Uitspraak 202602837 /1/A2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:5697
- Datum uitspraak
- 24 september 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij beslissing van 8 augustus 2026 heeft het hoofd van de centrale studentenadministratie van de Hogeschool van Amsterdam, namens het college van bestuur van de Hogeschool van Amsterdam, een verzoek van [verzoeker] om voor het studiejaar 2026-2027 te worden ingeschreven voor de bacheloropleiding International Business Fast-track afgewezen. [verzoeker] verzoekt de voorzieningenrechter het CvB te gelasten hem voorlopig toe te laten tot het onderwijs, het rooster, de digitale onderwijsomgeving en het onderwijsmateriaal. Hij betoogt dat hij tot 15 augustus 2026 een verzoek heeft kunnen doen om te worden ingeschreven.
- Voorlopige voorziening
- Studentenzaken
Toon inhoud
202602837 /1/A2.
Datum uitspraak: 24 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoeker], wonend in [woonplaats],
verzoeker,
en
het college van bestuur van de Hogeschool van Amsterdam (CvB),
verweerder.
Procesverloop
Bij beslissing van 8 augustus 2026 heeft het hoofd van de centrale studentenadministratie van de Hogeschool van Amsterdam, namens het CvB, een verzoek van [verzoeker] om voor het studiejaar 2026-2027 te worden ingeschreven voor de bacheloropleiding International Business Fast-track afgewezen.
Tegen deze beslissing heeft [verzoeker] bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om hangende bezwaar een voorlopige voorziening te treffen.
Het CvB heeft een verweerschrift ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op een zitting behandeld op 22 september 2026, waar [verzoeker], bijgestaan door [persoon] is verschenen. Het CvB, vertegenwoordigd door mr. M.C. Werner, en vergezeld van R. Armbrister, heeft via videoverbinding deelgenomen.
Overwegingen
1. [verzoeker] heeft de Russische nationaliteit. Het CvB heeft aan de beslissing van 8 augustus 2026 ten grondslag gelegd dat [verzoeker] de deadline om het immigratieproces - het verkrijgen van een vergunning tot verblijf met als doel studie - te starten heeft gemist.
2. [verzoeker] verzoekt de voorzieningenrechter het CvB te gelasten hem voorlopig toe te laten tot het onderwijs, het rooster, de digitale onderwijsomgeving en het onderwijsmateriaal. Hij betoogt dat hij tot 15 augustus 2026 een verzoek heeft kunnen doen om te worden ingeschreven.
3. Tussen partijen is niet in geschil dat [verzoeker] bij zijn verzoek een spoedeisend belang heeft.
4. De vragen die in deze procedure aan de orde zijn, lenen zich niet voor beantwoording in de voorlopige voorzieningenprocedure hangende bezwaar. De voorzieningenrechter zal de vraag of een voorlopige voorziening moet worden getroffen daarom beantwoorden aan de hand van een belangenafweging.
4.1. Vooropgesteld moet worden dat de voorziening die de voorzieningenrechter kan treffen, slechts kan gelden voor de duur van de behandeling van het bezwaar. De voorzieningenrechter komt, alle belangen afwegende, tot het oordeel dat aanleiding bestaat om de gevraagde voorziening te treffen. De voorzieningenrechter neemt daarbij in aanmerking dat het CvB weliswaar heeft toegezegd zich in te spannen om op korte termijn een beslissing op bezwaar te nemen, maar desgevraagd geen concrete toezegging heeft kunnen doen met betrekking tot de uiterste datum waarop een beslissing op bezwaar zal worden genomen. Gelet op artikel 7.63b van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek heeft het CvB tot uiterlijk 3 november 2026 om op het bezwaar te beslissen, hetgeen nog ongeveer vijf weken is. Het CvB heeft verder niet onderbouwd gesteld dat de inspanningen om [verzoeker] toegang te geven tot het onderwijs, het rooster, de digitale onderwijsomgeving en het onderwijsmateriaal onredelijk bezwarend zijn. Verder heeft het CvB de stelling dat andere studenten worden benadeeld door mogelijk tijdelijke deelname door [verzoeker] aan het onderwijs, niet concreet gemaakt of onderbouwd. Bij die stand van zaken weegt het belang van [verzoeker] om in afwachting van een definitieve beslissing feitelijk toegang te hebben tot onderwijs zwaarder dan het belang van het CvB.
5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe.
6. Het CvB moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bepaalt dat bij wijze van voorlopige voorziening [verzoeker] wordt toegelaten tot het onderwijs, het rooster, de digitale onderwijsomgeving en het onderwijsmateriaal tot twee weken nadat op het bezwaar van [verzoeker] is beslist en deze beslissing aan hem bekend is gemaakt;
II. gelast dat het college van bestuur van de Hogeschool van Amsterdam aan [verzoeker] het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 54,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M. Rijsdijk, griffier.
w.g. Willems
voorzieningenrechter
w.g. Rijsdijk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 24 september 2026
705-1175