Uitspraak 202600715/2/R4
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:5250
- Datum uitspraak
- 8 september 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 18 december 2025 heeft de raad van de gemeente Montferland het "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c, woningbouw Sint Jansgildestraat-Arnhemseweg, Beek" als wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Montferland vastgesteld. [verzoekster] woont aan de [locatie]. Haar percelen grenzen aan de zuidzijde van de locatie waar het wijzigingsbesluit op ziet (locatie). [verzoekster] vreest voor aantasting van haar woon- en leefklimaat als gevolg van het wijzigingsbesluit, onder meer vanwege de verwijdering van een aanwezige groenstrook in combinatie met de komst van parkeer- en verkeersvoorzieningen langs haar percelen. [verzoekster] verzoekt het wijzigingsbesluit geheel of gedeeltelijk te schorsen totdat de Afdeling op het beroep heeft beslist. [verzoekster] vreest voor onomkeerbare gevolgen en wijst er in dat kader op dat op 8 april 2026 een omgevingsvergunning aan de gemeente is verleend voor de omgevingsplanactiviteit ‘aanleggen’ voor het bouwrijp maken van de locatie (de omgevingsvergunning).
- Voorlopige voorziening
- Bouwen
- Omgevingsplan
Toon inhoud
202600715/2/R4.
Datum uitspraak: 8 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)) in het geding tussen onder meer:
[verzoekster], wonend in Beek, gemeente Montferland,
verzoekster,
en
de raad van de gemeente Montferland,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 18 december 2025 heeft de raad het "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c, woningbouw Sint Jansgildestraat-Arnhemseweg, Beek" als wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Montferland (het wijzigingsbesluit) vastgesteld.
Tegen dit besluit heeft [verzoekster] beroep ingesteld. [verzoekster] heeft de voorzieningenrechter tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
[verzoekster] heeft een nader stuk ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op een zitting behandeld op 23 juli 2026, waar [verzoekster], bijgestaan door mr. N.J. Loekemeijer, advocaat in Haarlem, en vergezeld door [persoon], is verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2. Het wijzigingsbesluit voorziet in de realisatie van maximaal 69 woningen in verschillende woningbouwtypen op een onbebouwd perceel gelegen tussen de Sint Jansgildestraat en de Arnhemseweg, grenzend aan de kern Beek.
[verzoekster] woont aan de [locatie]. Haar percelen grenzen aan de zuidzijde van de locatie waar het wijzigingsbesluit op ziet (locatie). [verzoekster] vreest voor aantasting van haar woon- en leefklimaat als gevolg van het wijzigingsbesluit, onder meer vanwege de verwijdering van een aanwezige groenstrook in combinatie met de komst van parkeer- en verkeersvoorzieningen langs haar percelen.
Het verzoek
3. [verzoekster] verzoekt het wijzigingsbesluit geheel of gedeeltelijk te schorsen totdat de Afdeling op het beroep heeft beslist. [verzoekster] vreest voor onomkeerbare gevolgen en wijst er in dat kader op dat op 8 april 2026 een omgevingsvergunning aan de gemeente is verleend voor de omgevingsplanactiviteit ‘aanleggen’ voor het bouwrijp maken van de locatie (de omgevingsvergunning). De omgevingsvergunning staat onder meer toe dat de bestaande groenstrook die grenst aan de percelen van [verzoekster] wordt verwijderd. Verwijdering van de groenstrook is volgens [verzoekster] naar zijn aard onomkeerbaar, want een nieuwe groenvoorziening kan de bestaande volgroeide groenstrook niet zomaar vervangen. Verder wil [verzoekster] voorkomen dat werkzaamheden op grond van de omgevingsvergunning plaatsvinden binnen 2,5 m van de erfgrens.
[verzoekster] heeft bezwaar gemaakt tegen de verlening van de omgevingsvergunning. Bij schorsing van het wijzigingsbesluit wordt volgens [verzoekster] voorkomen dat bij het besluit op dat bezwaar kan worden uitgegaan van het wijzigingsbesluit op grond waarvan de omgevingsvergunning is verleend.
Belangenafweging
4. Deze procedure leent zich niet voor een voorlopige beoordeling van de door [verzoekster] tegen het besluit van 18 december 2025 aangevoerde beroepsgronden. De voorzieningenrechter zal op grond van een belangenafweging beoordelen of aanleiding bestaat om de gevraagde voorlopige voorziening te treffen.
4.1. De voorzieningenrechter stelt voorop dat op de zitting is vastgesteld dat de voornaamste belangen van [verzoekster] erin zijn gelegen dat wordt voorkomen dat op grond van de omgevingsvergunning de bestaande groenstrook tussen haar perceel en de locatie wordt verwijderd en dat wordt voorkomen dat op grond van de omgevingsvergunning werkzaamheden binnen 2,5 m van de erfgrens (de grens tussen haar percelen en de locatie) zullen plaatsvinden.
4.2. Tegenover de belangen van [verzoekster] staan de belangen van de raad en van de gemeente als vergunninghouder om de werkzaamheden die de omgevingsvergunning mogelijk maakt al uit te kunnen voeren voordat de Afdeling uitspraak heeft gedaan in de hoofdzaak.
Daarbij betrekt de voorzieningenrechter ook dat de raad namens de gemeente als vergunninghouder heeft verklaard dat alles erop is gericht om de werkzaamheden, waarvoor de omgevingsvergunning is verleend, geen (negatief) effect te laten hebben op de bestaande erfafscheidingen/hagen door niet dichter dan 2 m uit de erfgrens/erfafscheiding te graven. Daarbij is toegezegd dat de haag nabij de eigendomsgrens van [verzoekster] intact wordt gelaten zolang het wijzigingsbesluit nog niet onherroepelijk is.
De raad heeft deze verklaring namens de gemeente later nog verduidelijkt en daarbij aangegeven dat, zolang de Afdeling niet op het beroep heeft beslist, geen zware werkzaamheden zullen plaatsvinden binnen 2,5 m van de feitelijke erfafscheiding, zijnde de bestaande afrastering langs perceel K 958. Deze zone zal gedurende de beroepsprocedure vooraf met (gemarkeerde) piketpaaltjes of een gelijkwaardige markering worden beschermd. De binnen deze zone aanwezige haag, bomen en struiken zullen gedurende de beroepsprocedure volledig intact blijven en zullen niet eenzijdig worden gesnoeid of aangetast, met uitzondering van eventueel noodzakelijk regulier onderhoud in overleg.
4.3. Gelet op de hiervoor weergegeven toezeggingen van de raad namens de gemeente, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter in zoverre aan de onder 4.1 weergegeven belangen van [verzoekster] tegemoet gekomen. Daaruit volgt namelijk dat bij uitvoering van de omgevingsvergunning de bestaande groenstrook intact zal worden gelaten en een zone van 2,5 m van de perceelsgrens zal worden aangehouden waarbinnen geen zware werkzaamheden zullen plaatsvinden. Hierbij betrekt de voorzieningenrechter dat [verzoekster] zelf ook heeft verklaard met deze toezeggingen in te kunnen stemmen.
4.4. Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter, bij afweging van de belangen, aanleiding om het verzoek af te wijzen.
Conclusie
5. Het verzoek wordt afgewezen.
6. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.F. de Groot, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Es, griffier.
w.g. De Groot
voorzieningenrechter
w.g. Van Es
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 8 september 2026
826-1209