Uitspraak BRS.25.000370
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:5198
- Datum uitspraak
- 4 september 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 30 juli 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie de aan betrokkene verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, ingetrokken, een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd te verlenen, afgewezen, betrokkene laten weten dat op hem een vertrekplicht rust en hem in het Schengeninformatiesysteem (SIS) gesignaleerd (besluit tot signalering).
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
BRS.25.000370
ECLI:NL:RVS:2026:5198
Datum uitspraak: 4 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 12 maart 2025 in zaak nr. NL24.33202 in het geding tussen:
[de betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 30 juli 2024 heeft de minister de aan betrokkene verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, ingetrokken, een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd te verlenen, afgewezen, betrokkene laten weten dat op hem een vertrekplicht rust en hem in het Schengeninformatiesysteem (SIS) gesignaleerd (besluit tot signalering).
Bij uitspraak van 12 maart 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. S. Thelosen, advocaat in Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De minister heeft op verzoek van de Afdeling een nader stuk ingediend, waarop betrokkene heeft gereageerd.
Overwegingen
Inleiding
1. Betrokkene is geboren op [geboortedatum] 1990 en heeft de Iraanse nationaliteit. De minister heeft hem bij besluit van 17 april 2013 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Betrokkene heeft op 6 mei 2022 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. De minister heeft die aanvraag afgewezen en de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, ingetrokken, omdat betrokkene door zijn persoonlijk gedrag een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving. Daarbij heeft de minister erop gewezen dat betrokkene is veroordeeld voor negentien misdrijven. Betrokkene is onder meer veroordeeld voor poging tot doodslag, wat volgens de minister een bijzonder ernstig misdrijf is in de zin van paragraaf C2/7.10.1 van de Vc 2000.
1.1. De rechtbank heeft het beroep van betrokkene tegen het besluit van 30 juli 2024 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, omdat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat betrokkene een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. De rechtbank heeft de overige beroepsgronden van betrokkene niet besproken.
2. De Afdeling heeft de minister op 10 april 2026 gevraagd over de mogelijke gevolgen van het arrest van het Hof van Justitie van 26 maart 2026, Tadmur, ECLI:EU:C:2026:257, in het bijzonder punt 44, voor deze zaak. De minister heeft bij brief van 24 april 2026 een reactie ingediend. Vervolgens heeft betrokkene daar bij brief van 8 mei 2026 op gereageerd. De Afdeling zal de reacties van partijen bij haar oordeel betrekken.
Hoger beroep van de minister
3. De eerste grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de minister de strafbare feiten, behoudens de poging tot doodslag, niet aan betrokkene heeft tegengeworpen in die zin dat de strafbare feiten bijzonder ernstig zouden zijn, niet individueel en ook niet in samenhang bezien. De minister betoogt terecht dat hij de andere misdrijven inderdaad niet als bijzonder ernstig misdrijf heeft aangemerkt, maar dat de misdrijven wel een rol kunnen spelen bij de beoordeling van het Unierechtelijke openbare-ordecriterium. Hierbij wijst de minister terecht op het arrest van het Hof van 6 juli 2023, XXX, ECLI:EU:C:2023:542, punten 61 tot en met 64. De rechtbank heeft dat niet onderkend. De grief slaagt.
4. De tweede grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat betrokkene een actuele bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. De minister betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de beoordeling in strijd is met Werkinstructie 2022/12 (het Unierechtelijk openbare-ordecriterium).
4.1. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, heeft de minister niet in strijd met Werkinstructie 2022/12 gehandeld door zich op het standpunt te stellen dat de bedreiging die van betrokkene uitgaat langer actueel blijft, omdat hij een ernstig geweldsmisdrijf heeft gepleegd. De in paragraaf 2.2 van Werkinstructie 2022/12 genoemde voorbeelden waarbij de bedreiging langer actueel kan blijven, zaken met voortdurende media-aandacht of politieke aandacht, zijn niet-limitatief. De minister betoogt terecht dat hij in het besluit van 30 juli 2024 deugdelijk heeft gemotiveerd waarom de bedreiging die van betrokkene uitgaat langer actueel blijft. De minister heeft er namelijk op gewezen dat betrokkene een veelpleger is, er een stijgende lijn zit in de ernst van de strafbare feiten en de hoogte van de opgelegde straffen, hij een bijzonder ernstig misdrijf heeft gepleegd en dat uit het advies indicatieoverleg van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie van 28 januari 2021 onder meer volgt dat interventies vanuit de reclassering nog niet hebben gezorgd voor een gedragsverandering bij betrokkene. De rechtbank heeft dit niet onderkend.
