Uitspraak BRS.26.005083
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:5952
- Datum uitspraak
- 9 oktober 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 22 januari 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie vastgesteld dat betrokkene geen verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan in Nederland meer heeft.
- Voorlopige voorziening
- Regulier
Toon inhoud
BRS.26.005083
ECLI:NL:RVS:2026:5952
Datum uitspraak: 9 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 31 augustus 2026 in zaak nr. NL25.18917 in het geding tussen:
[de betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 22 januari 2025 heeft de minister vastgesteld dat betrokkene geen verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan in Nederland meer heeft.
Bij besluit van 25 maart 2025 heeft de minister het daartegen door betrokkene gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 31 augustus 2026 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het bezwaar tegen dat besluit gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen, de minister opgedragen om binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een verblijfsdocument te verstrekken waaruit het rechtmatig verblijf blijkt en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Betrokkene heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. De minister verzoekt de voorzieningenrechter om de voorlopige voorziening te treffen dat hij aan betrokkene geen verblijfsdocument EU/EER als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000 hoeft te verstrekken, waaruit haar rechtmatig verblijf blijkt, totdat de Afdeling op zijn hoger beroep heeft beslist.
2. Gelet op de belangen die de minister en betrokkene naar voren hebben gebracht, treft de voorzieningenrechter geen voorlopige voorziening.
3. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. wijst het verzoek af;
II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. R.T. Gazai, griffier.
w.g. Ristra-Peeters
voorzieningenrechter
w.g. Gazai
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2026
966