Uitspraak BRS.26.004998
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:5887
- Datum uitspraak
- 8 oktober 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 16 februari 2026 heeft de minister een inreisverbod tegen verzoekster uitgevaardigd.
- Voorlopige voorziening
- Regulier
Toon inhoud
BRS.26.004998
ECLI:NL:RVS:2026:5887
Datum uitspraak: 8 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek van [verzoekster] (verzoekster) om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 3 juli 2026 in zaak nr. AWB 26/2838 in het geding tussen:
[verzoekster]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 16 februari 2026 heeft de minister een inreisverbod tegen verzoekster uitgevaardigd.
Bij uitspraak van 3 juli 2026 heeft de rechtbank het daartegen door verzoekster ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. Uit het verzoek blijkt niet van een spoedeisend belang voor het treffen van een voorlopige voorziening.
2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier.
w.g. De Poorter
voorzieningenrechter
w.g. Vos
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2026
1161-644