4.2. De minister betoogt verder terecht dat het reclasseringsadvies van 9 december 2024, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet tot de conclusie leidt dat hij ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat de bedreiging van betrokkene actueel is. De minister betoogt terecht dat hij, gelet op het aantal misdrijven dat betrokkene heeft gepleegd en de ernst daarvan, mag verwachten dat betrokkene over een langere periode in vrijheid goed gedrag in de samenleving laat zien. Daarbij wijst de minister erop dat op het moment dat betrokkene in vrijheid werd gesteld op 1 augustus 2023, er een proeftijd liep waar de strafrechter bijzondere voorwaarden aan heeft gekoppeld. Uit het reclasseringsadvies volgt dat de proeftijd eindigt op 1 augustus 2026. De minister betoogt terecht dat betrokkene tijdens de proeftijd een externe prikkel tot goed gedrag heeft, waardoor de minister niet zonder meer hoeft uit te gaan van een intrinsieke motivatie tot gedragsverbetering. Ook wijst de minister er terecht op dat er zowel tijdens als na de detentie van betrokkene twee positieve urinecontroles op cannabis zijn geweest. Betrokkene heeft betoogd dat de cannabiswaarden dusdanig laag zijn, dat dit niet het gevolg is van het gebruik van drugs, maar van het fysiek in aanraking komen daarmee. Betrokkene heeft dit echter onvoldoende met stukken onderbouwd. Tot slot wijst de minister er terecht op dat betrokkene na zijn detentie wordt verdacht van twee delicten op grond van de Opiumwet. De minister betoogt daarom terecht dat het reclasseringsadvies, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet ertoe leidt dat hij ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat betrokkene een actuele bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving. De grief slaagt.
5. De derde grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de ontkennende houding van betrokkene ten opzichte van de veroordeling voor de poging tot doodslag niet betekent dat hij dit feit bagatelliseert. De minister betoogt terecht dat het ontkennen van het plegen van het strafbare feit een indicatie is dat er bij betrokkene geen delictinzicht of berouw aanwezig is. De minister heeft voor de beoordeling of betrokkene een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving, anders dan de rechtbank heeft overwogen, terecht van belang geacht dat betrokkene ontkent de poging tot doodslag te hebben gepleegd. De grief slaagt.
6. Uit het voorgaande volgt dat de opgeworpen vraag of de minister strafbare feiten die hij niet als bijzonder ernstig misdrijf heeft aangemerkt, mag betrekken in de beoordeling van het Unierechtelijke openbare-ordecriterium, kan worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof. Voor het overige roept het hogerberoepschrift geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 16, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punten 39 en 40, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punten 24 en 36, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
Conclusie hoger beroep
7. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank en beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.
Beroepsgronden waarover de Afdeling nog een oordeel moet geven
8. Betrokkene heeft betoogd dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd evenredig is. Volgens betrokkene is het niet noodzakelijk in het kader van de openbare orde om zijn verblijf in Nederland uit te sluiten. Ook heeft betrokkene erop gewezen dat de minister in het besluit verwijst naar het voornemen van 10 oktober 2022, terwijl er daarna ontwikkelingen hebben plaatsgevonden in het gedrag van betrokkene.
8.1. De minister heeft deugdelijk gemotiveerd dat intrekking van de verblijfsvergunning evenredig is. Daarbij heeft de minister zich, anders dan betrokkene heeft betoogd, terecht op het standpunt gesteld dat de intrekking noodzakelijk is, omdat er geen andere middelen of maatregelen zijn die de samenleving net zo goed beschermen. Dat de minister in het besluit onder meer heeft verwezen naar zijn standpunten uit het voornemen van 10 oktober 2022, maakt niet dat het besluit onvoldoende rekening houdt met de omstandigheden die zich daarna hebben voorgedaan. De minister heeft namelijk niet alleen verwezen naar het voornemen, maar hij heeft ook opnieuw gemotiveerd waarom de intrekking van de verblijfsvergunning niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. De beroepsgrond slaagt niet.
9. Betrokkene heeft verder betoogd dat het besluit in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Volgens betrokkene heeft hij inmiddels familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM met zijn Nederlandse partner en met zijn vader. Ook heeft betrokkene betoogd dat de minister niet alle relevante feiten en omstandigheden heeft betrokken in de belangenafweging.
9.1. De omstandigheid dat betrokkene na het besluit een relatie heeft gekregen met een Nederlandse vrouw, maakt niet dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat de intrekking niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. De minister kon ten tijde van het besluit met deze omstandigheid immers geen rekening houden. Ook heeft betrokkene de relatie niet met stukken onderbouwd. Voor zover betrokkene heeft betoogd dat er bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn tussen hem en zijn vader, heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat betrokkene dit niet aannemelijk heeft gemaakt.
