Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202403675/1/R4

Uitspraak 202403675/1/R4

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:6211
Datum uitspraak
21 oktober 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 22 februari 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Utrecht aan [appellante] een last onder dwangsom opgelegd. [persoon] is eigenaar van een bedrijfspand op het perceel Sint Laurensdreef 40 in Utrecht. Hij verhuurt dit bedrijfspand aan ALT Technologies B.V., die hier een bedrijf uitoefent. Daarnaast is [persoon] enig aandeelhouder en bestuurder van [appellante]. Tijdens een controle hebben toezichthouders geconstateerd dat in het bedrijfspand een stookinstallatie en brandstofleidingen aanwezig zijn die niet SCIOS goedgekeurd zijn. Dit is in strijd met artikel 3.10p van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 3.7m van de Activiteitenregeling milieubeheer. Met het besluit van 22 februari 2022 heeft het college aan [appellante] een last onder dwangsom opgelegd voor deze overtreding. Met het besluit van 29 december 2022 heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 22 februari 2022 in stand gelaten.
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202403675/1/R4.
Datum uitspraak: 21 oktober 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd in Utrecht,
appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-­Nederland van 1 mei 2024 in zaak nr. 23/853 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht.

Procesverloop

Bij besluit van 22 februari 2022 heeft het college aan [appellante] een last onder dwangsom opgelegd.

Bij besluit van 29 december 2022 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 1 mei 2024 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 september 2026, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. J. van de Riet, advocaat in Utrecht, en het college, vertegenwoordigd door mr. N. van Polanen, zijn verschenen. Verder is op zitting [persoon] gehoord.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet een overtreding heeft plaatsgevonden, is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en vóór dat tijdstip een last onder dwangsom is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, dan blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet op die opgelegde last onder dwangsom het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing tot het tijdstip waarop de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven.

Bij besluit van 22 februari 2022 heeft het college aan [appellante] een last onder dwangsom opgelegd. Dat betekent dat in dit geval het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.

Inleiding

2.       [persoon] is eigenaar van een bedrijfspand op het perceel Sint Laurensdreef 40 in Utrecht. Hij verhuurt dit bedrijfspand aan ALT Technologies B.V., die hier een bedrijf uitoefent. Daarnaast is [persoon] enig aandeelhouder en bestuurder van [appellante].

Tijdens een controle hebben toezichthouders geconstateerd dat in het bedrijfspand een stookinstallatie en brandstofleidingen aanwezig zijn die niet SCIOS goedgekeurd zijn. Dit is in strijd met artikel 3.10p van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 3.7m van de Activiteitenregeling milieubeheer.

Met het besluit van 22 februari 2022 heeft het college aan [appellante] een last onder dwangsom opgelegd voor deze overtreding. Met het besluit van 29 december 2022 heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 22 februari 2022 in stand gelaten.

Bij besluit van 21 november 2022 heeft het college besloten tot invordering van de verbeurde dwangsom van € 10.000,-. De invorderingsbeschikking is gericht aan [persoon].

3.       De rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat [appellante] geen procesbelang meer heeft, omdat het college in het besluit van 29 december 2022 het gebrek in het primaire besluit van 22 februari 2022 heeft hersteld en alsnog [persoon] in persoon als overtreder heeft aangemerkt en niet de vennootschap waarvan [persoon] bestuurder en enig aandeelhouder is. Daarnaast heeft de rechtbank het door [persoon] ingestelde bezwaar tegen de invorderingsbeschikking van 21 november 2022 terugverwezen naar het college om alsnog als bezwaarschrift in behandeling te nemen.

Heeft de rechtbank het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard?

4.       [appellante] betoogt dat de rechtbank haar beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.

De last onder dwangsom is met het besluit van 22 februari 2022 ten onrechte aan [appellante] opgelegd in plaats van aan [persoon]. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat dit gebrek is hersteld met het besluit op bezwaar van 29 december 2022. In het dictum van dat besluit staat uitdrukkelijk dat het besluit van 22 februari 2022 terecht is genomen en in stand wordt gelaten. Volgens [appellante] volgt echter uit artikel 7:11, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dat het college het besluit van 22 februari 2022 uitdrukkelijk had moeten herroepen en met een nieuw besluit een last onder dwangsom aan [persoon] had moeten opleggen. Doordat het college dit niet heeft gedaan, is een rechtsonzekere situatie ontstaan.

