Uitspraak BRS.26.005031
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:6169
- Datum uitspraak
- 22 oktober 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 6 september 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in vreemdelingenbewaring gesteld.
- Hoger beroep
- Bewaring
Toon inhoud
BRS.26.005031
ECLI:NL:RVS:2026:6169
Datum uitspraak: 22 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 17 september 2026 in zaak nr. NL26.52232 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 6 september 2026 heeft de minister appellant in vreemdelingenbewaring gesteld.
Bij uitspraak van 17 september 2026 heeft de rechtbank het met een kennisgeving daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. J.W.J. van den Broek, advocaat in Eindhoven, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. In de enige grief betoogt appellant terecht dat de rechtbank de minister ten onrechte niet heeft veroordeeld in de proceskosten. De rechtbank heeft namelijk overwogen dat aan het voortraject een gebrek kleeft, omdat appellant op een onjuiste grondslag is opgehouden. De rechtbank had daarom aanleiding moeten zien om de minister te veroordelen in de proceskosten, omdat dit gebrek betrekking heeft op de staandehouding, overbrenging of ophouding. De rechtbank heeft dat ten onrechte niet gedaan. De Afdeling wijst ter vergelijking op haar uitspraken van 15 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1544, en van 26 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1650, onder 2.2.
1.1. De grief slaagt.
2. De Afdeling ziet ambtshalve geen reden om de vreemdelingenbewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover zij heeft nagelaten de minister te veroordelen tot vergoeding van bij appellant opgekomen proceskosten voor het gebrek in de ophouding. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige. De minister moet de proceskosten die de rechtbank in beroep ten onrechte niet heeft toegekend en de proceskosten voor het hoger beroep vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 17 september 2026 in zaak nr. NL26.52232, voor zover zij heeft nagelaten de minister van Asiel en Migratie te veroordelen tot vergoeding van bij appellant opgekomen proceskosten;
III. bevestigt de uitspraak voor het overige;
IV. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.802,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier.
w.g. Willems
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Vos
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2026
644-1219