Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak BRS.26.001725

Uitspraak BRS.26.001725

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5876
Datum uitspraak
8 oktober 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 23 juli 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid het duurzaam verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan van appellant ingetrokken en vastgesteld dat zij geen verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan in Nederland meer heeft.
  • Hoger beroep
  • Regulier

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

BRS.26.001725
ECLI:NL:RVS:2026:5876
Datum uitspraak: 8 oktober 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 27 maart 2026 in zaken nrs. NL24.12401 en NL25.26026 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Intrekking duurzaam verblijfsrecht

Bij besluit van 23 juli 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid het duurzaam verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan van appellant ingetrokken en vastgesteld dat zij geen verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan in Nederland meer heeft.

Bij besluit van 27 mei 2025 heeft de minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard en vastgesteld dat appellant nooit een verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan heeft gehad.

Afwijzing aanvraag EU-verblijfsvergunning

Bij besluit van 17 augustus 2023 heeft de staatssecretaris een aanvraag van appellant om haar een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 12 maart 2024 heeft de staatssecretaris het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

In beide procedures

Bij uitspraak van 27 maart 2026 heeft de rechtbank de tegen de besluiten van 12 maart 2024 en 27 mei 2025 door appellant ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. P.A. Blaas, advocaat in Den Bosch, hoger beroep ingesteld.

Appellant heeft een nader stuk ingediend.

Overwegingen

Beoordeling hoger beroep

1.        Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft namelijk terecht overwogen dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat op het moment dat de jongste zoon van appellant meerderjarig werd in 2015, het op grond van artikel 20 van het VWEU afgeleide verblijfsrecht van appellant van rechtswege is komen te vervallen. Van een afhankelijkheidsrelatie als bedoeld in het arrest van het Hof van Justitie van 8 mei 2018, K.A., ECLI:EU:C:2018:308, punten 65 en 76, was geen sprake. Dat appellant altijd voor haar kinderen heeft gezorgd en dat hun gezinsleven niet direct zou zijn geëindigd op het moment dat zij meerderjarig werden, maakt dat niet anders. Uit het arrest K.A. volgt namelijk dat de bescherming van artikel 7 van het EU Handvest in het kader van artikel 20 van het VWEU niet verder strekt dan de daarin omschreven uitzonderlijke afhankelijkheidsverhouding.

1.1.        Voor zover appellant in hoger beroep bedoelt dat de rechtbank ook los van het kader van artikel 20 van het VWEU aan artikel 7 van het EU Handvest had moeten toetsen, mist dat betoog feitelijke grondslag. Uit het dossier blijkt namelijk dat minister dit heeft gedaan door in zijn besluiten artikel 8 van het EVRM te betrekken en dat de rechtbank in rechtsoverweging 7.3 van haar uitspraak het oordeel van de minister hierover ook los van het kader van artikel 20 van het VWEU heeft getoetst.

1.2.        Uit het voorgaande volgt dat de vraag welk toetsingskader de rechtbank moest toepassen bij de beoordeling van de vraag of appellant een afgeleid verblijfsrecht heeft op grond van artikel 20 van het VWEU, kan worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punten 13 en 14, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 36, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 36, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.

1.3.        Wat appellant verder heeft betoogd leidt ook niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift in zoverre geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook roept het hogerberoepschrift verder geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).

Overschrijding van de redelijke termijn

2.        Appellant heeft in hoger beroep verzocht om haar een schadevergoeding toe te kennen wegens overschrijding van de redelijke termijn in de procedure over het besluit van 23 juli 2021.

2.1.        De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties bestaat, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste vier jaar redelijk. Hierbij wordt een half jaar gerekend voor de behandeling van het bezwaar, anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep en twee jaar voor de behandeling van het hoger beroep. De termijn begint op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan.

2.1.1.        De minister heeft het bezwaarschrift van appellant tegen het besluit van 23 juli 2021 ontvangen op 16 augustus 2021. De redelijke termijn is in die procedure dus met ruim een jaar en een maand overschreden.

2.2.        Vervolgens is van belang aan wie de Afdeling deze overschrijding moet toerekenen. De overschrijding van de redelijke termijn in zaken zoals deze, waarin een besluit na eerdere vernietiging opnieuw aan de rechtbank wordt voorgelegd, wordt in beginsel volledig toegerekend aan het bestuursorgaan. Dit is slechts anders als in de rechterlijke fase de redelijke behandelingsduur is overschreden (uitspraak van 18 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3731, onder 2.5).

2.2.1.        In dit geval hebben beide procedures bij de rechtbank ruim negen maanden geduurd. De eerste procedure bij de Afdeling heeft ongeveer een jaar en acht maanden geduurd en de huidige ongeveer zes maanden. Zowel de rechtbank als de Afdeling hebben dus de redelijke behandelingsduur van respectievelijk anderhalf en twee jaar niet overschreden. Dat betekent dat de overschrijding van de redelijke termijn volledig aan de minister wordt toegerekend.

2.3.        De Afdeling hanteert een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. Daarmee stelt de Afdeling de schadevergoeding vast op € 1.500,00 ten laste van de minister.

Conclusie

3.        Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling wijst het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toe. De minister moet de proceskosten vergoeden. Bij de berekening van de kosten past de Afdeling wat betreft de zwaarte van de zaak een wegingsfactor van 0,5 toe.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.        wijst het verzoek om schadevergoeding toe;

III.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie om aan appellant een schadevergoeding van € 1.500,00 te betalen;

IV.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00 geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. A. Kuijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.C.M. de Vries-van Trappen, griffier.

w.g. Kuijer
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. De Vries-van Trappen
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2026

967


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon