Uitspraak 202504077/1/R1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:5363
- Datum uitspraak
- 9 september 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 12 januari 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Maasgouw aan [partij] een omgevingsvergunning verleend voor een "Bed & Breakfast" (B&B) aan de [locatie] in Ohé en Laak. Het college heeft een omgevingsvergunning verleend aan [partij] voor een B&B met daarbij in totaal vijf parkeerplekken op eigen terrein. De B&B bestaat uit drie slaapkamers met maximaal zes slaapplekken. Ter plaatse geldt het bestemmingsplan "Ohé en Laak." De B&B bevindt zich op gronden met onder meer de bestemming "Wonen." Omdat ter plaatse van de woning geen aanduiding ‘bed & breakfast’ in het bestemmingsplan is opgenomen, is de B&B in strijd met het bestemmingsplan. Verder is parkeren in de voortuin niet toegestaan op de locatie. [appellante] woont twee huizen bij [partij] vandaan. De achtertuin van [appellante] grenst voor het achterste gedeelte aan de achtertuin van [partij]. [appellante] is het om verschillende redenen niet eens met de verleende omgevingsvergunning en voert aan dat de rechtbank haar onvoldoende tegemoet is gekomen.
- Hoger beroep
- Bouwen
Toon inhoud
202504077/1/R1
Datum uitspraak: 9 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in Ohé en Laak, gemeente Maasgouw,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 6 juni 2025 in zaak nr. 23/3249 in het geding tussen:
[appellante],
en
het college van burgemeester en wethouders van Maasgouw.
Procesverloop
Bij besluit van 12 januari 2023 heeft het college aan [partij] een omgevingsvergunning verleend voor een "Bed & Breakfast" (B&B) aan de [locatie] in Ohé en Laak.
Bij besluit van 18 september 2023 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van
12 januari 2023 herroepen, de gevraagde omgevingsvergunning opnieuw verleend en twee voorschriften aan deze vergunning verbonden.
Bij uitspraak van 6 juni 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 18 september 2023 vernietigd voor zover daarbij aan de omgevingsvergunning twee voorschriften zijn verbonden, bepaald dat aan de vergunning naast de bestaande voorschriften ook twee nieuwe voorschriften worden verbonden en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
[partij] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 4 augustus 2026, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. T. Beunen en mr. L. Janssen, en het college, vertegenwoordigd door mr. R. Gillissen, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 8 november 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. Het college heeft een omgevingsvergunning verleend aan [partij] voor een B&B met daarbij in totaal vijf parkeerplekken op eigen terrein. De B&B bestaat uit drie slaapkamers met maximaal zes slaapplekken.
3. Ter plaatse geldt het bestemmingsplan "Ohé en Laak." De B&B bevindt zich op gronden met onder meer de bestemming "Wonen." Omdat ter plaatse van de woning geen aanduiding ‘bed & breakfast’ in het bestemmingsplan is opgenomen, is de B&B in strijd met het bestemmingsplan. Verder is parkeren in de voortuin niet toegestaan op de locatie.
4. In het besluit van 12 januari 2023 heeft het college de omgevingsvergunning ten behoeve van de B&B verleend voor de activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef, onder c, van de Wabo met toepassing van een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid. In het bestreden besluit van 18 september 2023 heeft het college de omgevingsvergunning in zoverre verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo en artikel 4, aanhef en onderdeel 9, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. Het gebruik van de voortuin als parkeergelegenheid is vergund met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1°, van de Wabo en artikel 20.6.4 van de planregels.
5. De rechtbank heeft geoordeeld dat het besluit gebreken bevat en heeft, met gedeeltelijke vernietiging van dat besluit, bepaald dat de omgevingsvergunning onder twee aanvullende voorschriften in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit.
6. [appellante] woont twee huizen bij [partij] vandaan. De achtertuin van [appellante] grenst voor het achterste gedeelte aan de achtertuin van [partij]. [appellante] is het om verschillende redenen niet eens met de verleende omgevingsvergunning en voert aan dat de rechtbank haar onvoldoende tegemoet is gekomen.
Relevante wettelijke bepalingen
7. De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.
- Onduidelijkheid omgevingsvergunning
8. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de omgevingsvergunning met aanvullende motivering onduidelijk en onjuist blijft. De rechtbank heeft het gebrek van het college in het bestreden besluit om niet te bepalen welke stukken deel uitmaken van de omgevingsvergunning, volgens haar ten onrechte gepasseerd.
