Uitspraak 202504309/3/R3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:5712
- Datum uitspraak
- 22 september 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij uitspraak van 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5286 heeft de voorzieningenrechter bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de raad van de gemeente Waadhoeke van de gemeente Waadhoeke van 22 mei 2025 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Tzummarum – [locatie]", voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijf - Vergistingsbedrijf", geschorst. Gelet op artikel 8:85 van de Awb blijft de bij de uitspraak van 5 november 2025 getroffen voorlopige voorziening gelden tijdens de beroepsprocedure tegen het bestemmingsplan dat is vastgesteld op 22 mei 2025. [verzoekster] acht dit niet wenselijk en heeft daarom verzocht om opheffing van de voorlopige voorziening.
- Voorlopige voorziening
- RO - Friesland
Toon inhoud
202504309/3/R3.
Datum uitspraak: 22 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek van:
[verzoekster], gevestigd in Tzum, gemeente Waadhoeke,
verzoekster,
om opheffing (artikel 8:87 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) van de bij uitspraak van 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5286, getroffen voorlopige voorziening in het geding tussen:
[verzoekster]
en
de raad van de gemeente Waadhoeke,
verweerder.
Procesverloop
Bij uitspraak van 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5286 heeft de voorzieningenrechter bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de raad van de gemeente Waadhoeke van 22 mei 2025 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Tzummarum – [locatie]", voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijf - Vergistingsbedrijf", geschorst.
Bij besluit van 21 mei 2026 heeft de raad ingestemd met de aanvullende zienswijzennota en de toelichting van het bestemmingsplan van 22 mei 2025 te wijzigen.
[verzoekster] heeft de voorzieningenrechter vervolgens verzocht de bij de uitspraak van 5 november 2025 getroffen voorlopige voorziening op te heffen.
Goeman Borgesius en anderen hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op een zitting behandeld op 22 september 2026, waar [partij A], [partij B], [partij C], [partij D], [partij E], [partij F], en de raad, vertegenwoordigd door mr. I. van der Meer, advocaat in Leeuwarden, G.Haisma en R. Wierstra, zijn verschenen. Ook is op de zitting [verzoekster], vertegenwoordigd door mr. J. van Groningen, advocaat in Middelharnis, en mr. D. La-Crois, als partij gehoord.
Overwegingen
Inleiding
1. Gelet op artikel 8:85 van de Awb blijft de bij de uitspraak van 5 november 2025 getroffen voorlopige voorziening gelden tijdens de beroepsprocedure tegen het bestemmingsplan dat is vastgesteld op 22 mei 2025. [verzoekster] acht dit niet wenselijk en heeft daarom verzocht om opheffing van de voorlopige voorziening.
2. De raad stelde zich op de zitting die heeft geleid tot de uitspraak van 5 november 2025 op het standpunt dat het bestemmingsplan geen verruiming mogelijk maakt van de planologische mogelijkheden van het vergistingsbedrijf van [verzoekster]. Hij stelt zich in het besluit van 21 mei 2026 op het standpunt dat het bestemmingsplan wel mogelijkheden biedt voor een verruiming van de planologische mogelijkheden van het vergistingsbedrijf.
Geen voorlopig inhoudelijk oordeel
3. De raad stelt zich in het besluit van 21 mei 2026 op het standpunt dat de verruimingsmogelijkheden in overeenstemming zijn met een goede ruimtelijke ordening. Goeman Borgesius en anderen betogen dat dit niet het geval is. Zij voeren aan dat de verkeerskundige onderbouwing tekortschiet, en dat mogelijk ten onrechte geen aanvullende m.e.r.-beoordeling is gemaakt. Deze procedure over opheffing van de bij de uitspraak van 5 november 2025 getroffen voorlopige voorziening leent zich niet voor een inhoudelijke beoordeling van deze standpunten. De voorzieningenrechter zal daarom geen voorlopig inhoudelijk oordeel geven over de rechtmatigheid van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, maar op grond van een belangenafweging beslissen of aanleiding bestaat om de getroffen voorlopige voorziening op te heffen.
Belangenafweging
4. [verzoekster] heeft zijn belang bij opheffing van de voorlopige voorziening toegelicht. Hij stelt belang te hebben bij het kunnen starten met het vergisten van mest en co-producten tot een maximum van 100.000 ton per jaar. Volgens [verzoekster] is het klimaatdoel ermee gediend dat snel wordt omgeschakeld van fossiele brandstoffen naar duurzaam opgewekte energie. Hiertegenover staat het belang van [partij A] en anderen bij een zorgvuldig onderbouwd besluit en het voorkomen van onomkeerbare milieugevolgen.
5. De voorzieningenrechter ziet na afweging van de belangen geen aanleiding de voorlopige voorziening op te heffen.
Conclusie
6. Het verzoek wordt afgewezen.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek van [verzoekster] af.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M. Priem, griffier.
w.g. Verheij
voorzieningenrechter
w.g. Priem
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 september 2026
646