Uitspraak 202504643/3/R1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:6055
- Datum uitspraak
- 14 oktober 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij uitspraak van 9 oktober 2025 heeft de voorzieningenrechter bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Schouwen-Duiveland van 13 november 2024 geschorst. [verzoekers] zijn eigenaar van het pand aan de [locatie 1] in Zierikzee. [partijen] zijn eigenaar van het aangrenzende pand aan de [locatie 2]-[locatie 3], dat is aangewezen als rijksmonument. Bij het besluit van 13 november 2024 heeft het college aan [partijen] een last onder dwangsom opgelegd met betrekking tot het pand [locatie 2]-[locatie 3]. De voorzieningenrechter heeft dat besluit bij uitspraak van 9 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4835, geschorst. De voorzieningenrechter heeft die beslissing gebaseerd op een belangenafweging. Daarbij heeft de voorzieningenrechter onder andere betrokken dat [partijen] een zwaarwegend belang hebben bij het niet hoeven uitvoeren van de last in de periode tot de uitspraak op het hoger beroep, en dat er geen concrete aanwijzingen zijn dat het pand van [verzoekers] verzakt of in de toekomst gaat verzakken als gevolg van de overtreding.
- Voorlopige voorziening
- Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
Toon inhoud
202504643/3/R1.
Datum uitspraak: 14 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek van:
[verzoeker A] en [verzoeker B], beiden wonend in [woonplaats],
verzoekers,
om opheffing (artikel 8:87 van de Algemene wet bestuursrecht) van de bij uitspraak van 9 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4835, getroffen voorlopige voorziening hangende het hoger beroep van:
[verzoekers]
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank ZeelandWestBrabant van 10 juli 2025 in zaak nr. 25/332 en 25/2460 in het geding tussen:
[partij A] en [partij B], beiden wonend in Zierikzee, gemeente Schouwen-Duiveland,
en
het college van burgemeester en wethouders van Schouwen-Duiveland.
Procesverloop
Bij uitspraak van 9 oktober 2025 heeft de voorzieningenrechter bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van 13 november 2024 geschorst.
[verzoekers] hebben de voorzieningenrechter verzocht de op 9 oktober 2025 getroffen schorsing op te heffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op een zitting behandeld op 1 oktober 2026, waar [verzoekers] en het college, vertegenwoordigd door M. Melissant en bijgestaan door mr. M.M.A.E. Vermeulen, advocaat in Nijmegen, zijn verschenen. Ook zijn op de zitting [partijen] gehoord.
Overwegingen
Inleiding
1. [verzoekers] zijn eigenaar van het pand aan de [locatie 1] in Zierikzee. [partijen] zijn eigenaar van het aangrenzende pand aan de [locatie 2]-[locatie 3], dat is aangewezen als rijksmonument. Bij het besluit van 13 november 2024 heeft het college aan [partijen] een last onder dwangsom opgelegd met betrekking tot het pand [locatie 2]-[locatie 3]. De voorzieningenrechter heeft dat besluit bij uitspraak van 9 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4835, geschorst. De voorzieningenrechter heeft die beslissing gebaseerd op een belangenafweging. Daarbij heeft de voorzieningenrechter onder andere betrokken dat [partijen] een zwaarwegend belang hebben bij het niet hoeven uitvoeren van de last in de periode tot de uitspraak op het hoger beroep, en dat er geen concrete aanwijzingen zijn dat het pand van [verzoekers] verzakt of in de toekomst gaat verzakken als gevolg van de overtreding.
Beoordeling van het verzoek
2. [verzoekers] hebben de voorzieningenrechter verzocht het college een aantal instructies te geven, waaronder de opdracht het pand aan de [locatie 2]-[locatie 3] te laten onderstempelen. Een voorlopige voorziening die dat mogelijk maakt is te verstrekkend. Dit zou namelijk in de bodemprocedure ook niet kunnen worden bereikt. De voorzieningenrechter vat het verzoek van [verzoekers] daarom op als een verzoek tot opheffing van de schorsing van het besluit van 13 november 2024.
3. [verzoekers] hebben aan hun verzoek ten grondslag gelegd dat de constructieve veiligheid van hun pand in geding is en dat daarom hun belang nu zwaarder weegt dan het belang van [partijen]. Doordat [partijen] hebben gebouwd in afwijking van de verleende omgevingsvergunning, is er volgens [verzoekers] een toename van de belasting en leidt dat tot verzakkingen van beide panden. Ook is de constructieve veiligheid in het geding. [verzoekers] verwijzen ter onderbouwing daarvan naar scheurmeters die zij op de binnenmuren van het pand [locatie 2]-[locatie 3] hebben geplaatst.
4. In opdracht van het college heeft Sweco op 9 juli 2026 een visuele inspectie met een beoordeling van de constructieve veiligheid uitgevoerd van het pand [locatie 2]-[locatie 3] in Zierikzee. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in de notitie "[locatie 2] Zierikzee" van 29 juli 2026. In deze notitie staat - kort gezegd - dat er geen conclusies kunnen worden getrokken uit de afleesbare waarden van de scheurmeters omdat deze niet door een onafhankelijk deskundige zijn aangebracht, er geen nulmeting van de gegevens bekend is en dat de waarden geen overeenkomstig beeld geven met de zichtbare scheurvorming. Sweco concludeert dat met grote zekerheid te stellen is dat de aanwezige scheurvorming geen negatieve invloed heeft op de constructieve veiligheid van de panden [locatie 1] en [locatie 2]. Ook staat in de notitie dat er geen verzakkingen waarneembaar zijn.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is op dit moment niet aannemelijk dat het pand van [verzoekers] verzakt of in de nabije toekomst gaat verzakken als gevolg van de overtreding. De notitie bevat geen aanknopingspunten voor de conclusie dat de constructieve veiligheid van het pand van [verzoekers] in het geding is, verzakt of in de toekomst gaat verzakken als gevolg van de overtreding met betrekking tot [locatie 2]-[locatie 3]. [verzoekers] hebben niet aannemelijk gemaakt dat het pand verzakt of dat het constructief niet veilig is. De door [verzoekers] overgelegde e-mail van 30 september 2026 van Vocon over de draagkracht van de bodem op de Melkmarkt, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat aan de conclusie van Sweco moet worden getwijfeld. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding voor opheffing van de bij uitspraak van 9 oktober 2025 getroffen voorziening.
Conclusie
5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
6. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.L. Denters, griffier.
w.g. Knol
voorzieningenrechter
w.g. Denters
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2026
672-1124