Uitspraak 202300108/3/R4
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:6217
- Datum uitspraak
- 21 oktober 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij einduitspraak tevens tussenuitspraak van 18 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2677, heeft de Afdeling provinciale staten en het college van GS onder andere opgedragen om binnen 20 weken na de verzending van de tussenuitspraak de daarin geconstateerde gebreken in de besluiten van 16 november 2022 (inpassingsplan "Windpark IJsselwind Zutphen", hierna: PIP) en 23 november 2022 (twee omgevingsvergunningen voor de windturbines) te herstellen. Onder 99.3 van de tussenuitspraak is vastgesteld dat artikel 16.2 van de planregels niet in overeenstemming is met artikel 9e, eerste lid, laatste volzin, van de Elektriciteitswet 1998, voor zover het onder b regelt dat de gemeenteraad onder voorwaarden eerder dan na een termijn van tien jaren na vaststelling van het PIP bevoegd is voor de gronden waarop het PIP betrekking heeft een bestemmingsplan vast te stellen. Ter uitvoering van de tussenuitspraak hebben provinciale staten bij besluit van 24 september 2025 het PIP gewijzigd. Artikel 16.2 van de planregels is geschrapt.
- Eerste aanleg - meervoudig
- Bouwen
- Inpassingsplan
Toon inhoud
202300108/3/R4.
Datum uitspraak: 21 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
1. [appellante sub 1] en anderen ([appellante sub 1] en anderen), gevestigd of wonend in [plaats],
2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] (samen en in enkelvoud: [appellant sub 2A]), beiden wonend in [woonplaats],
3. Stichting Eefde Tegen-wind (de stichting), gevestigd in Eefde, gemeente Lochem,
appellanten,
en
1. Het college van gedeputeerde staten van Gelderland (het college van GS),
2. Provinciale staten van Gelderland,
verweerders.
Procesverloop
Bij einduitspraak tevens tussenuitspraak van 18 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2677, heeft de Afdeling provinciale staten en het college van GS onder andere opgedragen om binnen 20 weken na de verzending van de tussenuitspraak de daarin geconstateerde gebreken in de besluiten van 16 november 2022 (inpassingsplan "Windpark IJsselwind Zutphen", hierna: PIP) en 23 november 2022 (twee omgevingsvergunningen voor de windturbines) te herstellen (de tussenuitspraak).
Ter uitvoering van de tussenuitspraak hebben provinciale staten bij besluit van 24 september 2025 (het herstelbesluit) het PIP gewijzigd. Ook hebben provinciale staten en het college van GS de motivering van de besluiten gewijzigd.
[appellante sub 1] en anderen, [appellant sub 2A], de stichting en Waterschap Rijn en IJssel en IJsselwind B.V., hebben zienswijzen ingediend tegen het herstelbesluit.
Alle partijen hebben nadere stukken ingediend.
De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (STAB) heeft een deskundigenbericht uitgebracht. [appellante sub 1] en anderen, [appellant sub 2A], de stichting, het college van GS en provinciale staten en het waterschap en IJsselwind B.V. hebben hun zienswijzen daarop naar voren gebracht.
De Afdeling heeft bepaald dat een tweede zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.
De Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) (de Staat) is partij in dit geding.
Overwegingen
De tussenuitspraak
1. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak een aantal gebreken vastgesteld in de besluiten van 16 november 2022 en 23 november 2022.
In de eerste plaats is onder 31.1, bezien in samenhang met rechtsoverweging 86.4 en 114.2, vastgesteld dat niet is gebleken of en zo ja op welke wijze in de besluitvorming is betrokken dat de erosie van (de coatings op) de wieken schadelijke effecten zou kunnen hebben op de gezondheid van omwonenden en de luchtkwaliteit vanwege loskomende deeltjes plastic en chemicaliën, met name van bisfenol A (BPA). Daarbij hadden provinciale staten en het college van GS moeten beoordelen of zich op het punt van de erosie van (de coatings) op de wieken, met name van de emissie van BPA, belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen voordoen, zodat een milieueffectrapport (MER) gemaakt moet worden.
In de tweede plaats is onder 99.3 vastgesteld dat artikel 16.2 van de planregels niet in overeenstemming is met artikel 9e, eerste lid, laatste volzin, van de Elektriciteitswet 1998, voor zover het onder b regelt dat de gemeenteraad onder voorwaarden eerder dan na een termijn van tien jaren na vaststelling van het PIP bevoegd is voor de gronden waarop het PIP betrekking heeft een bestemmingsplan vast te stellen.
2. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling provinciale staten en het college van GS opgedragen om binnen 20 weken na verzending van deze uitspraak de omschreven gebreken in de besluiten van 16 november 2022 en 23 november 2022 te herstellen.
Herstel
3. Ter uitvoering van de tussenuitspraak hebben provinciale staten bij besluit van 24 september 2025 het PIP gewijzigd. Artikel 16.2 van de planregels is geschrapt.
Daarnaast hebben provinciale staten en het college van GS als uitvoering van de tussenuitspraak de motivering van de besluiten aangevuld over het onderwerp wiekerosie. Onder verwijzing naar de notitie van Witteveen en Bos van 14 augustus 2025 stellen zij zich op het standpunt dat het PIP is vastgesteld in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening, dat terecht in de m.e.r.-beoordelingsbesluiten is geconcludeerd dat er geen sprake is van ontoelaatbaar nadelige gevolgen voor het milieu zodat er geen MER gemaakt hoeft te worden en dat ook de zogenoemde omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM) terecht is verleend. Uit de notitie volgt volgens hen dat zelfs met een worst case berekening de emissie van BPA van windturbines tot verwaarloosbare concentraties in de lucht leidt en geen betekenis heeft voor de volksgezondheid en het milieu.
4. Het herstelbesluit van 24 september 2025 is op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) mede onderwerp van het geding. De beroepen van [appellante sub 1] en anderen, [appellant sub 2A] en de stichting zijn van rechtswege mede gericht tegen dit besluit.
De zienswijzen op het herstelbesluit
5. [appellante sub 1] en anderen, [appellant sub 2A], de stichting en het waterschap en IJsselwind B.V. hebben naar aanleiding van het herstelbesluit een zienswijze ingediend.
