Uitspraak 202601812/2/R4
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:5620
- Datum uitspraak
- 23 september 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 14 juni 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Dronten het verzoek van de stichting om handhavend op te treden tegen SwifterwinT op Land B.V. (SwifterwinT) vanwege onder meer geluidsoverlast van windturbines, afgewezen. SwifterwinT exploiteert windpark Windplanblauw bij Dronten. De stichting meent dat de daar aanwezige windturbines meer geluid maken dan is toegestaan en heeft onder meer daarom het college verzocht om handhavend op te treden. Het college heeft dat verzoek afgewezen en het bezwaar tegen zijn besluit ongegrond verklaard.
- Voorlopige voorziening
- Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
Toon inhoud
202601812/2/R4.
Datum uitspraak: 23 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)), hangende het hoger beroep van:
het college van burgemeester en wethouders van Dronten,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 1 mei 2026 in zaak nr. 25/1320 in het geding tussen:
Stichting Windbrekers Swifterbant en anderen (de stichting)
en
het college.
Procesverloop
Bij besluit van 14 juni 2024 heeft het college het verzoek van de stichting om handhavend op te treden tegen SwifterwinT op Land B.V. (SwifterwinT) vanwege onder meer geluidsoverlast van windturbines, afgewezen.
Bij besluit van 13 januari 2025 heeft het college het door de stichting daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 1 mei 2026 heeft de rechtbank het door de stichting daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 13 januari 2025 vernietigd en het college opgedragen om binnen vijftien maanden een nieuw besluit te nemen.
Tegen deze uitspraak hebben het college, SwifterwinT en de stichting hoger beroep ingesteld.
Het college heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
SwifterwinT en de stichting hebben ieder voor zich een nader stuk ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op een zitting behandeld op 10 september 2026, waar het college, vertegenwoordigd door mr. G.J.R. Lutje Schipholt, A.J. Theunissen en G.E. Topper, SwifterwinT, vertegenwoordigd door mr. F. Onrust, advocaat in Amsterdam, en [gemachtigde A], en de stichting, vertegenwoordigd door mr. P.A. de Lange, advocaat in Barendrecht, [gemachtigde B], [gemachtigde C] en [gemachtigde D], zijn verschenen.
Overwegingen
1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
2. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving van het Activiteitenbesluit milieubeheer is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt.
Het verzoek om handhaving is gedaan op 30 november 2023. Dat betekent dat in dit geval het recht, zoals dat gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
3. SwifterwinT exploiteert windpark Windplanblauw bij Dronten. De stichting meent dat de daar aanwezige windturbines meer geluid maken dan is toegestaan en heeft onder meer daarom het college verzocht om handhavend op te treden. Het college heeft dat verzoek afgewezen en het bezwaar tegen zijn besluit ongegrond verklaard.
4. De rechtbank heeft, voor zover hier relevant, geoordeeld dat het college onvoldoende heeft onderzocht of wordt voldaan aan de geluidsvoorschriften. Zij heeft het besluit van 13 januari 2025 vernietigd en het college opgedragen om binnen vijftien maanden na de uitspraak een nieuw besluit te nemen. Daarvoor zal het college volgens de rechtbank een representatief geluidsonderzoek moeten doen, waarbij het college moet motiveren waarom de gekozen onderzoekstermijn(en) en de gekozen periode(s) van het jaar representatief zijn. Op grond daarvan moet het college vervolgens beoordelen of al dan niet aanleiding bestaat handhavend op te treden, aldus de rechtbank.
