Uitspraak 202500255/3/R4
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:5229
- Datum uitspraak
- 9 september 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij tussenuitspraak van 25 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2829, heeft de Afdeling de raad van de gemeente Buren opgedragen om binnen 26 weken na de verzending van deze tussenuitspraak de gebreken in het besluit van 19 november 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Lienden, [locatie 1] en [locatie 2]" te herstellen. Daarbij heeft de Afdeling geen aanleiding gezien om een voorlopige voorziening te treffen. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak de raad opgedragen om te motiveren of het vanuit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar is om de legale, bestaande bedrijfsactiviteiten op het bedrijfsperceel aan het [locatie 2] in Lienden als zodanig te bestemmen en in ieder geval een gewijzigd besluit te nemen zodat duidelijk is welke bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan binnen de bestemming "Bedrijf".
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- RO - Gelderland
Toon inhoud
202500255/3/R4.
Datum uitspraak: 9 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellante], wonend in Lienden, gemeente Buren,
appellante,
en
de raad van de gemeente Buren,
verweerder.
Procesverloop
Bij tussenuitspraak van 25 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2829, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 26 weken na de verzending van deze tussenuitspraak de gebreken in het besluit van 19 november 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Lienden, [locatie 1] en [locatie 2]" te herstellen. Daarbij heeft de Afdeling geen aanleiding gezien om een voorlopige voorziening te treffen.
Bij besluit van 16 december 2025 heeft de raad het plan opnieuw en gewijzigd vastgesteld, teneinde de gebreken die in de tussenuitspraak zijn vastgesteld, te herstellen.
Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [appellante] een zienswijze naar voren gebracht.
Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft de Afdeling bepaald dat een tweede onderzoek ter zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak de raad opgedragen om te motiveren of het vanuit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar is om de legale, bestaande bedrijfsactiviteiten op het bedrijfsperceel aan het [locatie 2] in Lienden als zodanig te bestemmen en in ieder geval een gewijzigd besluit te nemen zodat duidelijk is welke bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan binnen de bestemming "Bedrijf".
2. Gelet op hetgeen in de tussenuitspraak is overwogen onder 5 en 6, is het plan vastgesteld in strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Awb. Het beroep van [appellante] tegen het besluit van 19 november 2024 is gegrond, zodat dit besluit dient te worden vernietigd. De Afdeling ziet aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken op de landelijke voorziening.
3. Bij besluit van 16 december 2025 heeft de raad het plan opnieuw en gewijzigd vastgesteld. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. In dit herstelbesluit heeft de raad een ‘Staat van bedrijfsactiviteiten’ als bijlage bij de regels gevoegd en de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf - transportbedrijf’ aan het perceel van [appellante] toegekend, waardoor het toegestaan is om daar een transportbedrijf in zand en grind in milieucategorie 3.2 te exploiteren.
4. De Afdeling stelt vast dat met het herstelbesluit in ieder geval een aantal gebreken die zijn vastgesteld in de tussenuitspraak zijn hersteld. De legale bedrijfsactiviteiten op het perceel van [appellante] zijn met de toegevoegde aanduiding en Staat van bedrijfsactiviteiten alsnog als zodanig bestemd. In haar reactie op het herstelbesluit geeft [appellante] ook aan dat dit geen geschilpunt meer is. De vraag die resteert is of de raad - nu de bedrijfsactiviteiten op het perceel van [appellante] als zodanig zijn bestemd - deugdelijk heeft gemotiveerd dat de nieuwe woning die nog steeds op korte afstand mogelijk wordt gemaakt in het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
5. [appellante] betoogt dat geen sprake is van een goed woon- en leefklimaat bij de nieuwe woning die op ongeveer 10 m afstand tegenover haar bedrijfsperceel is voorzien in het plan en dat haar bedrijfsvoering door die nieuwe woning wordt beperkt. Daartoe voert zij aan dat in artikel 3.3.3 van de planregels een maximale geluidsbelasting is opgenomen die hoger is dan de standaardwaarde. In dit verband wijst [appellante] erop dat geen besluit hogere waarden is genomen. Verder is het geluidsonderzoek dat ten grondslag ligt aan het plan niet geactualiseerd voor het herstelbesluit, terwijl de milieucategorie is verhoogd en ook artikel 3.3.3 is gewijzigd ten opzichte van het oorspronkelijke plan.