6. Appellanten betogen dat de gebreken niet zijn hersteld. Zij betogen onder meer dat de notitie van Witteveen en Bos van 14 augustus 2025 ondeugdelijk is. Ter onderbouwing daarvan verwijzen zij naar de notitie van Van Giesen van 12 december 2025. Ook betogen zij dat de Afdeling op diverse punten moet terugkomen op de tussenuitspraak.
Het waterschap en IJsselwind B.V. hebben aangegeven dat zij kunnen instemmen met het herstelbesluit, zodat geen beroep van rechtswege als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb is ontstaan waarop nog moet worden beslist.
7. De Afdeling zal eerst ingaan op de betogen van [appellante sub 1] en anderen, [appellant sub 2A] en de stichting die gaan over de tussenuitspraak. Daarna zal de Afdeling ingaan op de betogen die gaan over de vraag of de gebreken hersteld zijn in het herstelbesluit.
Moet de Afdeling terugkomen op de tussenuitspraak?
Wnb-ontheffing en watervergunningen
8. Appellanten betogen dat de Afdeling in de tussenuitspraak niet is ingegaan op het betoog dat de Afdeling nog geen oordeel heeft gegeven over de door het college van dijkgraaf en heemraden verleende watervergunningen van 10 oktober 2019 en de door het college van GS verleende ontheffing als bedoeld in de Wnb voor vogel- en vleermuissoorten van 7 oktober 2019, gewijzigd bij besluit van 8 januari 2020. Deze besluiten zijn besproken in de uitspraak van de Afdeling van 12 mei 2012 (ECLI:NL:RVS:2021:1025), maar zijn niet genoemd in het dictum van die uitspraak.
8.1. Dit betoog gaat uit van een verkeerde lezing van de door appellanten in dit verband aangehaalde overweging 13. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling onder 13 immers uitdrukkelijk overwogen dat die eerdere besluiten met de uitspraak van de Afdeling van 12 mei 2021 in rechte onaantastbaar zijn geworden en dat de rechtmatigheid van die eerdere besluiten in de onderhavige procedure niet opnieuw ter discussie kan worden gesteld.
Het betoog slaagt niet.
Harderwijk-criteria
9. Appellanten betogen dat de Afdeling in de tussenuitspraak ten onrechte de te verwachten geluidhinder niet heeft beoordeeld conform de toets aan de evenredigheid uit de zogeheten Harderwijk-uitspraak van 2 februari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:285).
9.1. Voor zover appellanten zich keren tegen overweging 53.2 van de tussenuitspraak, overweegt de Afdeling dat zij behalve in uitzonderlijke gevallen niet kan terugkomen van een in de tussenuitspraak gegeven oordeel. Een uitzonderlijk geval is hier niet aan de orde, zodat de Afdeling uitgaat van het in de tussenuitspraak onder 53.2 gemotiveerd gegeven oordeel. De Afdeling merkt in dat verband op dat uit de Harderwijk-uitspraak niet dwingend volgt dat een stappenplan doorlopen moet worden.
Het betoog slaagt niet.
Geluidonderzoek voor windparken Blauw en Groen
10. Appellanten betogen dat ook nieuwe feiten en omstandigheden ertoe moeten kunnen leiden dat de bestuursrechter terugkomt van een tussenuitspraak. In dit verband wijzen zij erop dat er op 13 augustus 2025 een geluidsonderzoek van DGMR is verschenen dat betrekking heeft op het gerealiseerde Windpark Blauw en Windpark Groen, beide gelegen in de gemeente Dronten. Volgens hen moet onderzocht worden of de conclusies uit die rapporten ook van toepassing zijn op windpark IJsselwind, met name ten aanzien van het laagfrequent geluid, en zou de STAB hiervoor moeten worden ingeschakeld.
10.1. Zoals hierboven is vermeld, kan de Afdeling alleen in uitzonderlijke gevallen terugkomen van een in de tussenuitspraak gegeven oordeel. Een uitzonderlijk geval is hier niet aan de orde, zodat de Afdeling uitgaat van het in de tussenuitspraak onder 48.2 gegeven oordeel. Daarbij is in de eerste plaats van belang dat provinciale staten zich onder verwijzing naar verschillende rapporten, met als destijds het meest recente rapport van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) uit oktober 2020, op het standpunt hebben gesteld dat er geen aanleiding bestaat om te veronderstellen dat specifiek laagfrequent geluid een effect op de volksgezondheid heeft of tot additionele hinder leidt ten opzichte van de hinder die al is beoordeeld. De Afdeling heeft daarin in de tussenuitspraak geen aanleiding gezien om te oordelen dat provinciale staten het PIP niet hadden mogen vaststellen zonder nader onderzoek te doen naar (de gevolgen van) laagfrequent geluid. Het door appellanten genoemde nadien verschenen rapport van DGMR van 13 augustus 2025 is geen bijzondere omstandigheid omdat het rapport dateert van na het vaststellingsbesluit en de tussenuitspraak. Gelet op de daarin opgenomen conclusies biedt het DGMR-rapport overigens ook geen nader inzicht over mogelijk nadelige gezondheidseffecten van laagfrequent geluid, niet van de door DGMR onderzochte en feitelijke aanwezige windturbines en ook niet van de in het PIP voorziene en nog niet aanwezige turbines.
Het betoog slaagt niet.
Toepassing afdeling 3.4 van de Awb
11. Appellanten betogen dat in de tussenuitspraak ten onrechte is vermeld dat het college van GS en provinciale staten voor hun besluitvorming niet opnieuw afdeling 3.4 van de Awb hoeven toe te passen. Voor het nemen van een m.e.r.-beoordelingsbesluit moet de in artikel 6 van de MER-richtlijn bedoelde ‘inspraak in de besluitvormingsprocedure’ worden georganiseerd. In het Nederlandse recht is dat de uniforme openbare voorbereidingsprocedure zoals bedoeld in afdeling 3.4 van de Awb. Zij verwijzen hierbij naar het arrest van het Hof van Justitie van 15 oktober 2015, ECLI:EU:C:2015:683.
11.1. Zoals hierboven ook is vermeld, kan de Afdeling alleen in uitzonderlijke gevallen terugkomen van een in de tussenuitspraak gegeven oordeel. Een uitzonderlijk geval is hier niet aan de orde, zodat de Afdeling uitgaat van het in de tussenuitspraak gegeven oordeel. De Afdeling betrekt hierbij dat er geen nieuw m.e.r.-beoordelingsbesluit is genomen in dat dat, gelet op wat hieronder onder 16.1 zal worden overwogen, ook niet noodzakelijk was.
