Uitspraak 202404300/1/R1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:6224
- Datum uitspraak
- 21 oktober 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluiten van 11 oktober 2022 is het college van burgemeester en wethouders van Medemblik bij [appellanten] overgegaan tot invordering van een verbeurde dwangsom van €10.000,00. [appellanten] zijn mede-eigenaren van de woning op het perceel [locatie] in Opperdoes. Op basis van controles door toezichthouders heeft het college geconstateerd dat de woning illegaal wordt bewoond door arbeidsmigranten. Bij besluit van 23 september 2021 heeft het college [appellanten] gelast om de overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht vanwege illegale bewoning door arbeidsmigranten van de woning op het perceel [locatie] in Opperdoes te beëindigen en beëindigd te houden, onder oplegging van een dwangsom van € 10.000,00 ineens. [appellanten] hebben daartegen geen rechtsmiddelen aangewend.
- Hoger beroep
- Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
Toon inhoud
202404300/1/R1.
Datum uitspraak: 21 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant A] en [appellant B], beiden wonend in Opperdoes, gemeente Medemblik,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 5 juni 2024 in zaak nr. 23/2796 in het geding tussen:
[appellanten]
en
het college van burgemeester en wethouders van Medemblik.
Procesverloop
Bij besluiten van 11 oktober 2022 is het college bij [appellanten] overgegaan tot invordering van een verbeurde dwangsom van €10.000,00.
Bij besluit van 15 maart 2023 heeft het college het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en die besluiten in stand gelaten.
Bij uitspraak van 5 juni 2024 heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 7 oktober 2026, waar [appellant A], bijgestaan door mr. M.J. Meijer, advocaat in Haarlem, en het college, vertegenwoordigd door mr. K. van der Wal en M. Klingers, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellanten] zijn mede-eigenaren van de woning op het perceel [locatie] in Opperdoes. Op basis van controles door toezichthouders heeft het college geconstateerd dat de woning illegaal wordt bewoond door arbeidsmigranten. Bij besluit van 23 september 2021 heeft het college [appellanten] gelast om de overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht vanwege illegale bewoning door arbeidsmigranten van de woning op het perceel [locatie] in Opperdoes te beëindigen en beëindigd te houden, onder oplegging van een dwangsom van € 10.000,00 ineens. [appellanten] hebben daartegen geen rechtsmiddelen aangewend.
Op 1 en 2 augustus 2022 is door een toezichthouder van de gemeente vastgesteld dat [appellanten] niet aan de last hebben voldaan. Het college is vervolgens bij besluiten van 11 oktober 2022 overgegaan tot invordering van de verbeurde dwangsom van € 10.000,00. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college bevoegd was om de verbeurde dwangsom bij [appellanten] in te vorderen en dat er geen bijzondere omstandigheden zijn waardoor het college van invordering af had moeten zien of de invordering had moeten matigen. [appellanten] zijn het niet eens met deze uitspraak.
Beoordeling hoger beroep
2. [appellanten] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij een dwangsom hebben verbeurd. Volgens [appellanten] zijn de feiten en omstandigheden die volgens het college tot verbeurte hebben geleid niet op een controleerbare en duidelijke wijze vastgesteld. Het constateringsrapport van 3 augustus 2022 is volgens hen summier, in tegenstelling tot het constateringsrapport van 21 juli 2021. Zo biedt het constateringsrapport geen duidelijkheid over de vijf personen die in de woning aanwezig waren, over de melder van de klacht, met wie de toezichthouder heeft gesproken en wat er is verklaard. [appellanten] wijzen er ook op dat het constateringsrapport geen duidelijke foto’s bevat.
2.1. Wat [appellanten] in hoger beroep hebben aangevoerd, is zo goed als een herhaling van wat zij in beroep hebben aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd ingegaan op de vraag of aan de invorderingsbesluiten een deugdelijke en controleerbare vaststelling van relevante feiten en omstandigheden ten grondslag ligt. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank dat [appellanten] een dwangsom hebben verbeurd en in de onder 13.4 en 13.5 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. [appellanten] hebben geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling hiervan in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. Voor zover zij op de zitting nog een beroep hebben gedaan op hun financiële omstandigheden, onderschrijft de Afdeling hetgeen de rechtbank daarover onder 14.3 heeft overwogen. Zij voegt daaraan toe dat het college op de zitting heeft bevestigd dat het met de besluiten van 11 oktober 2022 weliswaar bij [appellanten] ieder € 10.000,00 heeft ingevorderd, maar dat [appellanten] bij betaling door een van hen aan de betalingsverplichting hebben voldaan.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
3. Het hoger beroep is ongegrond.
4. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.C.M. Wijgerde, griffier.
w.g. Knol
lid van de enkelvoudige kamer
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
Uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2026
672-1138