Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202305762/1/R4

Uitspraak 202305762/1/R4

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5805
Datum uitspraak
30 september 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 5 juli 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Stichtse Vecht een omgevingsvergunning verleend aan [partij] voor het bouwen van een recreatiewoning op het perceel, kadastraal bekend als gemeente Breukelen, sectie [...], nummer [...], plaatselijk bekend als [locatie] in Breukelen. De aanvraag van 20 januari 2017 is gedaan voor het bouwen van een recreatiewoning op het perceel. Op het perceel gelden de bestemmingsplannen "Landelijk Gebied West" en "Landelijk Gebied West, 1e herziening" (het bestemmingsplan). Het bouwplan is in strijd met het bestemmingsplan, omdat de recreatiewoning gedeeltelijk buiten de functieaanduiding ‘recreatiewoning’ is voorzien. Ook voldoet het bouwplan niet aan de bouwregels van het bestemmingsplan. [appellant] en anderen wonen in de directe omgeving van het perceel.
  • Hoger beroep
  • Bouwen

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202305762/1/R4.
Datum uitspraak: 30 september 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant] en anderen, allen wonend in Breukelen, gemeente Stichtse Vecht,
appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-­Nederland van 1 augustus 2023 in zaak nr. 22/3986 in het geding tussen:

[appellant] en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Stichtse Vecht.

Procesverloop

Bij besluit van 5 juli 2022 heeft het college een omgevingsvergunning verleend aan [partij] voor het bouwen van een recreatiewoning op het perceel, kadastraal bekend als gemeente Breukelen, sectie [...], nummer [...], plaatselijk bekend als [locatie] in Breukelen (het perceel).

Bij uitspraak van 1 augustus 2023 heeft de rechtbank het door [appellant] en anderen daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 5 juli 2022 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant] en anderen hoger beroep ingesteld.

Het college en [partij] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 17 juni 2026, waar [appellant] en [appellant A] en het college, vertegenwoordigd door mr. S. Ralović en mr. P. Kooijman, zijn verschenen. Verder is op de zitting [partij] gehoord.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (de Wabo).

De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 20 januari 2017. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Inleiding

2. De aanvraag van 20 januari 2017 is gedaan voor het bouwen van een recreatiewoning op het perceel. Op het perceel gelden de bestemmingsplannen "Landelijk Gebied West" en "Landelijk Gebied West, 1e herziening" (het bestemmingsplan). De gronden hebben de enkelbestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" en de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterkering", met de functieaanduiding "recreatiewoning". Het bouwplan is in strijd met het bestemmingsplan, omdat de recreatiewoning gedeeltelijk buiten de functieaanduiding ‘recreatiewoning’ is voorzien. Ook voldoet het bouwplan niet aan de bouwregels van het bestemmingsplan.

Het college heeft bij besluit van 5 juli 2022 een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo verleend voor de activiteiten "bouwen" en "handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening". Voor het afwijken van het bestemmingsplan heeft het college toepassing gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef onder a, onder 3°, van de Wabo.

[appellant] en anderen wonen in de directe omgeving van het perceel. Bij uitspraak van 1 augustus 2023 heeft de rechtbank het door [appellant] en anderen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 5 juli 2022 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. [appellant] en anderen kunnen zich niet met de uitspraak verenigen en hebben daartegen hoger beroep ingesteld.

Ingetrokken gronden

3. Op de zitting hebben [appellant] en anderen hun beroepsgronden over het bodemonderzoek en de belangenverstrengeling ten aanzien van ambtenaar Y. de Bourgraaf ingetrokken.

Geen nieuwe gronden in hoger beroep

4. [appellant] en anderen voeren in het hoger beroepschrift gronden aan over de omstandigheid dat de aanvraag en de daarbij behorende tekeningen en documenten tegenstrijdigheden bevatten over de oppervlakte van de aangevraagde recreatiewoning, dat de bij de aanvraag behorende tweede tekening ten onrechte niet is beoordeeld door de welstandscommissie en dat in de aanvraag om omgevingsvergunning een onjuiste nummeraanduiding is gebruikt. Zij hebben dit niet eerder aangevoerd. In het omgevingsrecht kunnen beroepsgronden niet voor het eerst in hoger beroep worden aangevoerd. Een uitzondering wordt gemaakt als uitgesloten is dat andere belanghebbenden daardoor worden benadeeld. Die uitzondering doet zich bij deze beroepsgronden niet voor. De Afdeling zal deze beroepsgronden daarom niet inhoudelijk bespreken.

