Uitspraak 202602890/1/R3 en 202602890/2/R3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:6039
- Datum uitspraak
- 14 oktober 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 6 oktober 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam aan [appellant] een last onder dwangsom opgelegd wegens het zonder omgevingsvergunning realiseren van twee overkappingen en het houden van paarden op het perceel aan de [locatie 1] in Rotterdam. [partij A] en [partij B] wonen aan de [locatie 2] in Rotterdam. [appellant] is eigenaar van het naastgelegen perceel [locatie 1]. Op dit perceel staan paarden en twee schuilstallen voor de paarden. [partijen] ondervinden hiervan overlast en hebben in 2022 verzocht om handhaving. Het college heeft vervolgens verschillende besluiten genomen. Het hoger beroep van [appellant] richt zich tegen de uitspraak van de rechtbank van 7 september 2026 waarin de twee besluiten van 2 december 2025 en 29 mei 2026, zoals genoemd in het procesverloop, aan de orde zijn.
- Voorlopige voorziening / hoofdzaak
- Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
Toon inhoud
202602890/1/R3 en 202602890/2/R3.
Datum uitspraak: 14 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam (rechtbank) van 7 september 2026 in zaken nrs. 26/5755 en 26/244 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.
Procesverloop
Bij besluit van 6 oktober 2022 heeft het college aan [appellant] een last onder dwangsom opgelegd wegens het zonder omgevingsvergunning realiseren van twee overkappingen en het houden van paarden op het perceel aan de [locatie 1] in Rotterdam.
Bij besluit van 8 januari 2024 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 25 april 2024 (in zaken nrs. 24/1974 en 24/3631) heeft de rechtbank Rotterdam het beroep van [appellant] tegen het besluit van 8 januari 2024 gedeeltelijk gegrond verklaard. De rechtbank heeft het besluit van 8 januari 2024 vernietigd, het college opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van [appellant] en het besluit van 6 oktober 2022 geschorst tot zes weken na bekendmaking van het nieuwe besluit op bezwaar.
Ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank heeft het college op 8 augustus 2024 opnieuw op het bezwaar van [appellant] beslist. Het college heeft het bezwaar gegrond verklaard voor zover het betreft het houden van paarden, en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard. Het college heeft daarbij de dwangsom bepaald op € 2.000,00 en een begunstigingstermijn vastgesteld. Tegen dit besluit is geen beroep ingesteld.
Bij besluit van 2 december 2025 heeft het college het besluit op bezwaar van 8 augustus 2024 ingetrokken en vervangen. Bij dit besluit heeft het college het bezwaar gegrond verklaard voor zover het betreft het houden van paarden en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard. Het college heeft daarbij de dwangsom bepaald op € 2.000,00 en een begunstigingstermijn vastgesteld.
[appellant] heeft hiertegen beroep ingesteld.
Bij besluit van 29 mei 2026 heeft het college de verbeurde dwangsom van € 2.000,00 ingevorderd.
Tegen dit besluit heeft [appellant] bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is door de rechtbank met toepassing van artikel 5:39 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) betrokken in de beroepsprocedure tegen het besluit van 2 december 2025.
Bij uitspraak van 7 september 2026 heeft de rechtbank het beroep van [appellant] tegen de besluiten van 2 december 2025 en 29 mei 2026 ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
[appellant] heeft de voorzieningenrechter ook gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek behandeld op de zitting van 8 oktober 2026, waar [appellant] is verschenen. Verder is op de zitting [partij A] bijgestaan door [persoon], als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt. Het verzoek om handhaving van de Wabo is gedaan op 4 mei 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak
2. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
Inleiding
3. [partij A] en [partij B] wonen aan de [locatie 2] in Rotterdam. [appellant] is eigenaar van het naastgelegen perceel [locatie 1]. Op dit perceel staan paarden en twee schuilstallen voor de paarden. [partijen] ondervinden hiervan overlast en hebben in 2022 verzocht om handhaving. Het college heeft vervolgens verschillende besluiten genomen. Het hoger beroep van [appellant] richt zich tegen de uitspraak van de rechtbank van 7 september 2026 waarin de twee besluiten van 2 december 2025 en 29 mei 2026, zoals genoemd in het procesverloop, aan de orde zijn.
Het hoger beroep
4. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet bevoegd was om uitspraak te doen op zijn beroep tegen het besluit van 2 december 2025 omdat dit besluit volgens hem een primair besluit is en dus geen besluit op bezwaar. Daarbij wijst hij erop dat het in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel dat het onherroepelijke besluit op bezwaar van 8 augustus 2024 door het college ambtshalve is ingetrokken en vervangen door het besluit van 2 december 2025. Verder betoogt hij dat hij ten onrechte niet is gehoord voorafgaand aan het nemen van dit besluit. Verder betoogt [appellant] dat onzorgvuldig met zijn belangen is omgegaan, doordat het verplaatsen van de schuilstallen geen oplossing biedt en de toezichthouder onzekerheid heeft gecreëerd over de vraag of de nieuwe schuilstallen voldoen aan het omgevingsplan.
Het oordeel van de voorzieningenrechter
5. De gronden die [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de uitspraak van de rechtbank onjuist of onvolledig zou zijn. De voorzieningenrechter kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 14, 15, 16, 19 en 20 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.
Zij voegt daaraan nog toe dat de rechtbank bevoegd was om een oordeel te geven over het besluit van 2 december 2025. De rechtbank heeft namelijk terecht geoordeeld dat het besluit van 2 december 2025 geen primair besluit maar een vervangend besluit op bezwaar is. Bij dit besluit heeft het college het besluit op bezwaar van 8 augustus 2024 ingetrokken en het bezwaar van [appellant] gegrond verklaard voor zover het betreft het houden van paarden en voor het overige ongegrond verklaard. Net als de rechtbank is de voorzieningenrechter van oordeel dat het college bevoegd was om op 2 december 2025 een vervangend besluit op bezwaar te nemen. Verder is de voorzieningenrechter van oordeel dat het college op grond van de wet noch de algemene beginselen van behoorlijk bestuur [appellant] voorafgaand aan het nemen van het besluit op bezwaar van 2 december 2025 in de gelegenheid had moeten stellen hierop mondeling of schriftelijk te reageren.
De betogen slagen niet.
Conclusie
6. Het hoger beroep is ongegrond. De voorzieningenrechter bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom af.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af;
Aldus vastgesteld door mr. J. Gundelach, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.P. van Kooten-Vroegindeweij, griffier.
w.g. Gundelach
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Kooten-Vroegindeweij
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2026
559