Het betoog slaagt niet.
Motivering niet-stellen prejudiciële vragen n.a.v. Remling-arrest
12. [appellante sub 1] en anderen en de stichting betogen dat de Afdeling in de tussenuitspraak ten onrechte niet heeft gereageerd op het verzoek om prejudiciële vragen te stellen. Bij hun betoog dat het college van GS geen ontheffing op grond van de Wnb had mogen verlenen, hebben zij aangevoerd dat de Afdeling vanwege het achterliggende Europese recht prejudiciële vragen zou moeten stellen aan het Hof van Justitie. Dat de Afdeling hier niet op heeft gereageerd in de tussenuitspraak, is volgens hen in strijd met het arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243. Ook is volgens [appellante sub 1] en anderen geen van de drie uitzonderingen op de verwijzingsverplichting voldaan zoals bedoeld in het arrest van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335.
12.1. De Afdeling stelt voorop dat de uitspraak ten aanzien van het besluit van 7 februari 2023, waarbij het college van GS de eerder verleende Wnb-ontheffing heeft gewijzigd, een einduitspraak is. Dat is in rechtsoverweging 156 ook expliciet overwogen en blijkt ook uit het dictum. Deze uitspraak is in zoverre bindend tussen partijen en van een rechterlijk oordeel in een einduitspraak kan niet worden teruggekomen. De rechtmatigheid van dat besluit kan in deze procedure niet meer ter discussie worden gesteld en ligt hier ook niet meer ter beoordeling voor.
Het betoog slaagt niet.
13. [appellante sub 1] en anderen betogen dat de Afdeling in de tussenuitspraak niet goed heeft gemotiveerd waarom het niet nodig was om prejudiciële vragen te stellen. Zij hebben de Afdeling verzocht om vragen te stellen over de toepassing van het relativiteitsvereiste en het verwevenheidsvereiste in het kader van de uitvoerbaarheidstoets van soortenbescherming bij het PIP. In 101.8 van de tussenuitspraak staat dat zij niet duidelijk hebben gemaakt waarom er prejudiciële vragen gesteld moeten worden. Volgens [appellante sub 1] en anderen hebben zij dat echter voldoende onderbouwd in hun beroepschrift. Daarbij volgt uit het Remling-arrest dat het stellen van prejudiciële vragen niet afhankelijk hoeft te zijn van een uitdrukkelijk verzoek van partijen. Ook is volgens hen geen van de drie uitzonderingen op de verwijzingsverplichting voldaan zoals bedoeld in het Cilfit-arrest, aldus [appellante sub 1] en anderen.
13.1. De Afdeling stelt voorop dat onder 101.8 van de tussenuitspraak is gereageerd op het verzoek van [appellante sub 1] en anderen en de stichting om prejudiciële vragen te stellen.
Voor zover [appellante sub 1] en anderen en de stichting zich met hun betogen richten tegen de oordelen die de Afdeling heeft gegeven over het besluit van 7 februari 2023, waarbij het college van GS de eerder verleende Wnb-ontheffing heeft gewijzigd, stelt de Afdeling voorop dat de eerdere uitspraak ten aanzien van dat besluit een einduitspraak is. Deze uitspraak is in zoverre bindend tussen partijen en van een rechterlijk oordeel in een einduitspraak kan niet worden teruggekomen. De rechtmatigheid van dat besluit kan in deze procedure niet meer ter discussie worden gesteld en ligt hier ook niet meer ter beoordeling voor.
Voor zover [appellante sub 1] en anderen en de stichting zich met deze betogen richten tot de oordelen die de Afdeling heeft gegeven over het PIP, geldt dat, zoals hierboven ook is vermeld, de Afdeling alleen in uitzonderlijke gevallen kan terugkomen van een in de tussenuitspraak gegeven oordeel. Een uitzonderlijk geval is hier niet aan de orde, zodat de Afdeling uitgaat van het in de tussenuitspraak gegeven oordeel.
Het betoog slaagt niet.
14. [appellante sub 1] en anderen betogen dat de Afdeling ten onrechte geen prejudiciële vragen heeft gesteld over de toepassing van het ORNIS-criterium. In hun beroepschrift hebben zij de Europeesrechtelijke houdbaarheid van het ORNIS-criterium aan de orde gesteld.
14.1. [appellante sub 1] en anderen richten zich met dit betoog tot het oordeel dat de Afdeling heeft gegeven over het besluit van 7 februari 2023, waarbij het college van GS de eerder verleende Wnb-ontheffing heeft gewijzigd. De Afdeling stelt voorop dat de eerdere uitspraak ten aanzien van dat besluit een einduitspraak is. Deze uitspraak is in zoverre bindend tussen partijen en van een rechterlijk oordeel in een einduitspraak kan niet worden teruggekomen. De rechtmatigheid van dat besluit kan in deze procedure niet meer ter discussie worden gesteld en ligt hier ook niet meer ter beoordeling voor.
Het betoog slaagt niet.
Zijn de gebreken hersteld in het herstelbesluit?
Zijn er ten onrechte geen nieuwe besluiten genomen?
15. [appellante sub 1] en anderen, [appellant sub 2A] en de stichting betogen dat provinciale staten geen uitvoering hebben gegeven aan de opdracht in de tussenuitspraak. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling provinciale staten opgedragen om een nadere motivering te geven op het punt van de (mogelijke) gevolgen van de erosie van (de coatings op) wieken, met name van emissie van BPA, voor de gezondheid en het milieu. Het college van GS heeft wel een besluit genomen over de aanvullende motivering, maar provinciale staten niet. Uit de statenbrief van 26 augustus 2026 van het college van GS aan provinciale staten blijkt dat provinciale staten alleen geïnformeerd zijn over de resultaten van het aanvullende onderzoek over wiekerosie en de emissie van BPA en over het standpunt van het college van GS. Het college van GS heeft niet voorgesteld dat provinciale staten die motivering tot de hunne maken.