Het verzoek
5. Het college heeft de Afdeling verzocht de uitspraak van de rechtbank te schorsen, omdat het college niet in afwachting van de uitspraak van de Afdeling in de hoofdzaak al wil beginnen met het uitvoeren van geluidsonderzoek. Voor zover de uitspraak van de rechtbank zo moet worden begrepen dat geluidsonderzoek bij woningen moet worden gedaan, dat wil zeggen dat er immissiemetingen moeten worden uitgevoerd, is dat volgens het college niet in overeenstemming met de systematiek van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Ook het verrichten van emissiemetingen, dus bij de windturbines, is volgens hem bijzonder complex, arbeidsintensief en kostbaar. Zo moet er een gespecialiseerd onderzoeksbureau worden ingehuurd en moeten andere windturbines op het windpark worden stilgezet om de geluidsproductie van een enkele werkende turbine goed te kunnen meten, zo stelt het college. Verder is het volgens het college niet duidelijk wat de resultaten van een geluidsonderzoek zouden kunnen betekenen voor het nieuw te nemen besluit omdat de geluidsnormen jaargemiddelde normen zijn. Het college stelt zich op het standpunt dat het de naleving van de geluidsvoorschriften al voldoende in beeld heeft door op basis van de gegevens over het bronvermogen van de windturbines en de jaarlijks opgewekte energie de druk op geluidgevoelige objecten te berekenen zoals uit de toepasselijke regelgeving volgt.
Het oordeel van de voorzieningenrechter
6. Gelet op artikel 6:16 van de Awb, gelezen in verbinding met artikel 6:24 van de Awb, heeft de wetgever ervoor gekozen om geen schorsende werking toe te kennen aan het instellen van hoger beroep. Daarom geldt ook indien ter zake nog een hogerberoepsprocedure aanhangig is als uitgangspunt dat na vernietiging van een op aanvraag genomen besluit een nieuw besluit wordt genomen. Bovendien is het in het belang van een efficiënte en finale geschilbeslechting dat een nieuw besluit wordt genomen, zodat dit besluit met toepassing van artikel 6:19 van de Awb, gelezen in verbinding met artikel 6:24 van die wet, in het kader van het hoger beroep kan worden beoordeeld. Indien de aangevallen uitspraak naar aanleiding waarvan het nieuwe besluit is genomen in hoger beroep niet in stand blijft, komt aan dit besluit de grondslag te ontvallen en zal het worden vernietigd. Vergelijk bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1446.
7. De voorzieningenrechter begrijpt dat de geluidsonderzoeken die het college moet uitvoeren om een nieuw besluit te kunnen nemen, bewerkelijk en kostbaar zijn. Dat kan in uitzonderlijke gevallen een aanleiding zijn om een voorlopige voorziening te treffen in afwijking van wat hiervoor onder 6 uiteen is gezet. De voorzieningenrechter ziet in deze zaak echter geen aanleiding om de uitspraak van de rechtbank op te schorten. Zoals de rechtbank heeft overwogen, wordt van een bestuursorgaan verwacht dat het bij de beoordeling van een handhavingsverzoek de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. Wat het college in dit geval daarvoor heeft gebruikt, namelijk een berekening van de hypothetische immissie op basis van een veronderstelde bronemissie, is daarvoor naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende. De rechtbank heeft overwogen dat het mogelijk moet zijn om door een onderzoek met daadwerkelijke metingen van het geluid van de windturbines meer inzicht in de geluidsbelasting te krijgen. Het is juist, zoals het college op de zitting heeft gesteld, dat een paar losse geluidsmetingen op zichzelf nog geen grond geven voor de conclusie dat de jaarlijkse geluidsnorm wordt overtreden, maar werkelijke emissiegegevens zijn wel noodzakelijk om het verzoek om handhaving goed te kunnen beoordelen. De rechtbank heeft het daarbij aan het college gelaten om een invulling te geven aan het nadere geluidsonderzoek en zijn keuzes, over het moment, hoe vaak, bij welke turbines en onder welke omstandigheden moet worden gemeten, te onderbouwen. De voorzieningenrechter van de Afdeling kan die keuzes niet voor het college maken.
Conclusie
8. Gezien het voorgaande bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen. Dat betekent dat het college binnen vijftien maanden na de uitspraak van de rechtbank een nieuw besluit zal moeten nemen op het bezwaar van de stichting.
9. Het college moet de proceskosten van de stichting vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. wijst het verzoek af;
II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Dronten tot vergoeding van bij Stichting Windbrekers Swifterbant en anderen in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling aan een van hen het college aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.
Aldus vastgesteld door mr. G.T.J.M. Jurgens, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.M.C. Hoekstra, griffier.
w.g. Jurgens
voorzieningenrechter
w.g. Hoekstra
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 23 september 2026
860