Uitspraak BRS.26.004624
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:6186
- Datum uitspraak
- 22 oktober 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluiten van 7 juli 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie aanvragen van appellanten om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
BRS.26.004624
ECLI:NL:RVS:2026:6186
Datum uitspraak: 22 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant 1] en [appellant 2], mede voor hun minderjarige kinderen
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 1 september 2026 in zaken nrs. NL26.39194 en NL26.39200 in het geding tussen:
[appellant 1] en [appellant 2]
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluiten van 7 juli 2026 heeft de minister aanvragen van appellanten om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 1 september 2026 heeft de rechtbank de daartegen door appellanten ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten, vertegenwoordigd door mr. E. Gorsselink, advocaat in Venlo, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
1.1. Dat de onmiddellijke toepassing van artikel 43, eerste lid, van de Asiel en migratiebeheerverordening niet in lijn is met het voorlopig oordeel van de Afdeling in de verwijzingsuitspraak van 7 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5867, onder 4 tot en met 4.2, maakt dit niet anders. De uitspraak van de rechtbank kan namelijk standhouden in het licht van de ruime uitleg die de Afdeling geeft aan de rechtsbescherming van vreemdelingen in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen.
1.2. Het hogerberoepschrift roept verder geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
2. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. A. Kuijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. K. Veen, griffier.
w.g. Kuijer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Veen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2026
986