlenging van de beslistermijn, ook de beslistermijn van vijftien maanden overschreden. De Afdeling ziet daarom aanleiding om de minister in de proceskosten te veroordelen.
4. De minister moet de in verband met het hoger beroep en beroep gemaakte proceskosten vergoeden (een punt voor het hogerberoepschrift en een punt voor het beroepschrift). Het hoger beroep en beroep gaan uitsluitend over het door de minister niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag. De Afdeling past daarom wegingsfactor 0,5 toe.
Beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit
5. Appellant heeft op 1 juli 2025 bij de rechtbank opnieuw beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Dit beroep neemt de Afdeling mee in deze procedure; vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:875, onder 5 tot en met 7.
6. De minister heeft op 21 augustus 2026 een besluit op de aanvraag van appellant genomen. Met het door de minister nemen van dit besluit heeft appellant het doel van deze procedure bereikt.
7. Het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit is niet-ontvankelijk.
8. De minister heeft, ongeacht de rechtmatigheid van de verlenging van de beslistermijn, de beslistermijn van vijftien maanden overschreden. De Afdeling ziet daarom aanleiding om de minister in de proceskosten te veroordelen. De minister moet de in verband met het beroep gemaakte proceskosten vergoeden (een punt voor het beroepschrift). De Afdeling ziet aanleiding om wegingsfactor 0,5 toe te passen, omdat het beroep uitsluitend gaat over het door de minister niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag.
Beroep tegen het besluit van 21 augustus 2026
9. Het besluit van 21 augustus 2026 wordt, gelet op artikel 6:20, derde lid, in samenhang gelezen met artikel 6:24 van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. Appellant heeft laten weten het niet eens te zijn met dat besluit.
10. De Afdeling ziet in dit geval aanleiding om het van rechtswege ontstane beroep tegen het besluit van 21 augustus 2026, krachtens artikel 6:20, vierde lid, van de Awb, te verwijzen naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle. De Afdeling acht het passend dat de rechtbank het beroep tegen dat besluit toetst en dat tegen dat oordeel hoger beroep openstaat. De rechtbank is er namelijk op ingericht om in eerste aanleg asielbesluiten te toetsen en zitting te houden in dit soort zaken. Hiermee wordt ook recht gedaan aan de in afdeling 4 van hoofdstuk 7 van de Vw 2000 neergelegde functie van de hogerberoepsrechter.
11. De Afdeling verwijst het beroep naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II. verklaart het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk;
III. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep en de beroepen opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.401,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
IV. verwijst het beroep tegen het besluit van 21 augustus 2026, V-[…], naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Gerritsjans-van Essen, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Gerritsjans-van Essen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2026
1078