Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak BRS.26.001891

Uitspraak BRS.26.001891

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5885
Datum uitspraak
8 oktober 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 12 juni 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
  • Hoger beroep
  • Asiel

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

BRS.26.001891
ECLI:NL:RVS:2026:5885

Datum uitspraak: 8 oktober 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 10 april 2026 in zaak nr. NL25.27260 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 12 juni 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij uitspraak van 10 april 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. T. Bruinsma, advocaat in Lemmer, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

Inleiding

1.        Appellant heeft de Afghaanse nationaliteit. Aan zijn asielrelaas heeft hij ten grondslag gelegd dat hij afvallige is. Daarnaast heeft appellant verklaard dat hij in Afghanistan een geheime relatie had met een getrouwde vrouw (hierna: zijn vriendin). Hij vreest bij terugkeer voor de familie en de echtgenoot van zijn vriendin en de autoriteiten, omdat de relatie bekend is geworden en zijn vriendin tijdens de vlucht met appellant naar Iran is overleden, waarvoor haar familie en haar echtgenoot appellant verantwoordelijk houden.

1.1.        De minister heeft de afvalligheid van de islam geloofwaardig geacht, maar de problemen van appellant met de familie en de echtgenoot van zijn vriendin niet. Volgens de minister heeft appellant tegenstrijdig verklaard over het aantal motorrijders dat hem en zijn vriendin heeft betrapt en over het moment waarop zij hebben besloten om Afghanistan te verlaten. Ook volgt de minister appellant niet in zijn verklaring dat hij niet oplette als hij buiten met zijn vriendin afsprak, terwijl hij wist dat dit risicovol was. Tot slot heeft appellant volgens de minister niet aannemelijk gemaakt dat de familie en de echtgenoot van zijn vriendin of de Taliban naar hem op zoek zijn.

1.2.        De rechtbank heeft het besluit vernietigd, omdat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij als afvallige bij terugkeer naar Afghanistan een gegronde vrees voor vervolging heeft.

Grief

2.        In de enige grief klaagt appellant terecht over het oordeel van de rechtbank dat de minister zijn verklaringen over de problemen met de familie en de echtgenoot van zijn vriendin niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht.

2.1.        Appellant voert terecht aan dat de rechtbank de minister ten onrechte is gevolgd in zijn standpunt dat appellant inconsistent heeft verklaard over de ontmoetingen met zijn vriendin. Appellant heeft verklaard dat hij en zijn vriendin zich bewust waren van de risico’s om met elkaar af te spreken, maar dat ze van elkaar hielden en hun uiterste best deden om hun relatie geheim te houden. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is dit niet tegenstrijdig met de verklaring van appellant dat hij en zijn vriendin met zichzelf bezig waren en niet genoeg aandacht hadden voor de omgeving toen ze werden betrapt, maar een nadere verklaring waarom het die ene keer mis is gegaan. Volgens de verklaringen van appellant spraken zij immers regelmatig met elkaar af.

2.2.        Ook slaagt het betoog van appellant dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister terecht bij zijn standpunt heeft betrokken dat appellant tegenstrijdig heeft verklaard over het moment waarop hij en zijn vriendin hebben besloten om te vluchten. De minister heeft hierbij in aanmerking genomen dat appellant enerzijds heeft verklaard dat ze al hadden afgesproken om Afghanistan te ontvluchten om bij elkaar te kunnen blijven en anderzijds dat ze die beslissing pas hebben genomen toen ze waren betrapt. Dat dit tegenstrijdig is, volgt de Afdeling niet. Dat appellant en zijn partner zijn gevlucht toen ze waren betrapt, sluit immers niet uit dat ze over de mogelijkheid om te vluchten al langer hadden nagedacht, zoals appellant heeft verklaard.

2.3.        Het argument van de minister dat appellant tegenstrijdig heeft verklaard over het aantal motorrijders dat hem en zijn vriendin heeft betrapt, heeft de rechtbank niet bij haar oordeel betrokken. De Afdeling ziet die tegenstrijdigheid niet, omdat appellant over twee verschillende momenten heeft verklaard waarbij motorrijders waren betrokken.

2.4.        De overweging van de rechtbank dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat de familie en de echtgenoot van zijn vriendin of de Taliban naar hem op zoek zijn, bestrijdt appellant in hoger beroep niet. Dit neemt niet weg dat, gelet op wat hiervoor is overwogen, een wezenlijk deel wegvalt van de motivering van het standpunt van de minister dat het asielrelaas van appellant over de problemen van appellant met de familie en de echtgenoot zijn vriendin niet geloofwaardig is. Bij het nieuw te nemen besluit zal de minister daarom ook moeten bezien of hij dit onderdeel van het relaas van appellant nog steeds ongeloofwaardig vindt.

2.5.        De grief slaagt.

3.        Het hogerberoepschrift roept geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).

Conclusie

4.        Het hoger beroep is gegrond. De minister moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. J.M. Willems, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, griffier.

w.g. Ristra-Peeters
voorzitter

w.g. Prins
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2026

363-1203


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon