Uitspraak BRS.26.003027
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:6270
- Datum uitspraak
- 29 oktober 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 10 augustus 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
- Hoger beroep
- Regulier
Toon inhoud
BRS.26.003027
ECLI:NL:RVS:2026:6270
Datum uitspraak: 29 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 21 mei 2026 in zaak nr. 25/14396 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 10 augustus 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 16 juli 2025 heeft de minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 21 mei 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. N.B. Swart, advocaat in Groningen, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. De griffier heeft appellant er bij brief van 19 juni 2026 op gewezen dat zij voor het hoger beroep griffierecht moet betalen. Haar is daarbij verzocht om het griffierecht uiterlijk op 3 juli 2026 te voldoen. Omdat appellant dit niet heeft gedaan, heeft de griffier haar bij brief van 6 juli 2026 laten weten dat het griffierecht op uiterlijk 13 juli 2026 op de rekening van de Raad van State moet zijn bijgeschreven of contant moet zijn betaald. In die brief staat ook dat, als het griffierecht niet op die datum is ontvangen, het hoger beroep alleen al daarom niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Appellant heeft het griffierecht niet binnen de termijn betaald. De gemachtigde van appellant heeft, nadat de griffier haar daartoe bij brief van 5 augustus 2026 in de gelegenheid heeft gesteld, bij brief van 28 september 2026 laten weten dat zij de brieven over het griffierecht niet heeft gezien, omdat zij de brieven niet per post heeft ontvangen en de brieven alleen in het mapje ‘stukken’ zijn te zien in het zaaksysteem. De gemachtigde heeft vervolgens het griffierecht alsnog betaald. Deze omstandigheid leidt er niet toe dat de Afdeling het hoger beroep toch in behandeling kan nemen. Dat de gemachtigde de brieven van de Afdeling pas drie maanden na ontvangst heeft opgemerkt, komt voor haar risico.
2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
3. De griffier van de Raad van State zal aan appellant het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 297,00 voor de behandeling van het hoger beroep terugbetalen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II. bepaalt dat de griffier van de Raad van State aan appellant het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 297,00 voor de behandeling van het hoger beroep terugbetaalt.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.D.J.D. van der Heijden, griffier.
w.g. De Poorter
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van der Heijden
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2026
954