6. De Afdeling constateert dat artikel 3.3.3 van de planregels zoals dat luidt na het herstelbesluit identiek is aan artikel 3.3.2 van de planregels zoals dat luidde in het oorspronkelijke besluit. Het betoog dat deze bepaling zou zijn gewijzigd in het herstelbesluit mist dan ook feitelijke grondslag. Anders dan [appellante] betoogt, hoefde de raad het geluidsrapport van de Omgevingsdienst Rivierenland van 5 augustus 2024 niet te actualiseren voor het herstelbesluit. In dat geluidsrapport is op meerderde plekken vermeld dat bij de berekening van de geluidsbelasting op de nieuwe woning is uitgegaan van milieucategorie 3.2, zoals nu ook in het plan is vastgelegd. Verder is de Wet geluidhinder (Wgh) in dit geval niet van toepassing, aangezien het bedrijfsperceel van [appellante] geen zogenoemd ‘gezoneerd bedrijventerrein’ als bedoeld in artikel 40 van de Wgh is. Daardoor is het college van burgemeester en wethouders ook niet bevoegd om een hogere waarden besluit als bedoeld in artikel 110a van de Wgh te nemen. Het betoog dat ten onrechte een dergelijk hogere waarden besluit ontbreekt voor dit plan slaagt daarom niet.
7. Wat betreft de geluidsnormen die zijn opgenomen in artikel 3.3.3 van de planregels overweegt de Afdeling dat die hogere geluidsnormen in het plan zijn opgenomen om de bedrijfsvoering op het perceel van [appellante] niet te belemmeren. Door [appellante] is niet aannemelijk gemaakt dat zij niet aan die geluidsnormen kan voldoen. De Afdeling volgt [appellante] dan ook niet in haar betoog dat het plan tot een beperking van haar bedrijfsvoering leidt. Weliswaar wordt bij de toekomstige woning niet voldaan aan de richtafstand van de VNG-brochure voor bedrijven in milieucategorie 3.2, maar juist daarom is voor het plan een geluidsonderzoek gedaan. Daarin wordt geconcludeerd dat in de toekomstige woning wordt voldaan aan de geluidsgrenswaarden van het Activiteitenbesluit milieubeheer en dus sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. [appellante] heeft de uitgangspunten of berekeningen in het geluidsrapport niet gemotiveerd bestreden, zodat de Afdeling geen reden ziet om aan de bevindingen in het geluidsrapport te twijfelen. Dit betoog slaagt niet.
Conclusie en proceskosten
8. Het beroep tegen het besluit van 16 december 2025 is ongegrond.
9. De raad moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep van [appellante] tegen het besluit van de raad van de gemeente Buren van 19 november 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Lienden, [locatie 1] en [locatie 2]" gegrond;
II. vernietigt het besluit van 19 november 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Lienden, [locatie 1] en [locatie 2]";
III. verklaart het beroep van [appellante] tegen het besluit van de raad van de gemeente Buren van 16 december 2025 tot gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan "Lienden, [locatie 1] en [locatie 2]" ongegrond;
IV. draagt de raad van de gemeente Buren op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel II wordt verwerkt op de landelijke voorziening;
V. veroordeelt de raad van de gemeente Buren tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.269,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VI. gelast dat de raad van de gemeente Buren aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 194,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. J.J.W.P. van Gastel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.V. Vreugdenhil, griffier.
w.g. Van Gastel
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Vreugdenhil
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2026
571