15.1. In de tussenuitspraak is geconstateerd dat het besluit onvoldoende was gemotiveerd en is de opdracht gegeven om die motivering aan te vullen. Dat is gebeurd. In de namens de gemachtigde van provinciale staten aan de Afdeling gezonden brief van 16 oktober 2026 staat onder verwijzing naar de notitie van Witteveen en Bos van 14 augustus 2025 dat provinciale staten naar hun oordeel daarmee het motiveringsgebrek hebben geheeld.
Het betoog slaagt niet.
16. [appellante sub 1] en anderen, [appellant sub 2A] en de stichting betogen dat niet is gebleken dat het college van GS het m.e.r.-beoordelingsbesluit heeft gewijzigd door de motivering aan te vullen, of dat een nieuw m.e.r.-beoordelingsbesluit is genomen. Volgens hen had dit wel gemoeten.
16.1. In de tussenuitspraak is geconstateerd dat het besluit onvoldoende was gemotiveerd en is de opdracht gegeven om die motivering aan te vullen. Dat is gebeurd. Het college van GS heeft zich onder verwijzing naar de notitie van Witteveen en Bos van 14 augustus 2025 op het standpunt gesteld dat in de m.e.r.-beoordelingsbesluiten terecht is geoordeeld dat geen sprake is van ontoelaatbaar nadelige gevolgen voor het milieu, zodat er geen MER gemaakt hoefde te worden. In zoverre heeft het college van GS het m.e.r.-beoordelingsbesluit voorzien van een nadere motivering en is voldaan aan de opdracht in de tussenuitspraak.
Het betoog slaagt niet.
Is de nadere motivering over BPA voldoende?
17. Provinciale staten en het college van GS hebben zich onder verwijzing naar de notitie van Witteveen en Bos van 14 augustus 2025 op het standpunt gesteld dat de emissie van BPA door windturbines tot verwaarloosbare concentraties in de lucht leidt en geen betekenis heeft voor de volksgezondheid en het milieu. Volgens hen betekent dit dat het PIP in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Ook betekent dit dat in de m.e.r.-beoordelingsbesluiten terecht is geconcludeerd dat er geen MER gemaakt hoefde te worden en dat de OBM terecht is verleend.
In de notitie van Witteveen en Bos is gereageerd op de notitie van Van Giesen van 8 juli 2024. In deze notitie van Van Giesen wordt, kort samengevat, gewaarschuwd dat door de erosie van windturbines veel BPA kan vrijkomen, wat schadelijk is voor het milieu en de menselijke gezondheid.
In de notitie van Witteveen en Bos wordt geconcludeerd dat de notitie van Van Giesen een foute (en daardoor onrealistisch hoge) schatting van de emissies van BPA door windturbines geeft. Dit wordt onder andere veroorzaakt door de onjuiste aanname van Van Giesen dat epoxyhars 30-33% BPA zou bevatten. In de notitie van Witteveen en Bos wordt verder toegelicht dat voor de productie van windturbinebladen gebruik wordt gemaakt van epoxyhars. Om epoxyhars te maken, wordt gebruik gemaakt van een stof die bekend staat als BADGE. Bij de productie van BADGE laat men BPA reageren met een andere stof. Het kan gebeuren dat niet alle BPA reageert. Volgens Witteveen en Bos gaat het slechts om minuscule restsporen van 0,01-0,001%. De (worst case) emissie van BPA kan volgens Witteveen en Bos worden geschat op circa 2 gram per jaar per windturbine. Witteveen en Bos gaan er daarbij van uit dat de slijtage epoxyhars worst case 14 kg per jaar bedraagt en van de hoogst bekende gehaltes van 0,016% van BPA in de hars.
18. Appellanten betogen dat provinciale staten en het college van GS met de aanvullende motivering onder verwijzing naar de notitie van Witteveen en Bos van 14 augustus 2025 nog steeds niet goed hebben gemotiveerd waarom er geen MER gemaakt hoeft te worden. Daarbij is volgens hen de notitie van Witteveen en Bos ondeugdelijk. Zij wijzen op diverse gebreken.
18.1. In de eerste plaats gaat de notitie volgens [appellante sub 1] en anderen, [appellant sub 2A] en de stichting alleen over BPA, terwijl de opdracht van de Afdeling ging over erosie in het algemeen. Met de verwijzing naar de notitie van Witteveen en Bos van 14 augustus 2025 is het college van GS dus nog steeds niet ingegaan op de onderwerpen ‘productie van afvalstoffen’ en ‘verontreiniging en hinder’ in de zin van bijlage III, onder 1, onderdelen d en e, van de MER-richtlijn.
18.1.1. De Afdeling stelt voorop dat de opdracht in de tussenuitspraak was om in het licht van het stuk van Van Giesen van 8 juli 2024 en de quickscan van het RIVM nader te beoordelen en toereikend te motiveren wat de (mogelijke) gevolgen zijn van de erosie van (de coatings op) de wieken, met name van de emissie van BPA, voor de gezondheid van omwonenden en het milieu. Onder 86.2 van de tussenuitspraak is overwogen dat deze stukken met name betrekking hebben op de emissies van BPA vanuit windturbines, als gevolg van erosie van coatings. Dat de notitie van Witteveen en Bos van 14 augustus 2025 gefocust is op BPA, leidt daarom niet tot de conclusie dat het college van GS en provinciale staten zich daar niet op mochten baseren bij het herstel van de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken. Daarbij hebben appellanten en de stichting ook niet onderbouwd welke andere relevante stoffen nog onderzocht hadden moeten worden.
Het betoog slaagt niet.
18.2. In de tweede plaats volgt volgens appellanten uit de notitie van Witteveen en Bos van 14 augustus 2025 dat het wel meevalt met de erosie en de emissie van BPA. Maar uit de notitie van Van Giesen van 12 december 2025 volgt dat de notitie van Witteveen en Bos diverse gebreken bevat. Appellanten wijzen op diverse punten in de notitie van Witteveen en Bos die volgens Van Giesen ondeugdelijk zijn. Zij betogen dat met de notitie van Witteveen en Bos geen onafhankelijk onderzoek is verricht, dat de aannames in de notitie fysisch onhoudbaar zijn en dat verschillende erkende faalmechanismen buiten beschouwing zijn gelaten.
18.2.1. De Afdeling heeft aan de STAB gevraagd om de gepresenteerde inzichten over de gevolgen voor de gezondheid van de omwonenden en voor het milieu van de emissie van BPA door erosie van (de coatings) op de wieken in de bijlage bij deze uitspraak genoemde stukken te beoordelen.
