Uitspraak BRS.26.005027
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:5687
- Datum uitspraak
- 23 september 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 31 augustus 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie verzoeker in vreemdelingenbewaring gesteld.
- Voorlopige voorziening
- Bewaring
Toon inhoud
BRS.26.005027
ECLI:NL:RVS:2026:5687
Datum uitspraak: 23 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[verzoeker],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 14 september 2026 in zaak nr. NL26.51169 in het geding tussen:
[verzoeker]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 31 augustus 2026 heeft de minister verzoeker in vreemdelingenbewaring gesteld.
Bij uitspraak van 14 september 2026 heeft de rechtbank het met een kennisgeving daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Omdat de rechter de vreemdelingenbewaring ambtshalve moet toetsen, heeft de voorzieningenrechter het hoger beroep in dit geval ook opgevat als een verzoek om een voorlopige voorziening te treffen.
2. De vijfde grief van verzoeker roept een vraag op waarnaar de Afdeling nader onderzoek moet doen. In het licht van artikel 5 van het EVRM komt aan het belang van verzoeker bij de opheffing van de maatregel op dit moment meer gewicht toe dan aan het belang van de minister bij het voortduren daarvan. De voorzieningenrechter heft de maatregel daarom met ingang van vandaag op.
3. De minister moet de proceskosten vergoeden. Over de rechtmatigheid van de bewaring en eventuele schadevergoeding zal in de bodemprocedure worden beslist.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag wordt opgeheven;
II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. M. den Heyer, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van S. van Dijk LLM, griffier.
w.g. Den Heyer
voorzieningenrechter
w.g. Van Dijk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 23 september 2026
967