Uitspraak 202502660/3/R1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:5998
- Datum uitspraak
- 12 oktober 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 13 maart 2025 heeft de raad van de gemeente Echt-Susteren het bestemmingsplan "Woon-zorgcomplex Jozefstraat te Susteren" vastgesteld. Het plan voorziet in een woonzorgcomplex met 36 zorgappartementen met dagbesteding aan de Jozefstraat te Susteren. Daartoe is de bestemming "Maatschappelijk" en de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 3" en "Waarde - Cultuurhistorie" en een bouwvlak aan de gronden toegekend. De maximaal toegestane bouw- en goothoogte is 7 m.
- Voorlopige voorziening
- RO - Limburg
Toon inhoud
202502660/3/R1.
Datum uitspraak: 12 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in verband met een ambtshalve ingesteld onderzoek naar het bestaan van aanleiding voor opheffing of wijziging (artikel 8:87 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) van de bij uitspraak van 26 augustus 2026 getroffen voorlopige voorziening hangende het beroep van [verzoeker], wonend in Susteren, in het geding tussen:
[verzoeker]
en
de raad van de gemeente Echt-Susteren
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 13 maart 2025 heeft de raad het bestemmingsplan "Woon-zorgcomplex Jozefstraat te Susteren" vastgesteld.
Tegen dit besluit heeft [verzoeker] beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
[verzoeker] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Bij uitspraak van 26 augustus 2026, in zaak nr. 202502660/2, heeft de voorzieningenrechter bij wijze van ordemaatregel de voorlopige voorziening getroffen dat het besluit van de raad van 13 maart 2025 wordt geschorst.
[verzoeker], de raad en Stichting Nester hebben nadere stukken ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 17 september 2026, waar [verzoeker] en de raad, vertegenwoordigd door mr. J.L.G. Niederer, advocaat te Maastricht, en drs. L.M.M. van Horen, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Stichting Nester, vertegenwoordigd door mr. L. de Jeu, advocaat te Rotterdam, als partij gehoord.
Overwegingen
Voorlopig karakter
1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
Overgangsrecht Omgevingswet
2. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet (Iw Ow) blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet (Ow) ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 15 december 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
3. Het plan voorziet in een woonzorgcomplex met 36 zorgappartementen met dagbesteding aan de Jozefstraat te Susteren. Daartoe is de bestemming "Maatschappelijk" en de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 3" en "Waarde - Cultuurhistorie" en een bouwvlak aan de gronden toegekend. De maximaal toegestane bouw- en goothoogte is 7 m.
[verzoeker] woont op het perceel [locatie], tegenover het plangebied.
Ter zitting is gebleken dat een aanvraag is ingediend om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit ‘uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of werkzaamheid’ voor het rooien van een bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd.
Het bestemmingsplan is na inwerkingtreding op grond van artikel 4.6, eerste lid, aanhef en onder g, van de Iw Ow deel gaan uitmaken van het tijdelijk deel van het omgevingsplan als bedoeld in artikel 22.1 van de Ow.
4. Op 14 augustus 2026 heeft [verzoeker] een verzoek om voorlopige voorziening ingediend, omdat een omgevingsvergunning was aangevraagd voor een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow voor het rooien van bomen (waarbij stobben worden verwijderd). Omdat niet uitgesloten was dat door het geplande rooien van de bomen op zeer korte termijn een onomkeerbare situatie zou ontstaan, heeft de voorzieningenrechter bij de hiervoor genoemde uitspraak van 26 augustus 2026 een ordemaatregel getroffen door het bestemmingsplan te schorsen. De voorzieningenrechter zal hierna beoordelen of aanleiding bestaat om deze schorsing op te heffen of te wijzigen.
Inhoudelijke gronden
5. [verzoeker] vreest een aantasting van zijn woon- en leefklimaat door de gevolgen van het bestemmingsplan. Hij voert aan dat binnen het plangebied cultuurhistorisch waardevolle bomen staan, die moeten worden gekapt om het plan uit te voeren. Het plan borgt verder ook niet de aanplanting van nieuw groen. Verder voert hij aan dat er geen behoefte is aan de zorgvoorzieningen die het plan mogelijk maakt en dat er alternatieve locaties voor de zorgvoorzieningen zijn. Die alternatieven heeft de raad volgens hem onvoldoende onderzocht. Ook de verkeershinder tijdens de bouw en de gebruiksfase is volgens hem onvoldoende onderzocht. Hij voert aan dat de wegen in de omgeving te smal zijn voor vrachtwagens en dat een verkeersonderzoek ontbreekt. Tot slot voert [verzoeker] aan dat de vleermuizen in het plangebied onvoldoende beschermd zijn en vreest hij verspreiding van binnen het plangebied aanwezige bodemverontreiniging.