18.2.2. Appellanten betogen in hun zienswijze dat het deskundigenrapport gebrekkig is. In de eerste plaats heeft de STAB ten onrechte geen locatiebezoek afgelegd. Volgens hen was voor het onderzoek een goed beeld van de lokale situatie noodzakelijk. In de Gedragscode voor gerechtelijk deskundigen staat dat in het verslag gemotiveerd melding wordt gedaan als er wordt afgezien van een onderzoek ter plaatse, maar de motivering die de STAB heeft gegeven, voldoet niet.
18.2.2.1. In artikel 21, eerste lid, van de Gedragscode staat dat in geval van onderzoek ter plaatse de deskundige een bezoek brengt aan alle locaties, voor zover dit voor de beoordeling van het geschil noodzakelijk is. De aard van het beroep of de opdracht van de Afdeling kan aanleiding geven om van het onderzoek ter plaatse af te zien.
In het deskundigenrapport staat vermeld dat de STAB vanwege de onderzoeksopdracht in dit geval het plangebied van het PIP niet heeft bezocht en geen gesprekken heeft gevoerd met de partijen. Naar het oordeel van de Afdeling was onderzoek ter plaatse, gelet op de onderzoeksopdracht, inderdaad niet noodzakelijk.
Het betoog slaagt niet.
18.2.3. In de tweede plaats zijn de uitkomsten van het deskundigenrapport volgens appellanten onbetrouwbaar. Zij verwijzen ter ondersteuning naar drie notities van Van Giesen, Bron en Goudriaan en Suichies.
18.2.3.1. De Afdeling ziet aanleiding om het indienen van deze stukken in strijd met de goede procesorde te achten. De reden hiervoor is dat deze stukken omvangrijk en complex zijn en deskundigheid vereist is om daar adequaat op te kunnen reageren. Daarnaast valt niet in te zien waarom deze stukken niet in een eerder stadium, bijvoorbeeld na het conceptrapport van de STAB, konden worden ingediend. Als dit wel was gebeurd, had de STAB in het definitieve rapport kunnen reageren op de inzichten en standpunten die in deze nadere stukken worden gepresenteerd. En dan hadden de andere partijen daar ook tijdig kennis van kunnen nemen en op kunnen reageren. Het nu alsnog aanhouden van de zaak zou leiden tot een onaanvaardbare vertraging van de procedure in het licht van de belangen van de overige partijen en een goede rechtspleging.
18.2.3.2. De Afdeling overweegt vervolgens dat de bestuursrechter in beginsel mag afgaan op de inhoud van het verslag van een onafhankelijke deskundige als bedoeld in artikel 8:47 van de Awb. Dat is slechts anders als dat verslag onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen of anderszins zodanige gebreken bevat, dat het niet aan de oordeelsvorming ten grondslag mag worden gelegd (zie ook de uitspraak van de Afdeling van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2015:2287). De Afdeling ziet in wat appellanten verder hebben aangevoerd geen aanleiding voor dat oordeel.
18.3. De STAB heeft in het deskundigenbericht toegelicht dat BPA een hoofdbestanddeel is in de productie van epoxymateriaal en dat het door de verwerking naar BADGE niet meer de (gevaars)eigenschappen heeft van BPA. Wel is het mogelijk dat er restanten niet-gereageerd BPA in het epoxymateriaal achterblijven. Volgens de STAB kan hierbij worden uitgegaan van een orde van grootte van 0,0155% niet-gereageerd BPA, die ook genoemd wordt door het RIVM en in de notitie van Witteveen en Bos van 14 augustus 2025.
Verder heeft de STAB in het deskundigenbericht geconcludeerd dat bij de erosie van windturbinewieken epoxy(fijn)stof kan vrijkomen. De mate van erosie is onzeker en afhankelijk van de (materiaaltechnische) uitvoering en het onderhoudsregime van de windturbines. Volgens de STAB kan in dit geval redelijkerwijs worden uitgegaan van een worst case emissie van 12,1 kg tot 21,26 kg per turbine per jaar. Voor het gehele windpark IJsselwind kan in het uiterste geval per jaar 63,78 kg epoxy-fijnstof vrijkomen. Dit komt neer op een BPA-emissie van enkele grammen per jaar. De STAB ziet in de ingebrachte stuken en andere literatuur geen concrete aanwijzingen dat deze emissies op zichzelf tot gezondheidsrisico’s voor omwonenden leiden. Deze emissie leidt op leefniveau niet tot een relevante concentratie epoxy-fijnstof of BPA in de lucht, zelfs niet wanneer van een worstcasescenario wordt uitgegaan. Indirecte blootstellingsroutes zijn mogelijk, maar de mate waarin deze plaatsvinden zijn erg onzeker en lijken op basis van de beschikbare informatie laag, aldus de STAB.
18.4. De Afdeling stelt voorop dat de STAB in het deskundigenbericht heeft toegelicht dat BPA en microplastics schadelijk zijn voor de gezondheid. Voor zover emissies van windturbines tot gezondheidseffecten of milieuschade leiden, moet dit volgens de STAB worden gezien als onderdeel van een bredere problematiek van menselijke blootstelling aan microplastics en BPA, en de (maatschappij-brede) emissie van microplastics naar het milieu. De Afdeling begrijpt dan ook dat appellanten bezorgd zijn over de emissie van BPA en de schadelijke gevolgen hiervan voor het milieu en de menselijke gezondheid. Maar uit het deskundigenrapport volgt dat de windturbines van windpark IJsselwind niet in een relevante mate bijdragen aan deze problematiek. Naar het oordeel van de Afdeling hebben provinciale staten en het college van GS zich voldoende rekenschap gegeven van de emissie van BPA als gevolg van de erosie van de windturbinewieken.
De Afdeling ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten windpark IJsselwind niet in overeenstemming met de goede ruimtelijke ordening mochten achten. Dit betekent ook dat provinciale staten en het college van GS met de verwijzing naar de notitie van Witteveen en Bos toereikend gemotiveerd hebben waarom zich in zoverre geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen voordoen, die maken dat er een MER gemaakt had moeten worden.
Het betoog slaagt niet.