Het besluit op bezwaar is aan de gemachtigde verzonden, maar die trad volgens [appellante] tijdens de bezwaarprocedure alleen op namens de vennootschap. [persoon] is bij de hoorzitting alleen verschenen in zijn hoedanigheid van directeur van de vennootschap. Het college had in ieder geval na ontvangst van de gronden van bezwaar kunnen weten dat niet de juiste (rechts)persoon was aangeschreven.

Verder wijst [appellante] erop dat het college inmiddels een invorderingsbeschikking heeft genomen, die aan [persoon] is gericht, en dat een dwangbevel kan volgen. In het besluit van 22 februari 2022 dat de grondslag voor een eventueel dwangbevel vormt, wordt niet [persoon] maar de vennootschap genoemd.

5.       Het college is het eens met de uitspraak van de rechtbank. In het besluit op bezwaar van 29 december 2022 is erkend dat in het besluit van 22 februari 2022 niet de juiste overtreder is aangeschreven. Met het besluit op bezwaar is dit gebrek hersteld en is niet langer meer een last onder dwangsom opgelegd aan [appellante]. De last is met dit besluit opgelegd aan [persoon]. De rechtbank heeft in haar uitspraak bevestigd dat de last niet langer is gericht aan [appellante], waarvan [persoon] bestuurder en enig aandeelhouder is, maar aan [persoon] in persoon, als eigenaar van het perceel.

6.       [appellante] is geen eigenaar of huurder van het perceel. Niet in geschil is dat zij niet als overtreder van artikel 3.10p van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 3.7m van de Activiteitenregeling milieubeheer kan worden aangemerkt. Tussen partijen is ook niet in geschil dat [persoon] wel als overtreder van deze bepalingen kan worden aangemerkt.

6.1.    In het besluit van 29 december 2022 heeft het college erkend dat [appellante] ten onrechte als overtreder is aangeschreven en dat het college [persoon] had moeten aanschrijven. De Afdeling begrijpt het besluit zo dat het college hiermee heeft bedoeld het besluit van 22 februari 2022 te herroepen en in plaats daarvan een last onder dwangsom op te leggen aan [persoon]. Hoewel dit in het besluit van 29 december 2022 duidelijker verwoord had kunnen worden, kan het besluit naar het oordeel van de Afdeling niet anders worden uitgelegd. Het college heeft daarom niet in strijd gehandeld met artikel 7:11, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Hierbij is ook van belang dat ervan kan worden uitgegaan dat [persoon] van de wijziging van de aanschrijving op de hoogte was, omdat [appellante] en [persoon] in de bezwaarfase door dezelfde gemachtigde vertegenwoordigd werden. Dit is in de uitspraak van de rechtbank vastgesteld en de Afdeling ziet in wat [appellante] daartegen heeft aangevoerd geen reden om aan de juistheid hiervan te twijfelen.

De rechtbank is daarom terecht tot de conclusie gekomen dat de onjuiste aanschrijving met het besluit op bezwaar is hersteld en dat de last onder dwangsom door dat besluit niet meer aan [appellante] is gericht.

6.2.    Voor zover [appellante] op de zitting heeft betoogd dat [persoon] is benadeeld door de wijziging van de aanschrijving, kan dat in deze procedure niet worden beoordeeld. [persoon] heeft zelf geen hoger beroep ingesteld. De Afdeling kan daarom geen oordeel geven over de vraag of [persoon] is benadeeld doordat hij geen bezwaarschrift kon indienen tegen de oplegging van de last onder dwangsom in het besluit op bezwaar.

6.3.    Daarnaast vreest [appellante] dat zij met invordering van verbeurde dwangsommen geconfronteerd zal worden. Zoals hiervoor is overwogen, moet het besluit van 29 december 2022 zo worden uitgelegd dat de last onder dwangsom inmiddels aan [persoon] is gericht en dat het college [appellante] niet langer als overtreder aanmerkt. Met de uitspraak van de rechtbank is dat bevestigd. Er bestaat dus geen grondslag meer om bij [appellante] tot invordering van verbeurde dwangsommen over te gaan. Het college heeft dat overigens ook niet gedaan, want de invorderingsbeschikking van 21 november 2022 is gericht aan [persoon]. Naar het oordeel van de Afdeling kon [appellante] daarom geen procesbelang ontlenen aan de mogelijke invordering van verbeurde dwangsommen.

6.4.    Gelet hierop heeft de rechtbank het beroep van [appellante] terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie

7.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

8.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. J.J.W.P. van Gastel, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. Teuben, griffier.

w.g. Knol
voorzitter

w.g. Teuben
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2026

483


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon