Uitspraak 202601669/1/R3 en 202601669/2/R3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:5699
- Datum uitspraak
- 22 september 2026
- Inhoudsindicatie
- Deze uitspraak gaat over de omgevingsvergunning die het college van burgemeester en wethouders van Rijssen-Holten bij besluit van 23 december 2024 aan VAB heeft verleend voor het bouwen van vijf appartementen, verdeeld over twee los van elkaar staande gebouwen. [appellante] woont naast het perceel waarop de appartementen zijn voorzien en voert daar ook een bedrijf. [appellante] vindt het onzorgvuldig dat de omgevingsvergunning voor het bouwen van de appartementen is verleend, terwijl het bestemmingsplan dat daaraan ten grondslag ligt nog niet onherroepelijk is.
- Mondelinge uitspraak
- Voorlopige voorziening / hoofdzaak
- Bouwen
Toon inhoud
202601669/1/R3 en 202601669/2/R3.
Datum uitspraak: 22 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb)) en met toepassing van artikel 8:86 van de Awb op het hoger beroep van:
[appellante] en anderen, gevestigd in Rijssen, gemeente Rijssen-Holten,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 21 april 2026 in zaak nr. 25/1584 in het geding tussen:
[appellante] en anderen
en
het college van burgemeester en wethouders van Rijssen-Holten.
Openbare zitting gehouden op 22 september 2026 om 11:00 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. N. Verheij, voorzieningenrechter
griffier: mr. M. Priem
Verschenen:
[appellante] en anderen, bijgestaan door mr. E. Koekoek, advocaat te Barneveld en mr. M.J.H. van Baalen, advocaat te Veenendaal;
het college, vertegenwoordigd door M. Dijkstra en R.J. Seppenwoolde;
VAB Architecten, vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan door [persoon].
====================================
Deze uitspraak gaat over de omgevingsvergunning die het college bij besluit van 23 december 2024 aan VAB heeft verleend voor het bouwen van vijf appartementen, verdeeld over twee los van elkaar staande gebouwen. [appellante] woont naast het perceel waarop de appartementen zijn voorzien en voert daar ook een bedrijf. [appellante] vindt het onzorgvuldig dat de omgevingsvergunning voor het bouwen van de appartementen is verleend, terwijl het bestemmingsplan dat daaraan ten grondslag ligt nog niet onherroepelijk is.
Bij uitspraak van 21 april 2026 heeft de rechtbank het door [appellante] ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
[appellante] heeft de voorzieningenrechter ook gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
De voorzieningenrechter is om de volgende reden tot dit oordeel gekomen.
[appellante] voert hogerberoepsgronden aan over een erfdienstbaarheid die een evident privaatrechtelijke belemmering zou vormen voor de verlening van de omgevingsvergunning voor bouwen. Hij vraagt zich af of de erfdienstbaarheid van weg en de bedrijfsvoering verenigbaar zijn met de bouw van appartementen naast zijn bedrijf. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat de door [appellante] naar voren gebrachte beroepsgronden geen weigeringsgronden zijn voor de verlening van de omgevingsvergunning.
De hogerberoepsgronden hebben betrekking op het bestemmingsplan voor deze ontwikkeling. Dit gaat om het bestemminsplan "Wonen Rijssen, [locatie]" dat de raad heeft vastgesteld op 28 september 2023. Het bestemmingsplan is door de tussenuitspraak van de Afdeling van 10 september 2025 weliswaar niet onherroepelijk geworden, maar de rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de mogelijkheid dat het bestemmingsplan niet in stand blijft, onverlet laat dat het plan ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar in werking was en de bestuursrechter in beroep en hoger beroep bij de toetsing van het besluit op bezwaar moet uitgaan van het bestemmingsplan "Wonen Rijssen, [locatie]", ook als de Afdeling dat plan in de einduitspraak vernietigt. Zoals de rechtbank heeft overwogen wordt hierop een uitzondering gemaakt als het bestemmingsplan bij wijze van voorlopige voorziening is geschorst. Dat is voor wat betreft het bestemmingsplan "Wonen Rijssen, [locatie]" niet het geval.
De hogerberoepsgrond over het vaststellen van een maatwerkvoorschrift geeft de voorzieningenrechter geen aanleiding hier anders over te oordelen.
Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. Verheij
voorzieningenrechter
w.g. Priem
griffier
646