Uitspraak BRS.26.002927
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:6192
- Datum uitspraak
- 22 oktober 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 10 december 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
BRS.26.002927
ECLI:NL:RVS:2026:6192
Datum uitspraak: 22 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 11 juni 2026 in zaak nr. NL25.60871 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 10 december 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 11 juni 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. K. Yousef, advocaat in Den Haag, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft nadere stukken ingediend, waarop de gemachtigde van appellant heeft gereageerd.
Overwegingen
1. De minister heeft de Afdeling laten weten dat appellant met hulp van de IOM uit Nederland is vertrokken. Appellant heeft ook een vertrekverklaring ondertekend waarmee hij verklaart ermee in te stemmen dat nog openstaande procedures voor het verkrijgen van een verblijfstitel worden beëindigd. Daaruit leidt de Afdeling af dat appellant niet langer bescherming zoekt. Daarom heeft hij geen belang bij een beoordeling van het hoger beroep voor zover dit betrekking heeft op de afwijzing van zijn asielaanvraag.
2. In de vertrekverklaring is verder expliciet vermeld dat procedures tegen een terugkeerbesluit en inreisverbod niet worden ingetrokken. Daarom heeft appellant wél belang bij een beoordeling van het hoger beroep voor zover dit daarop betrekking heeft. Het hoger beroep is in zoverre ontvankelijk.
3. De grieven over het terugkeerbesluit en het inreisverbod leiden echter niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat deze grieven geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook roepen deze grieven geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
4. Het hoger beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N.S. Koelman, griffier.
Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
w.g. Koelman
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2026
1048