Uitspraak BRS.26.004786
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:5695
- Datum uitspraak
- 24 september 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 20 augustus 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in vreemdelingenbewaring gesteld.
- Hoger beroep
- Bewaring
Toon inhoud
BRS.26.004786
ECLI:NL:RVS:2026:5695
Datum uitspraak: 24 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 3 september 2026 in zaak nr. NL26.47975 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 20 augustus 2026 heeft de minister appellant in vreemdelingenbewaring gesteld.
Bij uitspraak van 3 september 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. F. Boone, advocaat in Berkel en Rodenrijs, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Appellant klaagt terecht over het oordeel van de rechtbank dat de minister zijn hoorplicht uit artikel 5.2, eerste lid, van het Vb 2000 (oud), het huidige artikel 5.8, eerste lid, van het Vb 2000, niet heeft geschonden. Dit licht de Afdeling als volgt toe.
1.1. De rechtbank heeft overwogen dat de omstandigheid dat de verbalisant het gehoor bij bewaring vroegtijdig uit veiligheidsoverwegingen heeft beëindigd, niet maakt dat het gehoor niet voldoet aan de vereisten uit artikel 5.2, eerste lid, van het Vb 2000 (oud). De rechtbank heeft hierbij verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 15 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1710. Hoewel dat in beginsel juist is, is voor deze zaak ook van belang dat de Afdeling verder in die uitspraak heeft overwogen, onder 5.4, dat wanneer uit omstandigheden blijkt dat er duidelijke signalen zijn om te betwijfelen of een vreemdeling in staat is om gehoord te worden, de minister dan niet zonder meer ervan kan uitgaan dat die vreemdeling zelf zijn belangen adequaat naar voren brengt. De minister moet zich in dat geval op een andere manier inspannen om alsnog kennis te verzamelen over de belangen van de vreemdeling.
1.2. Appellant voert in dat kader terecht aan dat de minister in zijn geval er niet zonder meer van uit mocht gaan dat hij zelf adequaat zijn belangen naar voren heeft kunnen brengen. Uit het medisch advies van 29 september 2025 van MedTadvies, een onafhankelijke organisatie die sociaal-medisch advies op maat levert, volgt dat appellant een laag verstandelijke beperking heeft en dat hij zeer beperkt in staat is antwoord te geven op gestelde vragen, dat zijn verstandelijk vermogen om antwoorden te formuleren sterk beperkt is, en dat wordt geadviseerd om appellant te horen door iemand met ruime ervaring in het spreken met personen met een laag verstandelijk niveau. Ook staat in dat advies dat appellant ernstige gehoorproblemen heeft en voornamelijk lijkt te vertrouwen op liplezen. Uit het verslag van het gehoor bij bewaring blijkt niet dat de minister rekening heeft gehouden met deze informatie. Evenmin is gebleken dat appellant is gehoord door iemand met ruime ervaring in het spreken met personen met een laag verstandelijk niveau. Uit het dossier volgt ook niet dat de minister op een andere manier zich heeft ingespannen om alsnog kennis te verzamelen over de belangen van appellant. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 15 juni 2022, had het wel op de weg van de minister gelegen om dat te doen. De Afdeling komt daarom tot de conclusie dat de minister in dit geval zijn hoorplicht heeft geschonden.
1.3. De grief slaagt.
1.4. In deze zaak zijn geen vragen aan de orde over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punten 24 en 31).
1.5. Omdat de maatregel van vreemdelingenbewaring vanaf het begin onrechtmatig is, bestaat voor ambtshalve toetsing door de Afdeling geen aanleiding. Het hoger beroep is gegrond. Wat appellant verder aanvoert, behoeft geen bespreking. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het beroep is gegrond. De maatregel van vreemdelingenbewaring wordt opgeheven met ingang van vandaag. Ook heeft appellant recht op schadevergoeding (artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000). De Afdeling kent deze vergoeding daarom aan appellant toe. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 3 september 2026 in zaak nr. NL26.47975;
III. verklaart het beroep gegrond;
IV. bepaalt dat de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag wordt opgeheven;
V. kent aan appellant een vergoeding toe van € 4.320,00, over de periode van 20 augustus 2026 tot en met 24 september 2026, ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de Raad van State;
VI. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, voorzitter, en mr. J.J.W.P. van Gastel en mr. V.V. Essenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. L. van Vulpen, griffier.
w.g. Meijer
voorzitter
w.g. Van Vulpen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 24 september 2026
1073