8.1. De Afdeling stelt vast dat in het besluit van het college van 18 september 2023 duidelijk staat dat het besluit tot vergunningverlening van 12 januari 2023 als zodanig wordt herroepen en dat in plaats daarvan opnieuw, met een gewijzigde juridische grondslag, een vergunning wordt verleend. De rechtbank heeft terecht geconcludeerd dat dit er in feite op neerkomt dat de verleende vergunning met een gewijzigde grondslag gehandhaafd blijft. Voor zover de rechtbank heeft geconcludeerd dat het college in zijn besluit van 18 september 2023 onvoldoende duidelijk heeft gemaakt of en zo ja, in hoeverre, de motivering van het besluit van 12 januari 2023 ook geldt voor het besluit van 18 september 2023, is de Afdeling van oordeel dat de rechtbank mocht oordelen dat de bedoeling van het college in dat opzicht voldoende naar voren is gekomen bij de behandeling van het beroep. In het voetspoor daarvan heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het besluit niet op deze grond hoefde te worden vernietigd. Daarbij is van belang dat aannemelijk is dat [appellante] in dit opzicht niet is benadeeld door de handelwijze van het college. Voor zover [appellante] aanvoert dat zij hierdoor niet in de gelegenheid is geweest om haar standpunt over de tekeningen en de motivering van het besluit van 12 januari 2023 naar voren te brengen en de oordeelsvorming langs die weg te beïnvloeden, biedt dat geen grond voor een andere conclusie. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de stukken die behoren bij het besluit van 12 januari 2023 al bij [appellante] bekend waren.
Het betoog slaagt niet.
- "Reformatio in peius"
9. [appellante] voert aan dat de rechtbank heeft miskend dat het college in strijd met het verbod van reformatio in peius een grotere B&B heeft vergund.
9.1. De rechtbank is gemotiveerd op deze beroepsgrond van [appellante] ingegaan. De Afdeling volgt het oordeel van de rechtbank dat er geen schending is van het verbod van reformatio in peius en in de onder 3.6 van de uitspraak van de rechtbank opgenomen overweging waarop dat oordeel is gebaseerd. Daarbij is van belang dat de B&B gelet op de ongewijzigde aanvraag niet groter wordt, zodat het betoog in zoverre feitelijke grondslag mist. Verder is van belang dat de heroverweging in het kader van een bezwaarprocedure niet in de weg staat aan handhaving van het in bezwaar bestreden primaire besluit op een andere grondslag dan die waarop dat besluit steunt.
Het betoog slaagt niet.
- Aantasting woon- en leefklimaat
10. [appellante] voert aan dat dat de B&B onevenredig afbreuk doet aan het woonkarakter van de omgeving en dat de rechtbank dit ten onrechte niet heeft onderkend. Er is namelijk geen rekening gehouden met het cumulatieve effect van het bestaande grote recreatieve verblijfsaanbod in de omgeving, zo betoogt [appellante].
10.1. De Afdeling is, net als de rechtbank onder 3.7 heeft overwogen, van oordeel dat het college zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake is van een ernstige aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellante]. Wat [appellante] stelt over het cumulatieve effect door de bestaande andere recreatievoorzieningen in de buurt, maakt het oordeel niet anders. Daarbij is van belang dat het in dit geval om een kleinschalige ontwikkeling gaat met drie kamers met in totaal maximaal zes overnachtingsplekken, en het college de andere recreatievoorzieningen in zijn beoordeling heeft betrokken. Niet is gebleken dat de bestaande situatie een zodanige belasting voor de omgeving oplevert dat het college voor de B&B waarover het in deze zaak gaat geen vergunning had mogen verlenen. Het college mocht zich op het standpunt stellen dat het woon- en leefklimaat door de B&B niet onaanvaardbaar verslechtert.
Het betoog slaagt niet.
- Omgevingsverordening Limburg 2014
11. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de omgevingsvergunning is verleend in strijd met de Omgevingsverordening Limburg 2014. Niet is gebleken dat overeenkomstig de Omgevingsverordening dynamisch voorraadbeheer met regionale afstemming is toegepast. De rechtbank mocht niet concluderen dat geen regionale afstemming nodig was, aldus [appellante].
11.1. De rechtbank is gemotiveerd op de grond van [appellante] over de Omgevingsverordening ingegaan. De Afdeling volgt het oordeel van de rechtbank dat de Omgevingsverordening niet aan vergunningverlening in de weg staat, en de onder 3.9 van de uitspraak van de rechtbank opgenomen overweging waarop dat oordeel is gebaseerd. In wat [appellante] aanvoert, ziet de Afdeling geen aanleiding voor een ander oordeel. Daarbij is van belang dat het dynamisch voorraadbeheer en daarmee het aantonen van de behoefte overeenkomstig de verordening, gelet op de uitzondering voor een B&B, niet van toepassing is.
Het betoog slaagt niet.
- Omgevingsvisie Maasgouw
12. [appellante] voert aan dat het toevoegen van de B&B in strijd is met de Omgevingsvisie Maasgouw en dat de rechtbank dat heeft miskend. Uit de Omgevingsvisie volgt niet dat als de hoofdfunctie wonen blijft er geen strijd met de Omgevingsvisie is. Dat een B&B niet wordt uitgesloten in de Omgevingsvisie, betekent bovendien niet dat die is toegestaan, zo betoogt [appellante].
12.1. De rechtbank is onder 3.11 op deze grond ingegaan. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank daarin terecht overwogen dat het betoog van [appellante] geen grond geeft voor de conclusie dat de omgevingsvergunning in strijd is met de Omgevingsvisie. In wat
[appellante] in hoger beroep aanvoert, ziet de Afdeling geen aanleiding voor een ander oordeel. Weliswaar stelt [appellante] terecht dat in de omgevingsvergunning geen expliciete toets aan de Omgevingsvisie is opgenomen, maar dat neemt niet weg dat de rechtbank terecht heeft vastgesteld dat de B&B niet in strijd is met de Omgevingsvisie. Daarbij is van belang dat, nog daargelaten dat ook het stimuleren van recreatie een uitgangspunt in de Omgevingsvisie is, niet aannemelijk is dat de waarden ‘wonen’ en ‘rust’ verstoord raken gelet op de kleinschalige ontwikkeling waar het hier om gaat.
Het betoog slaagt niet.
- Behoefte aan de B&B
13. [appellante] betoogt dat de behoefte aan de voorziening voor verblijfsrecreatie niet is aangetoond. De rechtbank heeft dat ten onrechte niet onderkend, met voorbijgaan aan de door [appellante] aangehaalde jurisprudentie, zo stelt zij.
13.1. De Afdeling begrijpt het betoog aldus, dat [appellante] vindt dat de B&B vanwege het ontbreken van duidelijkheid over de behoefte daaraan, mogelijk niet kan worden uitgevoerd.
13.2. Een betoog dat een project niet uitvoerbaar is, bijvoorbeeld omdat het financieel-economisch niet haalbaar is, is meestal geen reden om het besluit over een omgevingsvergunning te vernietigen. Het is wel een reden om een besluit te vernietigen als de bestuursrechter oordeelt dat het college op voorhand redelijkerwijs had moeten inzien dat het project niet kan worden uitgevoerd.
13.3. [appellante] heeft niet gemotiveerd waarom op voorhand duidelijk was dat de B&B niet uitvoerbaar is vanwege gebrek aan behoefte daaraan. De door [appellante] genoemde uitspraken van 3 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1743, en van11 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5114, leiden niet tot een ander oordeel. In die gevallen ging het namelijk, in tegenstelling tot de omgevingsvergunning waarbij de woonfunctie behouden blijft, om de vaststelling van een bestemmingsplan voor respectievelijk een recreatieve groepsaccommodatie en een camping. De rechtbank is daarom terecht tot het oordeel gekomen dat het besluit van het college niet op deze grond hoefde te worden vernietigd.
Het betoog slaagt niet.
- Begrip B&B
14. [appellante] voert aan dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat de vergunningaanvraag daadwerkelijk een B&B betreft. Er wordt namelijk geen ontbijt geserveerd.
14.1. De rechtbank is onder 3.12 gemotiveerd op deze grond ingegaan. De Afdeling ziet met de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de aanvraag geen B&B betreft. Daarbij acht de Afdeling van belang dat niet gebleken is van een wettelijke grondslag waarin de eis voor het serveren van ontbijt is opgenomen.
Het betoog slaagt niet.
- Nevenactiviteit
15. [appellante] betoogt dat de rechtbank eraan voorbij is gegaan dat gelet op de omvang en het ruimtegebruik, geen sprake kan zijn van een nevenactiviteit. In het licht hiervan kan het door de rechtbank toegevoegde voorschrift hierover nog steeds niet waarborgen dat er sprake is van een nevenactiviteit.
15.1. De Afdeling overweegt dat de B&B kan worden aangemerkt als ondersteunende activiteit bij de hoofdactiviteit "wonen". De Afdeling ziet geen grond waarom de rechtbank dit niet met het door [appellante] bedoelde vergunningvoorschrift heeft mogen waarborgen. Over de stelling van [appellante] ten aanzien van het ruimtegebruik, overweegt de Afdeling dat niet gebleken is van een wettelijke grondslag waarin een eis voor de omvang van ruimtegebruik is opgenomen. Op de zitting is naar voren gekomen dat [partij] in de Basisregistratie Personen staat ingeschreven op het adres van de B&B. Als niettemin mocht blijken dat de B&B in werking is zonder dat iemand feitelijk zijn hoofdverblijf heeft op het adres, kan daartegen handhavend worden opgetreden.
Het betoog slaagt niet.
- Milieu
16. [appellante] betoogt dat sprake is van hinder voor haar woonmilieu en dat de rechtbank dat heeft miskend. Er wordt volgens haar namelijk niet voldaan aan de richtafstanden voor milieuzonering.
16.1. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college terecht in de omgevingsvergunning gemotiveerd dat de richtafstanden milieuzonering uit de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten niet van toepassing zijn, omdat er geen eigen kookgelegenheid in de B&B aanwezig is. De rechtbank is dus terecht tot het oordeel gekomen dat het besluit van het college niet op deze grond behoefde te worden vernietigd.
Het betoog slaagt niet.
- Parkeren en verkeer
17. [appellante] voert aan dat de rechtbank heeft miskend dat de gevolgen voor parkeren en verkeer onvoldoende zijn afgewogen. Er is onvoldoende ruimte op eigen terrein en de verkeersveiligheid wordt in gevaar gebracht, aldus [appellante].
17.1. Artikel 20.5.2 van de planregels luidt:
"Tot een strijdig gebruik van gronden en opstallen wordt in elk geval verstaan het gebruik voor en/of als:
[…]
k. parkeren in de voortuin."
17.2. Artikel 20.6.4 van de planregels luidt:
"Mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het woon- en leefklimaat kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in 20.5.2 onder k. voor het gebruik van de voortuin voor parkeren, met dien verstande dat:
a. de afstand tussen de naar de weg gekeerde gevel van het hoofdgebouw en/of bijgebouw en het openbaar gebied minimaal 6 meter bedraagt;
b. het gebruik als parkeerplaats de verkeersveiligheid niet in gevaar brengt."
17.3. De rechtbank is gemotiveerd op de grond van [appellante] over parkeren en verkeer ingegaan. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 3.18-3.19 van de uitspraak van de rechtbank opgenomen overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd. Daaruit volgt dat de parkeerplekken (twee voor de woning zelf en drie voor de B&B) de verkeersveiligheid niet in gevaar brengen. Verder is niet in geschil dat de vijf parkeerplekken voldoen aan de afstandseis zoals opgenomen in artikel 20.6.4, onder a. In wat [appellante] aanvoert, ziet de Afdeling geen grond voor een ander oordeel. Wat er ook van de exacte ruimte voor het parkeren op eigen terrein en de eventuele verhouding met verhuur van gemeentegrond zij, dit laat onverlet dat niet is gebleken dat de verkeersveiligheid in gevaar wordt gebracht. Vanwege de brede oprit en de ruimte ter plaatse ontstaat naar het oordeel van de Afdeling geen onoverzichtelijke situatie. De rechtbank is dus terecht tot het oordeel gekomen dat het besluit van het college niet op deze grond behoefde te worden vernietigd.
Het betoog slaagt niet.
- Natura 2000-gebied
18. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte het relativiteitsvereiste heeft tegengeworpen voor de beroepsgrond over het Natura 2000-gebied.
18.1. Artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat de bestuursrechter een besluit niet vernietigt op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.
18.2. Uit de uitspraak van de Afdeling van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, onder 10.51, volgt dat de individuele belangen van burgers bij het behoud van een goede kwaliteit van hun leefomgeving, waarvan een Natura 2000-gebied deel uitmaakt, zo verweven kunnen zijn met het algemene belang dat de Wnb bedoelt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen. Bij de beantwoording van de vraag of verwevenheid als hiervoor bedoeld kan worden aangenomen, wordt onder meer rekening gehouden met de situering van de woning van een appellant, al dan niet tussen overige bebouwing, met de afstand tussen de woning van een appellant en het natuurgebied, met hetgeen aanwezig is in het gebied tussen de woning en het Natura 2000-gebied en met het al dan niet bestaande, gehele of gedeeltelijke directe zicht vanuit de woning op het gebied.
