Uitspraak 202406856/1/R3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:5872
- Datum uitspraak
- 30 september 2026
- Inhoudsindicatie
- Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 3 oktober 2024 van de rechtbank Noord-Nederland. Binnen de bestemming "Groen" mag een pad worden aangelegd zonder omgevingsvergunning. De Afdeling constateert dat de rechtbank terecht tot de conclusie is gekomen dat er geen sprake is van een overtreding. Het verzoek om handhaving is daarom terecht afgewezen. Het hoger beroep is ongegrond.
- Hoger beroep
- Mondelinge uitspraak
- Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
Toon inhoud
202406856/1/R3.
Datum uitspraak: 30 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Wergea, gemeente Leeuwarden,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 3 oktober 2024 in zaak nr. 23/3549 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden.
Openbare zitting gehouden op 30 september 2026 om 15:30 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. E.A. Minderhoud, voorzitter
griffier: mr. E.W.L. van der Heijden
Verschenen:
[appellant] en het college, vertegenwoordigd door T. Paulusma en M.G. Sandu;
Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 3 oktober 2024 van de rechtbank Noord-Nederland.
De Afdeling bevestigt de aangevallen uitspraak.
Gronden:
Om te kunnen handhaven, moet er sprake zijn van een overtreding. De Afdeling stelt vast dat de gronden waar het pad zich op bevindt niet binnen de dubbelbestemming "Waarde-Beschermd dorpsgezicht" van het bestemmingsplan "Wergea" vallen. Met de regels van deze dubbelbestemming kan het pad dan ook niet in strijd zijn. Het pad is ook niet in strijd met de bestemming "Groen". Op grond van artikel 7.1, onder f, van de planregels zijn de voor "Groen" aangewezen gronden namelijk bestemd voor paden. Binnen de bestemming "Groen" mag een pad worden aangelegd zonder omgevingsvergunning.
Ten aanzien van de bruikleenovereenkomst stelt dat Afdeling vast dat dit een privaatrechtelijke overeenkomst is. De bestuursrechter kan en mag zich niet uitlaten over de nakoming van of de verplichtingen die volgen uit de bruikleenovereenkomst. De Afdeling sluit zich daarom aan bij de uitspraak van de rechtbank.
De Afdeling constateert daarom dat de rechtbank terecht tot de conclusie is gekomen dat er geen sprake is van een overtreding. Het verzoek om handhaving is daarom terecht afgewezen. Het hoger beroep is ongegrond. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. Minderhoud
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van der Heijden
griffier
884-1218