18.5. Appellanten wijzen er in de derde plaats op dat in de notitie van Witteveen en Bos wordt gesproken over de toepassing van een extra beschermende coating op de voorrand van de wieken, de zogenoemde Leading edge protection (LEP). In het PIP en de omgevingsvergunningen is alleen niet voorgeschreven dat LEP moet worden toegepast.
18.5.1. De Afdeling ziet, gelet op de conclusies in het deskundigenrapport, geen aanleiding voor het oordeel dat de toepassing van LEP noodzakelijk is om de gevolgen van het windpark aanvaardbaar te achten. Maar provinciale staten en het college van GS hebben verklaard dat zij bereid zijn om tegemoet te komen aan de zorgen van appellanten en hebben de Afdeling verzocht om met toepassing van 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien. Zij verzoeken om de regels van het PIP en de voorschriften van de omgevingsvergunningen aan te vullen zodat een windturbine uitsluitend voor energieproductie in gebruik mag worden genomen en gehouden als de turbinebladen aan de voorzijde middels een coating zijn voorzien van LEP ter voorkoming of beperking van bladerosie. De Afdeling zal conform het verzoek van provinciale staten en het college van GS de besluiten zelf voorziend wijzigen. De Afdeling betrekt hierbij dat het waterschap en IJsselwind B.V. hebben aangegeven dat zij kunnen instemmen met het verzoek van provinciale staten en het college van GS.
Appellanten hebben in hun zienswijze op het deskundigenrapport toegelicht dat alleen het voorschrijven van LEP onvoldoende is. Dit is volgens hen in de eerste plaats zo omdat de slijtage van andere delen dan de leading edge belangrijker zijn. In de tweede plaats is het effect van zo’n beschermlaag niet onderzocht in het deskundigenrapport. In de derde plaats zou in zo’n voorschrift duidelijk gemaakt moeten worden om wat voor LEP het dan gaat en hoeveel bescherming die moet bieden. De Afdeling overweegt hierover dat, zoals ook volgt uit bovenstaande, het niet noodzakelijk is om de toepassing van LEP voor te schrijven in de besluiten. In het bijzonder geldt voor het PIP dat het niet vanzelfsprekend is om daarin bijvoorbeeld materiaalvoorschriften op te nemen. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat in het PIP of in de omgevingsvergunningen nadere eisen moeten worden gesteld aan LEP.
Het betoog slaagt.
Overschrijding redelijke termijn
19. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak overwogen dat in de einduitspraak zou worden beoordeeld of voor de overige procespartijen de redelijke termijn is overschreden en of een vergoeding van immateriële schade moet worden toegekend.
19.1. Zoals ook in de tussenuitspraak is overwogen, is de redelijke termijn overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit één rechterlijke instantie bestaat zonder voorafgaande bezwaarprocedure, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste twee jaar redelijk. De termijn begint op het moment van ontvangst van het beroepschrift door de Afdeling.
19.2. De Afdeling heeft de beroepschrift van [appellante sub 1] en anderen, [appellant sub 2A] en de stichting ontvangen op 4 januari 2023. Voor Windpark IJsselwind B.V. en Waterschap Rijn en IJssel, die als belanghebbende zoals bedoeld in artikel 8:26, eerste lid, van de Awb hebben deelgenomen aan deze procedure, is de termijn ook begonnen op 4 januari 2023, omdat zij toen partij zijn geworden bij deze procedure.
De redelijke termijn is in deze procedure dus met één jaar en ruim negen maanden overschreden.
19.3. In zaken waarin een tussenuitspraak is gedaan, wordt de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig toegerekend aan het bestuursorgaan, tenzij in de rechterlijke fase de redelijke behandelingsduur is overschreden. De redelijke behandelingsduur is niet overschreden als na instellen van het beroep een tussenuitspraak is gedaan binnen een termijn van twee jaar en de einduitspraak is gedaan binnen een jaar na ontvangst van de mededeling van het bestuursorgaan van de wijze waarop het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek is hersteld. De Afdeling heeft de redelijke behandelingsduur tot het doen van een tussenuitspraak met één jaar en ruim negen maanden overschreden. Van deze overschrijding van de redelijke behandelingsduur wordt een periode van zeven maanden aan de Afdeling toegerekend.
19.4. De Afdeling hanteert een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per halfjaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Daarmee wordt de schadevergoeding vastgesteld op € 2.000,00. Daarbij wordt opgemerkt dat [appellante sub 1] en anderen met zijn zessen en [appellant sub 2A] met zijn tweeën procederen, waarin de Afdeling in dit geval aanleiding ziet om het bedrag te matigen. Het berekende bedrag aan schadevergoeding wordt gedeeld door het aantal appellanten dat gezamenlijk procedeert, met dien verstande dat aan appellanten minimaal 25% van dat bedrag wordt toegekend (zie ook de uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1202). Deze matiging acht de Afdeling redelijk, vanwege de matigende invloed die het samen deelnemen in het voorliggende geval heeft gehad op de mate van stress, ongemak en onzekerheid die zij hebben ondervonden door de te lang durende procedure. Dit geldt ook voor het waterschap en IJsselwind B.V.
Eindconclusie
20. Gelet op het voorgaande hebben provinciale staten en het college van GS de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken hersteld.
21. Uit de tussenuitspraak volgt dat de beroepen van [appellante sub 1] en anderen, [appellant sub 2A] en de stichting tegen het besluit van 16 november 2022 tot vaststelling van het inpassingsplan "Windpark IJsselwind Zutphen" en de twee besluiten van 23 november 2022 tot verlening van de twee omgevingsvergunningen, gegrond zijn. Die besluiten moeten dus worden vernietigd.
22. De Afdeling ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van de besluiten met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van Awb, in stand te laten, behalve voor zover de hierna vermelde planregel en voorschriften in de omgevingsvergunningen niet zijn opgenomen in de besluiten.
23. Nu niet aannemelijk is dat derden in hun belangen zouden kunnen worden geschaad, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb, zelf in de zaak te voorzien door op de hierna beschreven wijze de planregels in het PIP en de voorschriften in de omgevingsvergunningen aan te vullen en te bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde besluiten.
a. Aan de regels van het PIP wordt een nieuw artikel 3.3.6 toegevoegd, dat als volgt komt te luiden:
"3.3.6 Wiekerosie. Een windturbine mag uitsluitend voor energieproductie in gebruik worden genomen en gehouden als de turbinebladen aan de voorzijde middels een coating zijn voorzien van leading edge protection ter voorkoming of beperking van bladerosie."
b. Aan de voorschriften van de omgevingsvergunning voor Waterschap Rijn en IJssel (kenmerk D221190432) wordt onder een nieuw toe te voegen kop "Wiekerosie" een nieuw voorschrift 18 toegevoegd, dat als volgt komt te luiden:
"18. Een windturbine mag uitsluitend voor energieproductie in gebruik worden genomen en gehouden als de turbinebladen aan de voorzijde middels een coating zijn voorzien van leading edge protection ter voorkoming of beperking van bladerosie".
c. Aan de voorschriften van de omgevingsvergunning voor IJsselwind B.V. (kenmerk D221190470) wordt onder een nieuw toe te voegen kop "Wiekerosie" een nieuw voorschrift 17 toegevoegd, dat als volgt komt te luiden:
"17. Een windturbine mag uitsluitend voor energieproductie in gebruik worden genomen en gehouden als de turbinebladen aan de voorzijde middels een coating zijn voorzien van leading edge protection ter voorkoming of beperking van bladerosie".
De Afdeling zal provinciale staten opdragen om ervoor zorg te dragen dat dit wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening.
24. Provinciale staten en het college van GS moeten de proceskosten van [appellante sub 1] en anderen vergoeden. Hoewel andere appellanten ook hebben verzocht om vergoeding van hun kosten, hebben zij geen kosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.
25. [appellante sub 1] en anderen hebben betoogd dat dit een zeer zware zaak is, waarvoor op grond van onderdeel C1 van de bijlage van het Besluit proceskosten bestuursrecht de wegingsfactor 2 moet worden toegepast.
25.1. In de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht is het volgende vermeld: "Het bedrag van de kosten, bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, wordt vastgesteld door aan de verrichte proceshandelingen punten toe te kennen overeenkomstig onderstaande lijst (A) en die punten te vermenigvuldigen met de waarde per punt (B) en met de toepasselijke wegingsfactoren (C)."
25.2. Onderdeel C1 van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht bevat wegingsfactoren voor het gewicht van de zaak. Deze wegingsfactoren worden toegepast bij de berekening van de kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 11 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:408), behoort de behandeling van een zaak in de bezwaar- en beroepsprocedure in beginsel tot de categorie gemiddeld, tenzij er duidelijke redenen zijn om hiervan af te wijken.
25.3. De Afdeling ziet geen aanleiding om in deze zaak de wegingsfactor 2 (zeer zwaar) of 1,5 (zwaar) toe te passen. [appellante sub 1] en anderen hebben geen redenen aangevoerd waarom een hogere wegingsfactor toegepast moet worden. De Afdeling gaat daarom bij de berekening van de kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand uit van wegingsfactor 1 (gemiddeld) als bedoeld in onderdeel C1 van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart de beroepen van [appellante sub 1] en anderen, [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], en Stichting Eefde Tegen-wind tegen het besluit van 16 november 2022, waarbij provinciale staten van Gelderland het inpassingsplan "Windpark IJsselwind Zutphen" hebben vastgesteld, gegrond;
II. verklaart de beroepen van [appellante sub 1] en anderen, [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], en Stichting Eefde Tegen-wind tegen het besluit van 23 november 2022, waarbij het college van gedeputeerde staten van Gelderland aan Waterschap Rijn en IJssel een omgevingsvergunning heeft verleend voor twee windturbines met inkoopstation (kenmerk D221190432), gegrond;
III. verklaart de beroepen van [appellante sub 1] en anderen, [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], en Stichting Eefde Tegen-wind tegen het besluit van 23 november 2022, waarbij het college van gedeputeerde staten van Gelderland aan IJsselwind B.V. een omgevingsvergunning heeft verleend voor één windturbine met inkoopstation, traforuimte en de bijbehorende wegen, kraanopstelplaats en kabeltracé (kenmerk D221190470), gegrond;
IV. vernietigt de hierboven genoemde besluiten van 16 november 2022 en 23 november 2022;
V. bepaalt dat de rechtsgevolgen van de onder IV vernietigde besluiten in stand blijven, behalve voor zover de hierna in onderdeel VI vermelde planregel en voorschriften daarin niet zijn opgenomen;
VI. bepaalt dat:
• aan de planregels van het inpassingsplan "Windpark IJsselwind Zutphen een nieuw artikel 3.3.6 wordt toegevoegd, dat als volgt komt te luiden:
"3.3.6 Wiekerosie. Een windturbine mag uitsluitend voor energieproductie in gebruik worden genomen en gehouden als de turbinebladen aan de voorzijde middels een coating zijn voorzien van leading edge protection ter voorkoming of beperking van bladerosie."
• aan de voorschriften van de omgevingsvergunning voor Waterschap Rijn en IJssel (kenmerk D221190432) onder een nieuw toe te voegen kop "Wiekerosie" een nieuw voorschrift 18 wordt toegevoegd, dat als volgt komt te luiden:
"18. Een windturbine mag uitsluitend voor energieproductie in gebruik worden genomen en gehouden als de turbinebladen aan de voorzijde middels een coating zijn voorzien van leading edge protection ter voorkoming of beperking van bladerosie".
• aan de voorschriften van de omgevingsvergunning voor IJsselwind B.V. (kenmerk D221190470) onder een nieuw toe te voegen kop "Wiekerosie" een nieuw voorschrift 17 wordt toegevoegd, dat als volgt komt te luiden:
"17. Een windturbine mag uitsluitend voor energieproductie in gebruik worden genomen en gehouden als de turbinebladen aan de voorzijde middels een coating zijn voorzien van leading edge protection ter voorkoming of beperking van bladerosie".
VII. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de in onderdeel IV vernietigde besluiten van 16 november 2022 en 23 november 2022;
VIII. draagt provinciale staten van Gelderland op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat de hiervoor vermelde onderdelen VI en VII worden verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening;
IX. veroordeelt provinciale staten van Gelderland en het college van gedeputeerde staten van Gelderland, ieder voor de helft, tot vergoeding van in verband met de behandeling van het beroep bij [appellante sub 1] en anderen, opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 5.200,25, waarvan € 3.269,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en waarvan € 1.931,25, kosten van deskundigen betreft, te verhogen met de daarover verschuldigde omzetbelasting, met dien verstande dat bij de betaling van genoemd bedrag aan één van hen, de bestuursorganen aan hun betalingsverplichting hebben voldaan;
X. gelast dat provinciale staten van Gelderland en het college van gedeputeerde staten van Gelderland, ieder voor de helft, aan appellanten vergoeden het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van
• € 365,00 voor [appellante sub 1] en anderen, met dien verstande dat bij de betaling van genoemd bedrag aan één van hen, de bestuursorganen aan hun betalingsverplichting hebben voldaan,
• € 184,00 voor [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], met dien verstande dat bij de betaling van genoemd bedrag aan één van hen, de bestuursorganen aan hun betalingsverplichting hebben voldaan,
• € 365,00 voor Stichting Eefde Tegen-wind;
XI. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om een schadevergoeding te betalen van
• € 954,54 voor [appellante sub 1] en anderen, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de Staat aan zijn verplichting heeft voldaan;
• € 636,36 voor [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de Staat aan zijn verplichting heeft voldaan;
• € 636,36 voor Stichting Eefde Tegen-wind;
• € 636,36 voor Windpark IJsselwind B.V. en Waterschap Rijn en IJssel, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de Staat aan zijn verplichting heeft voldaan;
XII. veroordeelt provinciale staten van Gelderland en het college van gedeputeerde staten van Gelderland, ieder voor de helft, om een schadevergoeding te betalen van
• € 2.045,45 voor [appellante sub 1] en anderen, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen zij aan hun verplichting hebben voldaan;
• € 1.363,64 voor [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen zij aan hun verplichting hebben voldaan;
• € 1.363,64 voor Stichting Eefde Tegen-wind;
• € 1.363,64 voor Windpark IJsselwind B.V. en Waterschap Rijn en IJssel, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen zij aan hun verplichting hebben voldaan.
Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, voorzitter, en mr. G.T.J.M. Jurgens en mr. B. Meijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.M. Schellingerhout, griffier.
w.g. Minderhoudvoorzitter
w.g. Schellingerhout
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2026
890
Bijlage
• "Beoordeling emissies van BPA vanuit windturbines" van Witteveen+Bos van 14 augustus 2025.
• "Toxische fijnstof emissie van Industriële Windturbine en impact op volksgezondheid" van R. van Giesen van 8 juli 2024;
• "Eerste inzicht in emissies en chemische stoffen bij windturbines op land: Resultaten QuickScan" van het RIVM;
• "Erosieve slijtage aan de voorrand en het middelste deel van kunststof windturbinewieken en de gevolgen voor mens, dier en leefomgeving" van R. van Giesen van 12 december 2025.
• de door partijen ingediende zienswijzen;
Relevante bijlage hierbij:
"Review door J. Goudriaan van ‘Erosieve slijtage aan de voorrand en het middelste deel van kunststof windturbinewieken en de gevolgen voor mens, dier en leefomgeving" van R. van Giesen van 12 december 2025’ van J. Goudriaan van 16 december 2025;
• de bij brief van 7 januari 2026 door [appellante sub 1] en anderen ingediende aanvulling op de zienswijze;
Relevante bijlagen hierbij:
"Addendum bij rapport ‘Erosieve slijtage aan de voorrand en het middelste deel van kunststof windturbinewieken en de gevolgen voor mens, dier en leefomgeving’ van R. van Giesen van 22 december 2025
"Verspreiding van Bisfenol A (BPA) in het milieu door erosie van de rotorbladen van windturbines" van B. Weteringe van 20 december 2025
• de reactie van het college van gedeputeerde staten van Gelderland en provinciale staten van Gelderland van 30 januari 2026 op de ingediende door partijen zienswijzen en de aanvulling van [appellante sub 1] en anderen daarop;
• de bij brief van 13 februari 2026 door [appellante sub 1] en anderen daarop ingediende reactie.
Bijlage:
"Reactie op de brief van mw. Barnhoorn aan de Afdeling bestuursrechtspraak RVS dd. 2026-01-30/ LB/RK/ 11019611/ WP IJsselwind" van R. van Giesen van 13 februari 2026"
Groen licht voor Windpark IJsselwind Zutphen
Er is groen licht voor ‘Windpark IJsselwind Zutphen’. Dat betekent dat er drie windturbines mogen worden gebouwd ten noorden van het bedrijventerrein De Mars in Zutphen. Dat blijkt uit een einduitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van vandaag (21 oktober 2026). Daarin zijn de besluiten van zowel provinciale staten als het college van gedeputeerde staten van Gelderland voor dit windpark in stand gelaten.
Eerdere tussenuitspraak
De Afdeling bestuursrechtspraak deed in juni 2025 al een gedeeltelijke tussen- en einduitspraak in deze zaak. Daarin verklaarde zij het merendeel van de bezwaren tegen het windpark ongegrond. Op twee punten waren de besluiten van de provincie echter onvoldoende gemotiveerd. De Afdeling bestuursrechtspraak droeg provinciale en gedeputeerde staten daarom op om alsnog toereikend te motiveren wat de mogelijke gevolgen zijn van wiekerosie voor mens en milieu en of in verband daarmee alsnog een milieueffectrapport moet worden opgesteld.
Wiekerosie
Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de provincie nader onderzoek laten doen naar de gevolgen van het loskomen van plasticdeeltjes en chemicaliën van de wieken door erosie. Bezwaarmakers twijfelen aan de juistheid van dat onderzoek en dienden tegenonderzoeken in. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft Stichting Advisering Bestuursrechtspraak gevraagd de ingediende onderzoeken te beoordelen. Mede op basis van dat zogenoemde deskundigenbericht komt de Afdeling bestuursrechtspraak tot het oordeel dat de provincie zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de uitstoot als gevolg van de erosie van de windturbinewieken.
Coating
In het provinciale onderzoek wordt gesproken over een extra beschermende coating op de wieken. De toepassing daarvan is echter niet verplicht gesteld in het plan en de omgevingsvergunningen. De provincie heeft toegelicht dat zij bezwaarmakers hierin tegemoet wil komen. Om die reden heeft de Afdeling bestuursrechtspraak ‘zelf voorziend’ in het plan en de vergunningen bepaald dat de windturbinewieken van deze coating moeten worden voorzien.