Uitspraak 202503442/1/V3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:5693
- Datum uitspraak
- 24 september 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 15 november 2024 heeft de minister appellant opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten (terugkeerbesluit).
- Hoger beroep
- Terugkeerbesluit
Toon inhoud
202503442/1/V3.
Datum uitspraak: 24 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 23 mei 2025 in zaak nr. NL24.48569 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 15 november 2024 heeft de minister appellant opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten (terugkeerbesluit).
Bij uitspraak van 23 mei 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. H. Palanciyan, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Het tweede deel van de grief leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Appellant klaagt tevergeefs dat de rechtbank in dit geval, gezien het arrest van het Hof van Justitie van 17 oktober 2024, Ararat, ECLI:EU:C:2024:892, ambtshalve had moeten beoordelen of het beginsel van non-refoulement is geëerbiedigd. De uitspraak van de Afdeling van 2 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4178, onder 13.5 en 13.6, gaat over dat arrest. Daaruit volgt dat uit dat arrest slechts kan worden afgeleid dat de rechtbank op basis van concrete aanwijzingen uit de haar ter kennis gebrachte gegevens van het dossier, zoals aangevuld of verhelderd tijdens de voor haar gevoerde procedure op tegenspraak, ambtshalve moet nagaan of een mogelijke schending van het beginsel van non-refoulement aan de orde is. Dit oordeel is ook van toepassing op een separaat terugkeerbesluit. Zie de uitspraak van de Afdeling van 20 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2875, onder 2.3. Nu van voornoemde aanwijzingen geen sprake was, heeft de rechtbank terecht niet beoordeeld of het beginsel van non-refoulement is geëerbiedigd.
1.1. Uit de hiervoor genoemde uitspraken volgt dat de opgeworpen vraag kan worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punten 13 en 14, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 36, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 36, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
2. Het eerste deel van de grief leidt ook niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is namelijk terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen. De Afdeling neemt de motivering onder 3 van de uitspraak van de rechtbank over.
2.1. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat dat deel van de grief geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook roept dat deel van de grief geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest Remling, punt 24).
3. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Nederhoff, griffier.
w.g. De Poorterlid van de enkelvoudige kamer
w.g. Nederhoff
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 24 september 2026
918-1086