Uitspraak 202402772/1/R2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:6086
- Datum uitspraak
- 14 oktober 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 12 maart 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vught het wijzigingsplan "[locatie] Helvoirt" vastgesteld. Het wijzigingsplan maakt de bouw van een nieuwe woning mogelijk. [appellant A]en [appellant B] hebben alle aanwezige bebouwing van een agrarisch bedrijf en een bedrijfswoning gesloopt en zijn van plan een nieuwe woning met bijgebouwen te bouwen. [appellant A]en [appellant B] zijn het niet eens met het wijzigingsplan, omdat de woning die mogelijk wordt gemaakt kleiner is dan zij wensen. Zij vinden dat een woning met een inhoud van 850 m3 mogelijk moet worden gemaakt in plaats van de 750 m3 die het college mogelijk maakt. [appellant A] en [appellant B] betogen dat het wijzigingsplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening omdat geen woning met een inhoud van 850 m3 mogelijk is gemaakt.
- Eerste aanleg - meervoudig
- RO - Noord-Brabant
Toon inhoud
202402772/1/R2.
Datum uitspraak: 14 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant A]en [appellant B], wonend in Cromvoirt, gemeente Vught,
appellanten,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vught,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 12 maart 2024 heeft het college het wijzigingsplan "[locatie] Helvoirt" vastgesteld.
Tegen dit besluit hebben [appellant A] en [appellant B] beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant A]en [appellant B] hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 11 maart 2026, waar [appellant A] en [appellant B], bijgestaan door mr. F. Krol-Postma, advocaat in Heerenveen, en het college, vertegenwoordigd door M.J.T. Smits en A.C.X. van Gelder, zijn verschenen.
De Afdeling heeft partijen in de gelegenheid gesteld tot een minnelijke oplossing te komen en heeft daarom de termijn voor het doen van een uitspraak opgeschort.
Bij brief van 1 juni 2026 hebben [appellant A] en [appellant B] de Afdeling meegedeeld dat zij er niet in zijn geslaagd om met het college een minnelijke oplossing te bereiken. Zij hebben de Afdeling verzocht om uitspraak te doen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een wijzigingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het wijzigingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 14 december 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2. Het wijzigingsplan maakt de bouw van een nieuwe woning mogelijk. [appellant A] en [appellant B] hebben alle aanwezige bebouwing van een agrarisch bedrijf en een bedrijfswoning gesloopt en zijn van plan een nieuwe woning met bijgebouwen te bouwen. [appellant A] en [appellant B] zijn het niet eens met het wijzigingsplan, omdat de woning die mogelijk wordt gemaakt kleiner is dan zij wensen. Zij vinden dat een woning met een inhoud van 850 m3 mogelijk moet worden gemaakt in plaats van de 750 m3 die het college mogelijk maakt.
Wijzigingsbevoegdheid
3. [appellant A] en [appellant B] betogen dat het wijzigingsplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening omdat geen woning met een inhoud van 850 m3 mogelijk is gemaakt. Zij voeren allereerst aan dat het college op grond van de sloopbonusregeling in artikel 4.7.3, onder h, van de regels bij het bestemmingsplan "Buitengebied Vught 2022" (het moederplan) de bevoegdheid heeft om een woning van 850 m3 mogelijk te maken en hier ten onrechte geen gebruik van heeft gemaakt. Volgens hen mag de gesloopte bedrijfswoning meetellen met het aantal kubieke meters dat op grond van de sloopbonusregeling aan de nieuwe woning mag worden toegevoegd. Ook moet volgens hen niet worden uitgegaan van de feitelijke maar van de planologische situatie om te bepalen wat onder de "bestaande" woning wordt verstaan. Daarnaast voeren [appellant A] en [appellant B] aan dat het college hun belangen onvoldoende heeft betrokken bij de afweging om geen gebruik te maken van de sloopbonusregeling.
3.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het wijzigingsplan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het college wijst erop dat de wijzigingsbevoegdheid in dit geval niet de mogelijkheid biedt om een woning met een inhoud van 850 m3 te bouwen. Volgens het college wordt de maximale inhoud van de beoogde woning bepaald door de inhoud van de bestaande woning. Het college wijst er verder op dat het alleen tot een belangenafweging kan komen als het de bevoegdheid heeft om een bepaald besluit te nemen en die is er volgens het college niet.
3.2. De wijzigingsbevoegdheid om de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschaps- en Natuurwaarden 1" om te zetten in "Wonen - 2" staat in artikel 4.7.3 van de regels bij het moederplan. Dit artikel luidt:
"Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de gronden binnen het bouwvlak van deze bestemming te wijzigen in de bestemming 'Wonen-2' voor zover het de voormalige agrarische bedrijfswoning betreft en met inachtneming van de volgende regels:
a. Alle gebouwen dienen te worden gesloopt, uitgezonderd:
1. bestaande woningen;
2. bestaande gebouwen die als bijbehorende bouwwerken bij de bedrijfswoning worden aangemerkt, met bij elke woning een oppervlakte van ten hoogste 100 m2 vermeerderd met 25% van de te slopen bebouwing tot een maximum van 200 m2;
3. bestaande cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en bestaande gebouwen met aanduiding 'cultuurhistorische waarden'.