5.1. De raad heeft gesteld dat de bomen binnen het plangebied waarvoor de vergunning om die te rooien is gevraagd, niet voorkomen op de gemeentelijke lijst van waardevolle bomen. Over het opnemen van een voorwaardelijke verplichting ten behoeve van aanplant van nieuw groen of het behoud van de overblijvende bomen stelt de raad dat de te bouwen voorzieningen niet een zodanig invloed op de omgeving hebben, dat uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening een voorwaardelijke verplichting voor het behoud van de bomen of de aanplant van nieuw groen nodig is. [verzoeker] heeft deze stelling van de raad niet onderbouwd weerlegd. Uit wat [verzoeker] aanvoert, is niet op voorhand gebleken dat geen omgevingsvergunning voor het rooien zou kunnen worden verleend. Bovendien heeft Nester ter zitting aangegeven dat de bomen waarvoor de aanvraag is ingediend, niet worden gerooid voordat op de aanvraag is beslist.
Over de alternatieve locaties heeft de raad gesteld dat de huidige locatie dichter bij het stadscentrum ligt dan de voorgestelde alternatieve locaties en dat de bereikbaarheid van bijvoorbeeld de openbaar vervoersvoorzieningen daar ten goede komt aan zowel de gebruikers van de zorgwoningen als de bezoekers. De locatie waar het plan betrekking op heeft, geniet daarom de voorkeur boven de voorgestelde locaties. [verzoeker] heeft dit op de zitting niet overtuigend bestreden.
Over het verkeer heeft de raad gesteld dat het verkeer van en naar het zorgcomplex hoofdzakelijk zal bestaan uit bezoekers, personeel en busjes. De verkeerskundige van de gemeente heeft volgens de raad berekend dat de 36 zorgwoningen 108 voertuigbewegingen per dag zullen genereren. Op dit moment zijn de verkeersintensitetien in de omgeving van het plangebied laag, namelijk minder dan 1.000 voertuigbewegingen per dag. De wegen in de omgeving kunnen ten minste 3.000 voertuigbewegingen aan, zodat het niet aannemelijk is dat de toevoeging van 108 voertuigbewegingen leidt tot verkeerscongestie. [verzoeker] heeft dit niet onderbouwd bestreden. Verder heeft [verzoeker] niet overtuigend onderbouwd waarom de in- en uitrit van het zorgcomplex niet verkeersveilig zou kunnen worden uitgevoerd dan wel waarom tijdens het bouwen voor verkeersonveilige situaties moet worden gevreesd.
Over de vleermuizen overweegt de voorzieningenrechter dat inmiddels een ontheffing is verleend en dat die onherroepelijk is. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat vanwege het voorkomen van vleermuizen in het plangebied het plan niet uitvoerbaar zou zijn. Dat [verzoeker] de voorschriften uit de ontheffing onduidelijk vindt en bestrijdt, kan in de nu voorliggende procedure niet aan de orde komen.
Over de bodemverontreiniging is in de plantoelichting vermeld dat een bodemonderzoek is gedaan. De resultaten daarvan zijn neergelegd in een rapport van 30 september 2023. In de conclusie van het rapport is vermeld dat op basis van de resultaten van het verkennend bodemonderzoek kan worden geconcludeerd dat geen milieuhygiënische belemmeringen bestaan voor het huidige en geplande gebruik van de locatie. [verzoeker] heeft ook die resultaten van het bodemonderzoek niet gefundeerd bestreden.
6. Gelet op het vorenstaande en wat [verzoeker] overigens nog heeft aangevoerd ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het oordeel dat de Afdeling in de bodemprocedure zal oordelen dat de raad het plan niet heeft mogen vaststellen. Hij ziet daarom aanleiding de voorlopige voorziening op te heffen.
7. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
heeft de bij wijze van voorlopige voorziening uitgesproken schorsing van het besluit van de raad van Echt-Susteren van 13 maart 2025, waarbij het bestemmingsplan "Woon-zorgcomplex Jozefstraat te Susteren" is vastgesteld, op.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. W.S. van Helvoort, griffier.
w.g. Borman
voorzieningenrechter
w.g. Van Helvoort
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2026
361