Uitspraak BRS.26.003784
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:5221
- Datum uitspraak
- 7 september 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 6 juli 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie betrokkene een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
- Hoger beroep
- Bewaring
Toon inhoud
BRS.26.003784
ECLI:NL:RVS:2026:5221
Datum uitspraak: 7 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 17 juli 2026 in zaak nr. NL26.37596 in het geding tussen:
[de betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 6 juli 2026 heeft de minister betrokkene een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Bij uitspraak van 17 juli 2026 heeft de rechtbank het met een kennisgeving daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van die dag bevolen en schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. M.H.K. van Middelkoop, advocaat in Haarlem, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. De minister komt in grieven 1 tot en met 3 terecht op tegen het oordeel van de rechtbank dat de grensdetentie onrechtmatig is, omdat hij in de vrijheidsontnemende maatregel niet nader heeft gemotiveerd waarom hij de asielgrensprocedure toepast en ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij niet met een lichter middel dan grensdetentie volstaat.
1.1. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 2 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5077, geoordeeld dat de minister in een vrijheidsontnemende maatregel niet nader hoeft te motiveren waarom hij de asielgrensprocedure toepast en dat de lichter-middel-beoordeling in grensdetentiezaken niet verder strekt dan de beoordeling of de grensdetentie onevenredig bezwarend is, als bedoeld in artikel 5.5, tweede lid, van het Vb 2000.
1.2. In deze zaak heeft de minister op 13 juli 2026 een gehoor gehouden. Op 17 juli 2026 heeft hij de asielaanvraag ingewilligd en de grensdetentie uit eigen beweging opgeheven. Daarmee heeft hij voldaan aan zijn verplichting de grensdetentie op te heffen wanneer blijkt dat de aanvraag zich niet leent voor de behandeling in de asielgrensprocedure en aan zijn verplichting uit artikel 11, eerste lid, van de Richtlijn (EU) 2024/1346 (Opvangrichtlijn) om de grensdetentie zo kort mogelijk te laten duren.
1.3. De Afdeling is verder van oordeel dat de minister met de vragen die hij in het gehoor heeft gesteld voldoende heeft onderzocht of de grensdetentie voor betrokkene onevenredig bezwarend is. Zo heeft hij geïnformeerd over de medische omstandigheden van betrokkene, gevraagd of betrokkene familieleden in Nederland of in de Europese Unie heeft die hier rechtmatig verblijven en betrokkene in de gelegenheid gesteld andere omstandigheden aan te voeren. De minister heeft de antwoorden van betrokkene kenbaar bij de besluitvorming betrokken en hoefde op basis daarvan niet tot de conclusie te komen dat de grensdetentie onevenredig bezwarend is.
1.4. De grieven slagen.
2. In de genoemde uitspraak van 2 september 2026 heeft de Afdeling uitgelegd waarom zij geen aanleiding ziet hierover prejudiciële vragen te stellen.
3. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken en de Afdeling ook ambtshalve geen reden ziet om de grensdetentie onrechtmatig te achten, is het beroep alsnog ongegrond. De Afdeling wijst het verzoek om schadevergoeding daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 17 juli 2026 in zaak nr. NL26.37596;
III. verklaart het beroep ongegrond;
IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.C.M. de Vries-van Trappen, griffier.
w.g. Ristra-Peeters
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. De Vries-van Trappen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 7 september 2026
1020