18.3. De afstand van de woning van [appellante] tot het Natura 2000-gebied Grensmaas bedraagt ongeveer 400 m, en daartussen zijn begroeiing met bomen en een straat gelegen. Gelet hierop, maakt het Natura 2000-gebied geen deel uit van de woon- en leefomgeving van [appellante]. De conclusie is dat haar individuele belang niet verweven is met het algemene belang dat de Wnb beoogt te beschermen. Dit betekent dat rechtbank terecht heeft overwogen dat [appellante] zich, gelet op artikel 8:69a van de Awb, niet met succes op schending van de normen in de Wnb kan beroepen.
Het betoog slaagt niet.
- Natuurnetwerk Nederland (NNN)
19. [appellante] voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de beroepsgrond over het NNN niet slaagt.
19.1. Vast staat dat de B&B niet in het NNN ligt. De afstand van de woning van [appellante] tot het NNN is ongeveer 100 meter. Dat de B&B buiten het NNN ligt, betekent echter niet dat het college bij het verlenen van de omgevingsvergunning geen rekening behoefde te houden met de ligging van deze grond ten opzichte van het NNN. De afweging die het college in het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te maken, brengt ook met zich dat de gevolgen van het plan aanvaardbaar moeten zijn voor de omgeving. In wat [appellante] aanvoert, ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het college bij het verlenen van de omgevingsvergunning onvoldoende rekening heeft gehouden met de ligging van de B&B ten opzichte van het NNN. [appellante] heeft niet geconcretiseerd in welk opzicht de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN als gevolg van de B&B worden aangetast.
Het betoog slaagt niet.
- Overig
20. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat het college geen volledige heroverweging in bezwaar heeft gemaakt. Daarnaast betoogt [appellante] dat de rechtbank niet alle beroepsgronden behandeld heeft.
20.1. Zoals is overwogen in de uitspraak van de Afdeling van 13 mei 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1979, onder 4.1, volgt uit artikel 7:11, eerste lid, van de Awb dat op grondslag van het bezwaar een heroverweging plaatsvindt en is de bezwaarprocedure bedoeld voor een volledige heroverweging die niet is gebonden aan argumenten of omstandigheden die in het bezwaarschrift aan de orde zijn gesteld. Daarnaast verzet artikel 7:12 van de Awb zich er niet tegen dat het college de bezwaren samengevat weergeeft. Voor een voldoende motivering is het niet nodig dat op elk argument afzonderlijk wordt ingegaan.
20.2. Niet is gebleken dat het college bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen heeft betrokken. Verder overweegt de Afdeling dat de rechtbank weliswaar niet alle beroepsgronden uitdrukkelijk heeft besproken in haar uitspraak, maar niet is gebleken dat de rechtbank niet alle beroepsgronden bij haar beoordeling heeft betrokken.
De betogen slagen niet.
Conclusie
21. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
Proceskosten
22. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. W. den Ouden, voorzitter, en mr. C.H. Bangma en mr. N.H. van den Biggelaar, leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, griffier.
w.g. Den Ouden
voorzitter
w.g. Sparreboom
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2026
195-1168
Bijlage
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)
Artikel 2.1
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
[…];
c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan […],
[…].
Artikel 2.12
Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:
a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:
[…];
2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of;
[…].
Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor)
Artikel 4
Voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking:
[…]"
9. het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken aansluitend terrein, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, het uitsluitend betreft een logiesfunctie voor werknemers of de opvang van asielzoekers of andere categorieën vreemdelingen;
[…].
Bestemmingsplan "Ohé en Laak"
Artikel 20.1
De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. wonen
b. […];
c. ter plaatse van de aanduiding 'bed & breakfast', een bed & breakfast;
[…]
Artikel 20.5.2
Tot een strijdig gebruik van gronden en opstallen wordt in elk geval verstaan het gebruik voor en/of als:
[…]
k. parkeren in de voortuin.
Artikel 20.6.4
Mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het woon- en leefklimaat kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in 20.5.2 onder k. voor het gebruik van de voortuin voor parkeren, met dien verstande dat:
a. de afstand tussen de naar de weg gekeerde gevel van het hoofdgebouw en/of bijgebouw en het openbaar gebied minimaal 6 meter bedraagt;
b.het gebruik als parkeerplaats de verkeersveiligheid niet in gevaar brengt.