Relativiteitsvereiste

5. [appellant] en anderen betogen dat het perceel in strijd met artikel 6.37 van het Bouwbesluit 2012 niet bereikbaar is via de openbare weg voor hulpdiensten.

5.1. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) de eis heeft willen stellen dat er een verband is tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die in (hoger) beroep komt.

5.2. Het beroep van [appellant] en anderen op de bereikbaarheid strekt niet tot bescherming van hun eigen belangen, maar heeft betrekking op het belang van de gebruikers van het perceel. Om die reden staat artikel 8:69a van de Awb in de weg aan vernietiging van het besluit van 5 juli 2022 als deze beroepsgrond zou slagen. De Afdeling ziet hierin aanleiding de beroepsgrond buiten bespreking te laten.

Verwijzing naar het verkeerde bestemmingsplan

6. [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank heeft verwezen naar het verkeerde bestemmingsplan.

6.1. De Afdeling is van oordeel dat de verwijzing in de uitspraak van de rechtbank naar het bestemmingsplan "Breukelen Centrum" dient te worden aangemerkt als een kennelijke verschrijving. Niet is gebleken dat de rechtbank, gelet op de bespreking daarvan in de uitspraak, is uitgegaan van een juridisch onjuist wettelijk kader.

Het betoog slaagt niet.

Ruimtelijke onderbouwing

7. [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college de bij de aanvraag gevoegde ruimtelijke onderbouwing van 1 december 2020 niet aan zijn besluitvorming ten grondslag mocht leggen. Zij voeren daartoe aan dat er in de ruimtelijke onderbouwing ten onrechte van wordt uitgegaan dat er een bestaande recreatiewoning aanwezig is op het perceel.

7.1. In het besluit van 5 juli 2022 wordt verwezen naar de ruimtelijke onderbouwing. In die ruimtelijke onderbouwing van 1 december 2020 staat ten onrechte dat er een bestaande recreatiewoning is op het perceel. [appellant] en anderen voeren op zichzelf terecht aan dat dat niet klopt. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen maakt dit niet dat de inhoudelijke onderbouwing van de aangevraagde afwijkingen van het bestemmingsplan onjuist of ontoereikend is. Daartoe merkt de Afdeling op dat de ruimtelijke onderbouwing een onderdeel is van de motivering in het besluit van 5 juli 2022 van het college. De rechtbank heeft daar verder terecht bij betrokken dat het college bij de beoordeling van de aanvraag om omgevingsvergunning aan de hand van luchtfoto’s uit 2022 wel is uitgegaan van de juiste feitelijke situatie ten tijde van de aanvraag, te weten, dat er geen bebouwing aanwezig was op het perceel. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank daarom terecht overwogen dat de omstandigheid dat in de ruimtelijke onderbouwing nog ten onrechte staat dat er een bestaande recreatiewoning op het perceel aanwezig zou zijn terwijl dat niet meer het geval was, niet leidt tot het oordeel dat de ruimtelijke onderbouwing om die reden niet aan de besluitvorming ten grondslag mocht worden gelegd.

Het betoog slaagt niet.

Parkeerplaatsen

8. [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het parkeren aan de openbare weg gevaarlijk is vanwege de al bestaande drukte. Verder zijn er volgens hen onvoldoende parkeerplaatsen aan de openbare weg.