9.2. Partijen zijn het erover eens dat betrokkene privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM heeft in Nederland. De minister heeft deugdelijk gemotiveerd dat de intrekking van de verblijfsvergunning ook in zoverre niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. De minister heeft zich onder meer op het standpunt gesteld dat betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij, sinds hij in Nederland verblijft, sterke banden heeft opgebouwd in en met Nederland. Daarbij heeft de minister er onder meer terecht op gewezen dat betrokkene tijdens zijn verblijf in Nederland meerdere periodes in de gevangenis heeft doorgebracht en dat betrokkene niet met stukken heeft onderbouwd dat hij een sterke band heeft met familieleden in Nederland of dat hij een sociaal netwerk heeft. De minister heeft niet ten onrechte geconcludeerd dat de belangen van betrokkenen niet opwegen tegen het belang van de Nederlandse samenleving. Daarbij heeft de minister, anders dan betrokkene heeft betoogd, niet in strijd gehandeld met de arresten van het EHRM van 2 augustus 2001, Boultif tegen Zwitserland, ECLI:CE:ECHR:2001:0802JUD005427300, en 18 oktober 2006, Üner tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:2006:1018JUD004641099. De beroepsgrond slaagt niet.
10. De hiervoor besproken beroepsgronden roepen geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest Remling, punt 24).
11. Betrokkene heeft betoogd dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er op hem een vertrekplicht rust, omdat de minister geen terugkeerbesluit heeft genomen.
11.1. De minister heeft zich in het aanvullend voornemen van 18 juni 2024 en het besluit op het standpunt gesteld dat hij geen terugkeerbesluit neemt en geen inreisverbod uitvaardigt, omdat de verwijdering van betrokkene naar Iran is uitgesloten op grond van het beginsel van non-refoulement, maar dat betrokkene wel een zelfstandige vertrekplicht heeft op grond van artikel 61 van de Vw 2000. Dit is volgens de minister geen vertrekplicht in de zin van de Terugkeerrichtlijn. De minister heeft hierbij geen land van bestemming genoemd.
11.2. Uit het onder 2 genoemde arrest Tadmur, punten 44 tot en met 48, volgt dat, in een situatie waarin het beginsel van non-refoulement uit artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn in de weg staat aan de vaststelling van een terugkeerbesluit, dat beginsel ook in de weg staat aan de vaststelling dat op de vreemdeling een vertrekplicht rust op grond van het nationale recht, zonder zijn verwijdering toe te staan of een lidstaat van bestemming aan te wijzen. Elke derdelander die illegaal op het grondgebied van de lidstaat verblijft, valt in beginsel binnen de werkingssfeer van de Terugkeerrichtlijn. De gemeenschappelijke normen en procedures van de Terugkeerrichtlijn zijn in dat geval van toepassing. Het opleggen van een vertrekplicht aan een vreemdeling van wie de lidstaat de verblijfsvergunning intrekt, valt binnen de werkingssfeer van die richtlijn. Verder volgt uit artikel 3, derde lid, van de Terugkeerrichtlijn dat het begrip ‘terugkeer’ in de zin van die richtlijn niet alleen betrekking heeft op een gedwongen reis naar een derde land, maar ook op een reis naar een derde land door vrijwillig gevolg te geven aan een vertrekplicht. De vertrekplicht opgelegd op grond van artikel 61 van de Vw 2000 is dus een vertrekplicht in de zin van de Terugkeerrichtlijn. Het opleggen van een vertrekplicht zonder daarbij een land van bestemming aan te wijzen, is in strijd met artikel 3, derde en vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn.
11.3. Gelet op het voorgaande heeft betrokkene terecht betoogd dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat op betrokkene een vertrekplicht rust op grond van artikel 61 van de Vw 2000. De minister heeft dit in zijn brief van 24 april 2026 ook erkend. De beroepsgrond slaagt.
11.4. Uit het voorgaande volgt dat de opgeworpen vraag kan worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof. Gelet op de arresten Cilfit, punten 13 en 14, Consorzio Italian Management, punt 36, en Remling, punt 36, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
12. Betrokkene heeft tot slot betoogd dat de minister ten onrechte een besluit tot signalering in de zin van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening (EU) 2018/1861 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 28 november 2018 betreffende de instelling, de werking en het gebruik van het SIS op het gebied van grenscontroles, tot wijziging van de Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen en tot wijziging en intrekking van Verordening (EG) nr. 1987/2006 (SIS III-verordening) heeft genomen, omdat zijn uitzetting naar Iran in strijd is met het beginsel van non-refoulement.
12.1. Op grond van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de SIS III-verordening neemt de minister een besluit tot signalering met het oog op de weigering van toegang en verblijf als de aanwezigheid van een vreemdeling op het grondgebied een bedreiging vormt voor de openbare orde of veiligheid of de nationale veiligheid.
12.2. De minister heeft zich in zijn nader stuk van 24 april 2026 op het standpunt gesteld dat het arrest Tadmur geen gevolgen heeft voor het besluit tot signalering en dat hij dat besluit dus handhaaft. Betrokkene heeft in zijn brief van 8 mei 2026 hierop gereageerd. Volgens betrokkene is het besluit tot signalering in strijd met het Unierecht, omdat het in feite een inreisverbod is. Aangezien de uitzetting van betrokkene naar Iran in strijd is met het beginsel van non-refoulement, mag de minister volgens betrokkene geen terugkeerbesluit nemen, geen inreisverbod uitvaardigen en dus ook geen besluit tot signalering nemen.
12.3. De minister stelt zich in het nader stuk terecht op het standpunt dat het arrest Tadmur geen gevolgen heeft voor het besluit tot signalering. In dat arrest heeft het Hof een oordeel gegeven over de mogelijkheden tot het nemen van een terugkeerbesluit en het opleggen van een vertrekplicht als uitzetting naar het land van herkomst in strijd is met het beginsel van non-refoulement. Het Hof heeft zich in dat arrest niet uitgelaten over het nemen van een besluit tot signalering in een dergelijk geval.
12.4. De omstandigheid dat de uitzetting van betrokkene naar Iran in strijd is met het beginsel van non-refoulement, leidt er volgens de Afdeling niet toe dat de minister geen besluit tot signalering kan nemen. De minister heeft er in zijn nader stuk van 24 april 2026 terecht op gewezen dat een besluit tot signalering geen plicht omvat voor een vreemdeling om het grondgebied te verlaten en dat een vreemdeling niet strafbaar is door in Nederland te verblijven terwijl een lidstaat hem in het SIS heeft gesignaleerd. Dat uit artikel 24, derde lid, van de SIS III-verordening volgt dat de signalering van kracht wordt zodra de vreemdeling het grondgebied heeft verlaten, om te voorkomen dat die vreemdeling het grondgebied opnieuw zal betreden, maakt niet dat een besluit tot signalering een vreemdeling verplicht het grondgebied te verlaten, anders dan bij een terugkeerbesluit het geval is. Hierbij wijst de Afdeling ook op het doel van een besluit tot signalering, zoals volgt uit artikel 1 van de SIS III-verordening. Een besluit tot signalering heeft als doel om de lidstaten te informeren over het standpunt van de minister dat betrokkene een bedreiging vormt voor de openbare orde, en om de lidstaten daarvoor te waarschuwen. Gelet op het voorgaande betoogt betrokkene ook tevergeefs dat een besluit tot signalering in feite hetzelfde is als een inreisverbod.
12.5. Betrokkene heeft niet betwist dat hij een bedreiging vormt voor de openbare orde als bedoeld in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, en het tweede lid, aanhef en onder a, van de SIS III-verordening. De beroepsgrond slaagt niet.
12.6. Uit het voorgaande volgt dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over het antwoord op de opgeworpen vraag. Gelet op de arresten Cilfit, punt 16, Consorzio Italian Management, punten 39 en 40, en Remling, punt 37, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
13. Betrokkene heeft in zijn brief van 8 mei 2026 de Afdeling verzocht om de zaak aan te houden in afwachting van een arrest van het Hof over de Koppelingswet en artikel 10 van de Vw 2000. De Afdeling begrijpt het verzoek zo dat dit gaat over de derde prejudiciële vraag uit de uitspraak van de Afdeling van 27 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4046. De Afdeling ziet geen aanleiding om deze zaak aan te houden in afwachting van een arrest van het Hof hierover, omdat het onderwerp van de prejudiciële vraag geen deel uitmaakt van het geschil.
Conclusie beroep
14. Het beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt het besluit van 30 juli 2024, voor zover daarin staat dat op betrokkene een vertrekplicht rust. De minister moet de proceskosten voor het beroep vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 12 maart 2025 in zaak nr. NL24.33202;
III. verklaart het beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van 30 juli 2024, V-272.403.0672, voor zover daarin staat dat op betrokkene een vertrekplicht rust;
V. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. M. Soffers en mr. M.C. Stoové, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Pronk, griffier.
w.g. Sevenster
voorzitter
w.g. Pronk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 september 2026
1028