[…]
h. Per 500 m2 sloop mag de inhoud van de woning als bedoeld onder b [lees: onder a] worden vergroot met 50 m3 tot een maximum omvang van 850 m3, mits wordt aangetoond dat voldaan wordt aan de Wet geluidhinder."
3.3. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het in dit geval niet bevoegd is om een woning van 850 m3 mogelijk te maken. Vanwege de rechtszekerheid moet een planregel namelijk letterlijk worden uitgelegd en uitgaande van de tekst van de sloopbonusregeling in artikel 4.7.3, onder h, van de planregels van het moederplan, mag alleen de inhoud van de woning als bedoeld onder a worden vergroot. Weliswaar betogen [appellant A] en [appellant B] terecht dat onder a van dit artikel geen verplichting staat om de bestaande woning te slopen of te laten staan, maar doordat de toepassing van de sloopbonusregeling onder h uitdrukkelijk juist is gekoppeld aan de uitzondering op de sloopverplichting voor de bestaande woning als bedoeld onder a, betekent dit dat alleen de inhoud van een bestaande woning die niet wordt gesloopt met toepassing van die regeling mag worden vergroot. Verder is er geen reden om onder ‘bestaande woning’ de planologisch toegestane situatie te verstaan. Op grond van de definities van ‘bestaand bouwwerk’ in artikel 1.35 en ‘bestaande situatie’ in artikel 1.39 van de planregels van het moederplan heeft het college daaronder mogen verstaan wat bestaat of wat mag bestaan op grond van een vóór het tijdstip van terinzagelegging aangevraagde vergunning en daarmee niet de planologisch toegestane situatie.
3.4. Omdat [appellant A] en [appellant B] van plan zijn om de bestaande woning te slopen, en zij dat na de vaststelling van het plan ook hebben gedaan, kan de sloopbonusregeling dus niet worden toegepast met een grootte die [appellantA] enn [appellant B] willen. Dat betekent dat de gesloopte bedrijfswoning niet kan meetellen met het aantal kubieke meters dat op grond van de sloopbonusregeling aan de bestaande woning mag worden toegevoegd. Het college is niet bevoegd om op grond van artikel 4.7.3, onder h, van de planregels van het moederplan een nieuwe woning van 850 m3 mogelijk te maken. Daarmee komt het dus ook niet toe aan de vraag of een inhoud van 850 m3 vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening gerechtvaardigd is.
Het betoog slaagt niet.
Vertrouwensbeginsel
4. [appellant A] en [appellant B] betogen dat het wijzigingsplan in strijd met het vertrouwensbeginsel is vastgesteld. Zij voeren aan dat zij aan het positieve principebesluit van het college van 14 december 2021 het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat het college een woning met een inhoud van 850 m3 mogelijk zou maken. Het principebesluit kan volgens hen duidelijk aan het college worden toegerekend, omdat het college dit zelf ondertekende. Daarbij verwijzen zij naar een uitspraak van de Afdeling van 1 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:953, onder 4.2.
4.1. Wie zich beroept op het vertrouwensbeginsel moet aannemelijk maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja hoe.
4.2. Het wijzigingsplan is niet in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld. Naar het oordeel van de Afdeling is er namelijk geen toezegging of andere uitlating gedaan waaruit [appellant A] en [appellant B] konden en mochten afleiden dat het college een woning met een inhoud van 850 m3 mogelijk zou maken. Hoewel [appellant A] en [appellant B] er terecht op wijzen dat een principebesluit kan gelden als een uiting op basis waarvan gerechtvaardigd vertrouwen kan ontstaan, valt het principebesluit van het college van 14 december 2021 niet aan te merken als een toezegging. Het principebesluit is namelijk onder voorbehoud geformuleerd met formuleringen als ‘dat de ontwikkeling haalbaar lijkt’, ‘wij kunnen op basis van het principeverzoek niet de zekerheid geven dat uw plan daadwerkelijk door zal gaan’ en ‘bij een verdere afweging kunnen wij pas een definitieve afweging maken’. Voor [appellant A] en [appellant B] moest dus duidelijk zijn dat het college slagen om de arm hield of het plan er zou komen. Zij konden en mochten daarom uit het principebesluit niet afleiden dat het college medewerking zou verlenen aan hun bouwplannen.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie en proceskosten
5. Het beroep is ongegrond.
6. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, voorzitter, en mr. M. Soffers en mr. J.J.W.P. van Gastel, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.M. Ahmady-Pikart, griffier.
w.g. Verburg
voorzitter
w.g. Ahmady-Pikart
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2026
638-1140