8.1. Het college heeft in zijn schriftelijke uiteenzetting en op de zitting van de Afdeling toegelicht dat het een kleinschalige recreatiewoning betreft, waarvoor een (vergelijkbare) norm in de Nota parkeernormen (deel B van het GVVP Stichtse Vecht) ontbreekt. Het college heeft zich echter op het standpunt gesteld dat vanwege de kleinschaligheid van de recreatiewoning, de bestaande parkeerbehoefte nauwelijks zal wijzigen en er voldoende openbare parkeerruimte is. Het college heeft verder toegelicht dat het niet verboden is dat op de openbare weg langs het perceel wordt geparkeerd en dat de beperkte toename van de verkeersintensiteit als gevolg van de recreatiewoning niet zodanig is dat het aannemelijk is dat de verkeersveiligheid zal verslechteren. De Afdeling kan deze motivering van het college volgen. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank in wat [appellant] en anderen hebben aangevoerd terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college vanwege de gestelde parkeerproblemen de omgevingsvergunning niet heeft kunnen verlenen.

Het betoog slaagt niet.

Provinciaal beleid en landschapsadvies

9. [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de vergunde recreatiewoning in strijd is met de Interim Omgevingsverordening Provincie Utrecht (de Interim Omgevingsverordening). Zij voeren aan dat door het bouwen van recreatiewoning, de kernkwaliteit over het open karakter die geldt voor het landschap Groene Hart, waarin het perceel is gelegen, verloren gaat. In dit kader wijzen zij ook op verschillende landschapsadviezen.

9.1. Artikel 1.3 van de Interim Omgevingsverordening luidt:

"1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt onder een bestemmingsplan mede verstaan:

a. een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;[…]"

Artikel 7.9 van de Interim Omgevingsverordening luidt: "1. Landschap bestaat uit landschap Eemland, landschap Gelderse Vallei, landschap Groene Hart, landschap Rivierengebied en landschap Utrechtse Heuvelrug.

2. De kernkwaliteiten zijn per gebied vastgelegd in de bijlage 15 Kernkwaliteiten Landschap bij deze verordening.

3. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een gebied gelegen in Landschap bevat: a. bestemmingen en regels ter bescherming van de voorkomende kernkwaliteiten; en b. geen bestemmingen of regels die nieuwe activiteiten toestaan die de kernkwaliteiten onevenredig aantasten.

4. De motivering van een bestemmingsplan bevat een beschrijving van de voorkomende kernkwaliteiten en de wijze waarop met de bescherming van de kernkwaliteiten is omgegaan."

9.2. Het college heeft zich in het besluit van 5 juli 2022, onder verwijzing naar de ruimtelijke onderbouwing, op het standpunt gesteld dat de recreatiewoning stedenbouwkundig en landschappelijk passend is in de omgeving door een onopvallende uitstraling van de recreatiewoning en een landschappelijke inpassing die uitgaat van open grasland aan de noordzijde en beperkte, gebiedseigen opgaande beplanting aan de zuidzijde. In de schriftelijke uiteenzetting heeft het college nader toegelicht dat, doordat de recreatiewoning evenwijdig aan het water wordt geplaatst, deze minder opvalt. Daarmee heeft het college naar het oordeel van de Afdeling voldoende gemotiveerd dat de recreatiewoning niet leidt tot een onevenredige aantasting van de in de Interim Omgevingsverordening opgenomen kernkwaliteit over het open karakter van de omgeving, zodat geen strijd bestaat met artikel 7.9 van de Interim Omgevingsverordening. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank dan ook terecht overwogen dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het college de omgevingsvergunning om deze reden had moeten weigeren.

Het betoog slaagt niet.

Belangenverstrengeling

10. [appellant] en anderen betogen verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het besluit van 5 juli 2022 met vooringenomenheid tot stand is gekomen. Daartoe wijzen zij erop dat de rechtbank niet heeft onderkend dat sprake is van belangenverstrengeling. Volgens hen heeft oud-wethouder K. Wiersema gedurende een periode opgetreden als adviseur van Dhondt.

10.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat geen grond bestaat voor het oordeel dat het besluit van 5 juli 2022 in strijd met artikel 2:4, eerste lid, van de Awb tot stand is gekomen. Op de zitting is onbetwist door het college naar voren gebracht dat Wiersema geen wethouder was ten tijde van de procedure voor de verlening van de omgevingsvergunning en dat hij dan ook geen invloed heeft gehad op de besluitvorming.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie

11. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

12. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Hielkema, griffier.

w.g. Knol
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Hielkema
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026

776-1096


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon